Depressie Onbehagen in de mode

Shoppen als zelftherapie

Lamlendig afhangende broeken, het doodse zwart van de gothic-stijl, de agressieve anti-stijl van de punks van weleer. Bestaat er zoiets als depressieve kleding?

Medium mcqueen

OP 11 FEBRUARI 2010 werd in zijn huis in Londen het lichaam gevonden van de Britse modeontwerper Lee Alexander McQueen. Volkomen onverwacht maakte hij in zijn veertigste levensjaar een einde aan zijn leven. McQueen had een haat-liefdeverhouding met de modewereld en stond bekend om zijn provocerende uitspraken: ‘Mensen uit modekringen hebben nooit iets te vertellen. Dit werk is zwaar genoeg, ik hoef niet ook nog dat fucking leven te leiden, ik kijk liever thuis naar Coronation Street.’ Of: ‘“Jouw dood is mijn leven”, dát is de modewereld.’
Drie weken voor zijn dood toonde hij zijn spectaculaire wintermode voor mannen, in de lugubere stijl die zijn handelsmerk was. Een decor als een knekelhuis, modellen als stijve zombies in slanke mannenpakken of dikke warme truien met ingebreide doodshoofden. McQueens thema’s waren romantiek, agressie en vergankelijkheid. Hij werd beroemd door aanstootgevende shows met dikwijls een mengeling van gothic en futuristische invloeden. Het leverde hem sinds 1996 vier maal de titel British Designer of the Year op.
McQueen showde vorige herfst in Parijs zijn vrouwencollectie voor de zomer van 2010, nu te zien in alle modebladen. De modellen droegen jurkjes met reptielenpatronen, de bijbehorende schoenen als krabscharen waren zo extreem dat de modellen ze aanvankelijk weigerden te dragen. In 2000 zette hij een trend: de bumster pants, een laaghangende jeans met inkijk: zicht op de bilspleet, zíjn versie van het decolleté.
Over die laaghangende jeans gesproken: een vriendin zegt ervan overtuigd te zijn dat de afgezakte broeken die jongeren nu dragen een teken zijn van de depressie-epidemie in onze tijd. Ze getuigen van de impliciete behoefte van jongeren om binnen alle comfortabele mogelijkheden die onze samenleving biedt een recalcitrante keerzijde te laten zien – allemaal onbewust natuurlijk.
Doodshoofden op truien, lamlendig afhangende broeken, het doodse zwart van de gothic-stijl, de ongelikte nonchalance van grunge, de agressieve anti-stijl van de punks van weleer – je zou zeggen dat er zoiets als depressieve kleding bestaat, en dat dat juist iets van de laatste decennia is.
Ik werd in dat idee bevestigd toen ik in het voorjaar van 2009 de tentoonstelling Archeologie van de toekomst van Li Edelkoort bezocht in het Nederlands Instituut in Parijs. De tentoonstelling bestond uit diverse kunstobjecten, kleren, maskers, textiel en foto’s en weerspiegelde, volgens de catalogus, de angst voor economische crises, milieu-ontwikkelingen, de tsunami, opduikende virussen en oorlogen in de twee decennia rond de laatste eeuwwisseling. Voor Li Edelkoort drukt mode de complexe sociale structuren uit waarin we leven. Ze vat haar visie kernachtig samen: ‘The more the world agresses us, the more we make our nests.’
Bedoelt Edelkoort dat binnen de mode de angsten van de beschaving te zien zijn? Het idee is niet zonder meer als belachelijk te verwerpen. Mode kan een kunst zijn zoals fotografie dat ook kan zijn. En ongetwijfeld is er een verband tussen politiek-sociaal-economisch-klimatologische narigheid in onze beschaving en kunstexpressies.
Edelkoort staat bovendien niet alleen in haar visie. Diverse kunstenaars, schrijvers en filosofen zien mode enerzijds als een bron van inspiratie en een lofzang op jeugd en schoonheid, maar anderzijds als iets onrustbarends. Bladeren door de modebladen kan mij inspireren (wat zijn de ‘must haves’ voor herfst 2010?), maar ik word ook gedeprimeerd, bijvoorbeeld van een transparante body, opgeleukt met een gerecyclede blikken ketting over een half open kabelbreisel. Fotomodellen met vijftien centimeter hoge pumps sjouwend door de Iraakse woestijn werken op mijn lachspieren. Verontrustend zijn de modellen op de catwalk: sensuele poses, maar koude, onverschillige blikken.
Kunstenares Annie Dickie zei in een interview: ‘Mode is oppervlakkig; aantrekkelijk en kunstmatig tegelijk. Ik hou van mode en blader met plezier door de modebladen, maar tegelijkertijd geeft het me een leeg gevoel. Deze dubbelzinnigheid begint al met het kopen van het tijdschrift.’
Ook de postmoderne filosoof Gilles Lipovetsky schrijft dat mode je vrolijk kan maken, maar net zo goed depressief en angstig. In zijn boek The Empire of Fashion: Dressing Modern Democracy (1987) beargumenteert Lipovetsky dat de huidige waardering van oppervlakkigheid en uiterlijk een algemeen belang dient. De massaproductie van modeartikelen maakt het consumenten mogelijk complexe individuen te worden van een democratische, snel veranderende samenleving. Zoals hij schrijft: ‘Mode socialiseert menselijke wezens om te veranderen en bereidt hen voor op eeuwige recycling.’ Oppervlakkigheid is goed voor de tolerantie tussen groepen in de samenleving: hoe minder ze van elkaar weten en voelen, des te beter kunnen ze met elkaar opschieten. Tegelijk stelt Lipovetsky dat het onbehagen in de huidige samenleving het gevolg is van verlies van betrokkenheid en een tekort in de onderlinge communicatie. En ook dat weerspiegelt zich in de mode.

