Showman

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn papieren kroniek kan bespreken. Deze week: Commando’s.

Donald Jones © Edwin Janssen

Het dramaseizoen opende eind augustus met de tiendelige serie Commando’s (AVROTROS). Wat vreselijk toch dat mensen van vooroordelen aan elkaar hangen. Neem mij nou: ik wist zeker dat zo'n thriller mijn kop thee niet zou zijn. Het genre niet (wat op zichzelf al onzin is want in elk genre worden meesterwerken gemaakt); en de arena van ‘elitemilitairen’ niet.

Nou is Commando’s geen meesterwerk, maar goed gemaakt is het wel. Ik blijf moeite houden met ‘Nigeriaanse meisjes in de greep van Boko Haram’ als element in drama dat bedoeld is ter spannende verstrooiing, en ik zag nog maar twee afleveringen, maar dat hier veel talent en vakkunde in schuilen en dat het het zoveelste bewijs van vaderlandse dramakunde is, dat lijkt me duidelijk. Een van de kwaliteiten ervan schuilt in hoofdrolspeler Werner Kolf, voorheen acteur bij het Nationaal Theater waar hij onder meer Othello speelde. Want ja, hij is donker (om met Astrid Sy, presentator van Andere Tijden te spreken); of zwart (om met Gerda Havertong, in gesprek met Sy over Donald Jones) te spreken. (‘Meisje!’ zegt Havertong licht bestraffend over ‘donker’.) Meteen begeef ik me op hellend vlak, want Kolf is acteur, tout court. En de ‘John’ die hij speelt is een gewezen commando wiens kleur er, in wat ik zag, niet toe doet. Is het dan soms bijzonder dat een zwarte acteur goed is? Godbewaarme nee – van Sidney Poitier tot Chadwick Boseman, van Romana Vrede en Joy Delima tot Issaka Sawadogo: hele lijsten. Wel is het zo dat niet veel zwarte acteurs, buiten kleurgebonden rollen, de kans krijgen te laten zien hoe goed ze zijn. Al is dat enigszins aan het veranderen, zowel elders (in de VS bij voorbeeld) als hier.

Maar door de uitstekende Werner Kolf, die dus gekleurd/zwart is, ging ik wel nog even die Andere Tijden over Donald Jones inhalen – zijn eerste voorganger. Hoe was diens positie ook weer? Of liever: hoe ziet Andere Tijden die? Vraag je het mij dan betekende Donald voor het beeld van zwarte mensen wat Albert Mol voor homoseksuelen betekende: een troetelvertegenwoordiger waar hele witte heterovolksstammen dol op waren. Die ze het liefst in een doosje wilden doen en bewaren… (Annie Schmidt) ook als ze geheel niet zaten met het woord ‘flikker’ (net als Ali B) of bang waren ‘voor de neger in hun dochter’ (sorry, ik citeer Neerlands Hoop 1978). En zonder dat het veel veranderde aan hun negatieve associaties met of oordelen over de groep waartoe Albert resp. Donald behoorden.

Andere Tijden werkte toe naar een beoordeling van Jones in ‘de kwestie van kleur’. Oftewel: was hij roldoorbrekend of rolbevestigend? Dat is een actuele vraag, ook in de zin dat hij pakweg twintig jaar geleden zelfs niet gesteld zou zijn, of in elk geval anders beantwoord. En hoewel musicus Han de Vries, lang geleden met Jones bevriend en schaakmaat in het café, geroerd zegt dat ‘zoveel Nederlanders van hem hielden en juist niet “als zwart cliché"’, echoot toch het oordeel van Gerda Havertong het luidst na: stereotiep, stigmatiserend en ‘bejubeld door superieur Nederland’. Dat werd destijds door kleine groepen al gevonden en je begrijpt goed waarom als je fragmenten ziet waarin hij wel erg voldoet aan de verwachtingen die genoemde volksstammen hadden over een zwarte, altijd vrolijk lachende, soepel dansende, niet al te snuggere, met zijn ogen draaiende man. Kinder- en stripboeken, Amerikaanse komische speelfilms lagen eraan ten grondslag. In een reclame die Donald deed voor een chocoladekoekje gaat dat ver.

Maar hoe waar die kritiek ook mag zijn, er is meer tussen paradijs of hel waar hij in dat nuanceloos christelijk beeld zou moeten belanden. Zijn succes berustte allereerst op een groot danstalent. Acteren kon hij ook en Havertong betreurt dat hij dat vooral in de komische hoek van de revue deed en het nooit in serieuze rollen heeft kunnen, mogen laten zien. Charisma: volop. En een uiterlijk en motoriek die menig dames- en herenhart sneller deed kloppen. Hij was met een Amerikaans gezelschap naar Europa gekomen en bleef hier. Waarom? Hoe was je jeugd in New York, wordt hem gevraagd. Leuk. Nou ja, je was wel eens ongelukkig als je een ijsje wilde maar dat niet kreeg.

Kom op Donald, dat is niet wat wij willen horen. Maar lang, heel lang, te lang, ontweek hij elke hint naar racisme en discriminatie in het land van herkomst. Dat mensen hier soms probeerden of zijn huid niet afgaf of zomaar een hand op zijn hoofd legden om kroeshaar te voelen, dat was niet echt leuk, maar hij lachte er wel om als hij het vertelde. Zoals hij om veel, zo niet alles lachte. En waarschijnlijk veel weglachte. Dat mensen zich zo schaamteloos gedroegen kwam ook door de rollen die hij speelde in theater en op tv. En door de rol die hij überhaupt speelde. Aaibaar, letterlijk en figuurlijk. Diezelfde mensen lieten het wel uit hun hoofd huid of haar van andere zwarte mensen te bevingeren. Behalve misschien bij kinderen. En was Donald niet eigenlijk een kind? De zwarte mens als kinderlijk kwam al te vaak voor in boek, toneelstuk, film of tv.

