Shouting like a woman

Niet al te lang geleden lag mijn moeder in een ziekenhuisbed met erg fleurige dekens, in een zeer grauwe kamer met uitzicht op de Boelelaan, toen ze zei dat er een refrein was dat almaar door haar hoofd speelde. Het luidde: ‘I’ve been loving you too long/ I don’t want to stop now.’ Een paar weken later overleed ze, en nu vraag ik me soms af: waar die liefde precies naartoe is.

Er is een ander liedje, waarin iemand zingt: ‘De liefde is alles/ wat resteert.’ Dat heb ik dagenlang geloofd, kijkend naar een telefoon vol steunbetuigingen, van mensen die er altijd al waren of juist plots waren teruggekeerd. Zoals iedereen weet houden die berichten op een zeker moment op. Dan breekt het heelal weer open, en met het heelal die verschrikkelijke vraag – of ze het eigenlijk wel menen.

Omdat ik het antwoord voor wilde zijn, heb ik maar gewoon niemand terug ge-sms’t. In plaats daarvan ben ik teruggekeerd tot de orde van de dag, die in mijn geval bestaat uit het doen van de afwas. Sinds een aantal maanden ben ik namelijk afwasser in een matig lopend eetcafé. Vandaar dat er zo nu en dan ook heel weinig borden zijn om schoon te maken, en er des te meer tijd overblijft om de diepte in te gaan met het overige keukenpersoneel.

Misschien heeft het te maken met de ligging van onze keuken – een paar meter onder straatniveau, we hebben enkel zicht op de schoenen van onze clientèle –, maar die diepte wordt iedere werkdag vrij moeiteloos bereikt. Zo heeft de assistent-kok het met regelmaat over zijn nachtmerries, waarin hij keer op keer ziet hoe al-Qaeda zijn vader afvoert. Of vertelt de chef over haar liefde voor koken, voortgekomen uit de heimelijke wens om haar zus te vergiftigen.

De opmerking dat mijn moeder was gestorven werd dan ook met een redelijke vanzelfsprekendheid onthaald. Walid, de assistent-kok, stopte even met het snijden van zijn courgettes en zei toen: ‘Big loss, huh?’ Waarna ik de aanwijzing kreeg om de afzuigkap schoon te maken. Toen ik daarmee klaar was kwam mijn chef binnen, die me eerst een hele tijd vasthield en me tenslotte toefluisterde: ‘Mijn moeder is ook dood.’

In de dagen daarop is mij vrijwel nooit gevraagd hoe het ging, maar begon ik tussen het afschrobben van saté-borden door toch adviezen te krijgen. Om het oude parfum van mijn moeder een paar uur voor het slapen gaan over het kussen van mijn vader te spuiten, bijvoorbeeld, zodat hij rustiger doorslaapt. Walid, die nog steeds in de veronderstelling verkeert dat ik een jongen van een jaar of zeventien ben, gaf heel andere raad. Hij zei: ‘When you’re here, you have to act happy. But when you’re home, you can shout – like a woman. I do it too sometimes.’

Eenmaal thuis heb ik nauwelijks geschreeuwd, noch gehuild, als een vrouw. Mijn vermoeden is dat verdriet groottes kent, en je bij een zekere grootte alleen nog maar naar de oppervlakte verlangt. Aan die oppervlakte tref je heel weinig aan: geen verdriet, geen liefde, hooguit woede. Het is een bijzonder kaal landschap eigenlijk, van waaruit het de vraag is wanneer er ooit weer iets zal groeien.

Op een avond vertelde mijn chef me hoe haar moeder was overleden: zomaar, in haar slaap. Mijn moeder stierf minder plotseling, na een lang ziekbed namelijk, maar gevoelsmatig toch ook zomaar. En uiteindelijk zal iedereen wel zomaar sterven, om de eenvoudige reden dat leven en liefhebben niet synchroon lopen. Het eerste houdt op, terwijl het liefhebben nog wat rond blijft dwazen: vergeten alleen, waarheen.