VOLGENS HOOGLERAAR José Teunissen, lector modevormgeving bij ArtEZ in Arnhem en visiting professor van de University of the Arts in Londen, is het hebben van smaak – weten hoe je te kleden – een vitaal element van onze moderne visuele cultuur. Hierin zijn klasse en status niet meer per definitie aan afkomst gebonden, maar worden steeds opnieuw gedefinieerd in het almaar wisselende en zich wijzigende tekensysteem van de mode. Dat maakt mode zo interessant. In tegenstelling tot vroeger, waar mode slechts voor weinigen was weggelegd en je klasse bepaalde wat je droeg, kunnen rijk en arm voor de mode kiezen die hun aanspreekt.
Die vrijheid maakt het er niet eenvoudiger op. Teunissen verwijst naar Georg Simmel, die in 1904 zijn modetheorie formuleerde en stelde dat een individu bij het kleden altijd schippert tussen het behoren tot een groep en de behoefte zich als individu te onderscheiden. Hij zag de dynamische wisselwerking tussen individualiteit en conformiteit als kerndynamiek in de mode. Mode is tegelijk spiegel van de ziel, visitekaartje en lidmaatschapsbewijs van een groep. Zo beschreef Alison Lurie in haar Language of Clothes (1982) het beeld van de vrouw die zo veel tegelijk wil uitdragen dat geen van haar kleren daaraan kan voldoen. Dit resulteert in de klassieke ‘bad clothing day’: ‘Ik heb niets om aan te trekken!’
John C. Flügel zag in zijn Psychology of Clothes (1950) het menselijk kleden zelfs als een neurotisch symptoom: ‘Onze houding naar kleding is ab initio “ambivalent”; wij pogen twee tegenstrijdige neigingen te bevredigen in de kleding (…) en vanuit deze visie lijkt het gebruik van kleding in psychologisch opzicht te gelijken op het proces waarin een neurotisch symptoom wordt ontwikkeld.’ Kleding gaat volgens Flügel gepaard met sterke gevoelens: het is geen toeval dat een van onze grootste nachtmerries is ons ontkleed in een openbare ruimte te bevinden.
Als kleren een spiegel van de ziel zijn, dan reflecteren ze misschien niet in de eerste plaats maatschappelijk maar persoonlijk onbehagen. Of persoonlijk welbehagen. Als patiënten depressief zijn, weet ik uit ervaring, is het lastig voor hen aandacht te besteden aan hun uiterlijk, ook aan kleding. Zo vertelde een vriendin mij dat zij na het overlijden van haar echtgenoot een tijd niet meer in staat was op hakken te lopen. Sophie Woodward concludeert in haar boek Why Women Wear What They Wear (2007) niet voor niets dat vrouwen niet dragen wat de mode voorschrijft, maar hun kleding kiezen op basis van wat goed voelt in de intieme confrontatie met de spiegel. Hierbij zoeken vrouwen een balans tussen ‘wat ben ik’ en ‘wat wil ik laten zien’, tussen hun ‘zelf’ en de wereld.
Willen de dragers van de doodshoofdtruien van McQueen, de gothic meisjes en de jongens met afgezakte broeken uitdragen dat ze somber zijn? Dat is toch te simpel, want kleding is meer dan het al dan niet bewust uitdrukken van gevoelens. Met je kleding verhoud je je ook tot de wereld. En je tegelijkertijd ergens tegen afzetten en toch ergens bij willen horen – denk aan punk, aan gothic, aan grunge – kan ook een politiek of ideologisch statement zijn. Denk ook aan een hedendaagse dandy als Sebastian Horsley (in juni 2010 aan een overdosis heroïne overleden) die in zijn boeken de relatie legde tussen kleedgedrag en je eigen houding en positie in de maatschappij. In zijn geval: outsider zijn.
Welbeschouwd heeft de trend om afgezakte broeken te dragen, met daarboven de rand van de onderbroek, ook meer te maken met een maatschappelijk statement dan met persoonlijke depressiviteit. Zeker als je weet dat de trend waarschijnlijk is ontstaan in gevangenissen, waar de gevangenen geen riem mogen dragen om te voorkomen dat zij zichzelf ophangen of medegevangenen afranselen. Als ze weer vrijkomen, laten ze zonder riem zien dat ze in de bajes hebben gezeten, want dat is stoer en cool. In de jaren tachtig waren de eerste afgezakte broeken in videoclips van gangsterrappers te zien. Daarna sloeg de trend over op skaters en middelbare scholieren.
‘De eerste keer dat ik het modeverschijnsel zag, had ik er een hekel aan’, zei de advocaat van een puber die hij in 2009 verdedigde in een beroemde rechtszaak omdat de puber een plaatselijk verbod op bumster pants overtrad. Om daaraan toe te voegen: ‘En toen realiseerde ik me dat ik oud aan het worden ben.’