Zijn doorbraak bij het grote publiek kwam als werkstudent ‘Dinky’ in Pension Hommeles. Kijk naar dat doosjes-liefdesliedje, dat uiteraard centraal staat in AT, en smelt. Of werkt dat alleen bij ons bejaarden, voor wie het werelden oproept? Joop van den Ende smelt. En kunstpausin Anna Tilroe, smelt. Maar ja, die was ook een tijdje met Donald. Astrid Sy kijkt stralend naar Anna in afwachting van dat smelten. Maar Astrid zelf, beduidend jonger, smelt zelf ook. Gewoon twee schoolmeisjes over de leukste (en lekkerste) jongen van de klas. Ik zie veel beter dan destijds (1957-58) hoe goed hij dit doet – het zingen, acteren, de werkzaamheid van zijn accent. En hoe goed Annie MG is, maar dat wisten we al. Mag ik dat accent wel een kwaliteit vinden? En is de naam ‘Dinky’ niet dubieus? Waren we, product van die tijd, niet vergaand naïef?

Het kan niet anders: zo lief en aardig als Dinky was Donald niet jegens zijn revue-collega’s: je had mazzel als-ie je gedag zei. En zie, ideologisch, een scène waarin hij als half-blote ‘indiaan’ een gillende witte dame achterna zit om haar dan toch tot een wild dansje te verleiden – ‘dit is niet zo fijn om naar te kijken’ is het commentaar van de deskundigen. Nee, het is shocking en daar was een legertje witte mensen in eerste instantie voor verantwoordelijk. Maar Donald ook. Sonja Barend roept hem ter verantwoording (overigens in ‘andere tijden’ dan die van Hommeles: het straatbeeld was door migratie ingrijpend veranderd). Of hij altijd ja zei als ze ‘een lekkere swingkont’ nodig hebben. ‘Ik ben een showman, vind dit leuk. Ik denk niet in kleur.’ Hoewel, toch wel een beetje. Volgens Donald opende Richard Pryor de deur naar zelfspot die joden al lang waren doorgegaan. ‘Die moet een neger ook hebben. Onze goede dingen prijzen, om de stomme lachen.’ Enfin, kijk zelf: echt de moeite waard. En zie, helaas, dat het mensbeeld van altijd lachende Donald steeds somberder werd en hij zelf steeds eenzamer.

Epiloog: ik beweerde dat Jones de eerste voorganger van Werner Kolf was. Wetend dat dat niet zo was, maar ik wilde AT nog niet tegenspreken. De eerste was Otto Sterman (1913-1997). Fietskoerier op zijn veertiende, later gymnastiekleraar, sportinstructeur, fysiotherapeut en door stom toeval ook bij het toneel beland. Acteur, later verhalenverteller, ook op de televisie. Ik leerde hem kennen in honkbalclub ABC. Otto was vroeger ook bokser geweest (Amsterdams kampioen halfzwaargewicht in 1931), en voetballer. We speelden kort in één team op B-niveau (ik in de twintig, hij al in de vijftig) en het weinige publiek keek zijn ogen uit want ja, hij was bekend en zwart en vooral acteur, ook als honkloper. Men vond dat leuk (ik niet zo), een beetje zoals men Donald Jones leuk vond. Verder een leuke, intelligente man wat in sportkleedkamers lang niet vanzelfsprekend is.

Otto speelde trouwens ook Othello, maar tot zijn spijt niet op de Nederlandse planken met de tekst van Shakespeare, maar in een Duitse dansvoorstelling. Ik citeer uit een korte biografie op de site Hoorspelen.eu. De oorlog en zijn ervaringen met de zwarte bevrijders maakten Sterman ervan bewust dat zijn toneelrollen vaak discriminerend waren. Aan zijn groeiende bewustzijn van discriminatie gaf hij gehoor door als voordrachtskunstenaar tegen kolonialisme en racisme in Nederland te strijden. Vanaf 1952 trok hij het land in met soloprogramma’s waarin zijn afkomst en donkere huidskleur een belangrijke plek innamen. Hij gaf zijn programma’s titels als: Ik ben een neger, De neger speelt en Alleen voor blanken. Een andere keus dan die van Donald dus. En als je het mij vraagt: een mooi onderwerp voor nog een Andere Tijden. Al weet ik niet of van hem veel beeldmateriaal te vinden is en of er nog voldoende getuigen geïnterviewd kunnen worden.


Iván López Núnez, Hanro Smitsman (regie); Oscar van Woensel, Mischa Alexander, Jochum ten Haaf, Michiel van Jaarsveld, Willem Bosch, Vincent van Zelm, Bastiaan Kroeger, Pollo de Pimentel (scenario), Commando’s, AVROTROS, tien delen vanaf zondag 30 augustus, NPO 3, 20.25 uur.

Andere Tijden over Donald Jones: https://www.npostart.nl/andere-tijden/02-09-2020/VPWON_1322493
Een uitgebreide tekst over Otto Sterman is te vinden in Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980, van Rosemarie Buikema en Maaike Meijer. Voor het deel over Sterman: https://www.dbnl.org/tekst/meij017cult01_01/meij017cult01_01_0015.php Ik gebruikte die tekst voor bovenstaande.