Shrinivási, 12 december 1926 – 26 januari 2019

In Nederland was hij amper bekend, maar de Surinaamse dichter Shrinivási schreef wel enkele van de allermooiste gedichten in het Nederlands.

Toen realiseerde hij zichdat de riviertoch maar een oever hadwaarop hij stonden naar de verte keekwaarin een beelduit vroegere dagenlangzaam maar zekerwas opgelostzodat er toekomstnoch verleden wasverlangen nieten eindelijk geen verdriet

In de nacht van 25 op 26 januari overleed de Surinaamse dichter Shrinivási, 92 jaar oud. Martinus Haridat Lutchman, zoals hij voor de burgerlijke stand heette, gaf de geest op het eiland waar hij in 1952 zijn debuut had gemaakt: Curaçao. Hij bracht er de laatste jaren van zijn leven door, maar had er ook al eerder gewoond, net als in Nederland. Misschien dat hij daarom ook zo nadrukkelijk in zijn gedicht ‘Suriname’ bevestigde: ‘Dit land/ heb ik gekozen’. Maar waarom zou je voor een land moeten kiezen als je daar gewoon thuis hoort? Het gedicht zegt veel over de politieke strubbelingen van een land dat in de jaren zeventig hele stromen mensen zag wegtrekken. ‘Suriname’ was in de jaren van de militaire dictatuur elke avond op de Surinaamse televisie te horen, maar het is de vraag of de dichter er wel zo blij mee was dat zijn poëzie gebruikt werd als vlag op de modderschuit van het legergroene nationalisme.

Shrinivási had zijn plaats veroverd in de roemruchte generatie van Surinaamse dichters vóór de onafhankelijkheid. Met de dichter die enkele weken eerder stierf, Michaël Slory, vormde hij een bijna symbiotische tweeling – zij het wel met een ander genoom. Beiden schreven politiek-geëngageerde verzen naast pure lyriek, beiden waren obsessioneel bezig met het woord, beiden waren nationalist maar met een kosmopolitische blik. Kreeg de een de Staatsprijs voor Literatuur dan kon je er vergif op innemen dat de ander daarna aan de beurt was, en werd de een benoemd in de Ere-Orde van de Palm dan volgde de ander spoedig. En nog een overeenkomst: beiden stonden midden in de samenleving, maar tegelijkertijd ook altijd weer nét erbuiten.

Hij vond de absolute zuiverheid in de taal van het kind

Shrinivási was een Hindostaan maar werd katholiek opgevoed. Hij bleef altijd een districtsjongen die ‘met koemest aan de hielen de drempel van de Stad overschreed’. Hij schreef het allereerste gedicht ooit in het Sarnami, de taal van de Surinaamse Hindostanen: het prachtig-intrigerende ‘Buláhat/De roep in de nacht’, maar het leverde hem toch weinig eer op. Het besef dat het Sarnami een taal was en geen dialect van het Hindi, was in de jaren zestig nog maar tot weinigen doorgedrongen en dringt bij het sterk op India georiënteerde deel van de Hindostanen nog steeds moeilijk door. En bovendien: Shrinivási’s belangrijkste schrijftaal bleef toch het Nederlands, al lees je dat aan de titels van zijn bundels niet altijd af: Anjali (1963), Pratikshá (1969), Sangam (1991), het zijn Hindi-woorden die verwijzen naar verwachting en ontmoeting.

Shrinivási riep in zijn poëzie de mens op die in het heterogene het verbindende zoekt, een harmonie toegespitst op het samengaan van al het cultureel-religieuze. Hij zou alleen al onsterfelijk zijn geworden met die ene, door geen enkele andere Nederlandstalige Caribische dichter ooit geëvenaarde bundel Om de zon (1972), 125 pagina’s pure liefdeslyriek die schittert tegen het diabaas van doodsbenauwing en existentieel verdriet. Maar hij kon soms ook scherp zijn als een scheermes, bijvoorbeeld in de sombere bundel Dilákár (‘Teken van het hart’, 1970), waarin de dichter zich met kracht teweerstelt tegen al het valse en het onzuivere dat hij op zijn weg aantreft. Shrinivási streefde ernaar even verstaanbaar te zijn als zijn heldere, verzorgde handschrift. In zijn allerbeste gedichten bereikte hij die soberheid en toch verbaas je je telkens weer over alle betekenislagen die hij weet op te roepen. Net als Michaël Slory vond hij de absolute zuiverheid in de taal van het kind en de ontmoeting met het kind.

Even leek juist hierover een akelige sluier te komen hangen, toen er geruchten in de wereld kwamen dat Shrinivási zich aan een kind vergrepen zou hebben. Op dat moment zat ik samen met regisseur Ram Soekhoe midden in de opnames van de film Verlangen niet en eindelijk geen verdriet. Wij konden het geruis niet negeren en besloten hem de directe vraag voor te leggen wat zijn betrekkingen tot kinderen waren. Zonder enige aarzeling antwoordde hij: ‘Kijk naar de kinderen en je ervaart ze telkens weer in alle zuiverheid. Zij geven de dingen weer, zeggen ze in hun volheid. Zij vormen een spiegel waarin wij onszelf zien. Zoals wij waren, zoals wij niet meer zijn. Zoals wij terugverlangen te zijn. Dit heimwee in ons naar het verloren paradijs van ongeschondenheid inspireert ons bij de aanraking van het kind.’ Als iemand die zelf als kind jarenlang in aanraking is gekomen met een pedofiel en de vuigheid daarvan al van afstand ruikt, is het voor mij glashelder dat Shrinivási zich met deze woorden buiten elke verdenking plaatste.

In 1984 stelde Geert Koefoed voor In de Knipscheer de ruime bloemlezing Een weinig van het andere samen. Pas in 2013 volgde bij dezelfde uitgeverij de bundel Hecht en Sterk, waarin Shrinivási terugkeert naar zijn jeugdjaren en zijn ouders toespreekt: ‘ik ben weer het kind aan uw zij/ ik woon weer op de plantage’. Hij staat niet in de grote bloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer: wat een kardinale misser.