ER IS WEL een ander onmiskenbaar verband tussen mode en depressieve stemmingen. Professor Karen Pine van de University of Hertfordshire ondervroeg voor haar boek Sheconomics (2009) 443 vrouwen van achttien tot vijftig jaar over hun uitgaven. Bijna tweederde van de vrouwen gaf toe dat zij tijdens de menstruatie impulsaankopen doen en regelmatig meer geld uitgeven dan ze eigenlijk zouden willen. Ook vrouwen die ernstig last hebben van het Pre Menstrueel Syndroom (PMS) kunnen zich depressief voelen en gaan shoppen om zichzelf te troosten. De aankopen die vrouwen dan meestal doen zijn sieraden, make-up en schoenen met hoge hakken. Als belangrijkste redenen geven vrouwen aan dat ze dat doen omdat ze zich down voelen of depressief, zichzelf willen opvrolijken, er goed uit willen zien, zich gelukkig willen voelen of indruk willen maken op anderen.
Winkelen als vorm van zelftherapie. Door te shoppen ‘liften’ vrouwen hun negatieve stemming naar een positieve stemming, zoals zelfwaardering. Vandaar waarschijnlijk het succes van de wereldberoemde slogan van L’Oréal: Because I’m worth it (‘Omdat ik het waard ben’). Niet voor niets werd de slogan later uitgebreid tot ‘Omdat jij het waard bent’ en, onlangs, tot ‘Omdat wij het waard zijn’.
Voor wat het waard is: mode verjaagt de depressie eerder dan dat ze daar een spiegel van is.

Dr. Mecheline H.M. van der Linden is als klinisch psycholoog werkzaam aan het VU Medisch Centrum Amsterdam