Freud en de nieuwe afgodsbeelden

Shrinking Idols

Sigmund Freud zou gefascineerd zijn geweest door Big Brother en De gouden kooi. In 1927 schreef hij: ‘De massa’s zijn lui en verstoken van inzicht.’ Nu iedereen ook nog eens zijn eigen film en mening op internet kwijt kan, raken de algemeen gedeelde normen wel érg ver achterop.

VOLGENS FREUD diende religie als voertuig om mensen aan te sporen tot beheersing van hun driften en zo het bestaan van een cultuur mogelijk te maken. In zijn essay De toekomst van een illusie (1927) voert Freud een denkbeeldige opponent ten tonele. Die waarschuwt Freud voor het gevaar van het relativeren van het geloof: ‘De religieuze doctrines vormen geen onderwerp waarover men kan haarkloven als over willekeurig welk ander onderwerp. Onze cultuur is erop gegrondvest, de instandhouding van de menselijke samenleving vooronderstelt dat de mensen in meerderheid aan de waarheid van deze doctrines geloven. Als men hun leert dat er geen almachtige en algerechtigde God bestaat, geen goddelijke wereldorde en geen toekomstig leven, zullen zij zich van iedere verplichting tot naleving van de culturele voorschriften ontslagen achten. Eenieder zal ongeremd, zonder angst aan zijn asociale, egoïstische driften gehoor geven en trachten zijn macht in daden om te zetten, de door ons in de cultuurarbeid van vele millennia uitgebannen chaos zal opnieuw beginnen.’
In 1927 was de Britse psychiater Theodore Dalrymple nog niet eens geboren. Toch lijkt het wel of Freud diens betoog alvast heeft weergegeven. Dalrymple meent dat de libertaire verworvenheden uit de jaren zestig van de twintigste eeuw desastreus hebben uitgepakt voor de onderklasse. Waren keuzevrijheid en hedonisme een zegen voor de jonge intellectuelen die in de jaren zestig de traditionele cultuur van vele ver- en geboden ontdeden, de overname van die persoonlijke emancipatie en goddeloosheid door minder geletterden zou hebben geleid tot verpaupering door ongeremd drugs- en alcoholgebruik en een uitzichtloos bestaan. Die troosteloze existentie wordt bovendien gefaciliteerd door een welzijnsstaat, die het uitkeringsjunkies mogelijk maakt zich blijvend te onttrekken aan de disciplinerende zegeningen van arbeid en regelmaat. Dalrymple komt dan ook op de proppen met een conservatief appèl, dat ook herstel van christelijke normen en waarden omvat.
Dat gaat nu niet meer lukken, lijkt me, en volgens Freud zou het zelfs in 1927 al weinig kans hebben gemaakt. Op dat moment leek het volgens sommigen nog mogelijk om de onderklasse onwetend te laten van de onhoudbaarheid van christelijke dogma’s in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten, maar volgens Freud zouden ze daar heus toch wel achter komen.
Ruim tachtig jaar na publicatie van De toekomst van een illusie is het onderscheid maken tussen onwetende massa en ontwikkelde mens een groter taboe dan het vergelijken van religie met een waandenkbeeld. Alle mensen zijn gelijkwaardig, is een nieuw axioma, waar overigens Dalrymple, met enig succes, weer aan morrelt. Ook al lijkt de religie een kleine comeback te maken, terugkeer naar de onwetende overgave aan religieuze disciplinering van weleer lijkt in West-Europa althans weinig kans meer te maken. Toch hebben de Nederlandse zuilen het nog een jaar of veertig geprobeerd. In 1927 was de radio net begonnen in Nederland, en riepen de levensbeschouwelijke organisaties die de ether bestierden hun leden op vooral niet naar uitzendingen van andersgezinden te luisteren, omdat die gevaarlijke ideeën verspreidden. Toen dat in de jaren zestig, met de komst van Tros en Radio Veronica, een verloren zaak was geworden, resteerde slechts de andere door Freud geopperde optie: grondig herzien van de relatie tussen cultuur en religie.

NU WAS DIE HERZIENING van het godsbeeld eigenlijk al begonnen in 1895, met de uitvinding van de filmkunst. Wat Plato tweeduizend jaar eerder al had voorspeld in zijn Mythe van de Grot – het projecteren van schaduwen die de plaats innemen van de onzichtbare werkelijkheid – werd door Edison en de gebroeders Lumière technisch verwezenlijkt. De twintigste eeuw zou in het teken komen te staan van de massale consumptie van bewegende beelden. Kerken sloten, bioscopen rezen als paddenstoelen uit de grond. Het kost weinig moeite om de analogie op te sporen tussen de Gouden Eeuw van het bioscoopbedrijf, laten we zeggen tussen 1915 en 1965, en de christelijke santenkraam. De nieuwe heiligen werden ‘sterren’ genoemd, die niet werden vereerd via bidprentjes maar middels kauwgomplaatjes. Het zal geen toeval zijn dat de grootste dwepers onder de aanbidders van zowel heiligen als sterren gevonden worden onder meisjes en jonge vrouwen, op zoek naar een identiteit. Het sociale leven verplaatste zich allengs van een extatische ervaring op zondagochtend in de kerk naar een vergelijkbaar sacraal evenement op zaterdagavond in de bioscoop. Ook daar kon de jeugd op de achterste bankjes ongestoord van zijn verloving genieten.
Hollywood mocht dan voor het grootste deel door joodse ondernemers worden geleid, bijbelse spektakels, ook gebaseerd op het Nieuwe Testament, vormden een belangrijk en succesvol onderdeel van het bioscoopproduct. Over metafysische aspecten van genres als de western en de thriller is veel gespeculeerd door filmcritici. Zelf kan ik me bij het hiernamaals alleen een musical met Fred Astaire en Ginger Rogers voorstellen, dansend tot in de eeuwigheid: ‘Heaven, I’m in heaven!’
Maar ook de nieuwe afgodsbeelden zouden aan krimp onderhevig blijken. In Nederland begon de opmars van de televisie als massamedium in het begin van de jaren zestig. In die dagen voerde de conservatieve pers een succesvolle hetze tegen een item in het satirische Vara-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer. Het programmaonderdeel heette ‘Beeldreligie’ en bestond uit een monoloog door Peter Lohr, destijds directeur van de Haarlemse schouwburg. Tegen de achtergrond van foto’s van televisieantennes op daken verklaarde Lohr met gedragen stem dat het Kruis overal was, en dat de mensheid massaal een nieuw Beeld aanbad. Lohr en andere medewerkers aan het programma werden veelvuldig bedreigd door anonieme Nederlanders, die bij de godslasteraars onder meer drollen door de brievenbus duwden.
Maar ook in dit geval zouden de blasfemisten profeten blijken te zijn van een herdefiniëring van de relatie tussen cultuur en religie. De bioscoopexploitanten probeerden het succes van de televisie te pareren met nog groter en indringender beelden: Cinemascope, Cinerama, 3D. Het hielp even, maar de televisie zou al snel een veelvoud aan kijkers trekken in vergelijking tot de bioscoop. Ook de televisie creëerde sterren en idolen, zij het op kleinere schaal. Rudi Carrell was geen Danny Kaye, Mies Bouwman geen Doris Day.
Televisiebeelden zijn niet alleen kleiner dan filmbeelden, er wordt ook op een andere manier naar gekeken: minder geconcentreerd, meer relativerend. Televisie moet dichter bij de werkelijkheid staan dan film en dus is de behoefte aan bewondering en verwondering ook kleiner. Die ontwikkeling werd dramatisch zichtbaar in de tweede helft van de jaren negentig, toen nieuwe televisieformats buitengewoon succesvol bleken: de soapserie, de moderne talentenjacht en de reality show. Juist de voor bewondering en identificatie zo vatbare adolescent ging liever kijken naar personages die op hemzelf leken en in menig opzicht ‘kleiner’ waren dan hijzelf. Soaps gaan over jongeren die misschien net iets ouder zijn dan de kijker, maar vooral in herkenbare, alledaagse problemen terechtkomen. Sommige van die personages dienen ‘stom’ te zijn, foute beslissingen te nemen en daarvoor te worden gestraft. Op die manier kan de kijker zich eerder superieur voelen dan dat hij een voorbeeld aan ze neemt. Bewondering geldt slechts de soapacteur, omdat die met zijn beperkte acteertalent de sterstatus in principe voor iedere kijker bereikbaar maakt.
Een vergelijkbaar proces doet zich voor bij de talentenjachten, waarvan Idols (what’s in a name?) de grondvorm uitmaakt. In de eerste fase van elke reeks wordt een jury geconfronteerd met een parade van stoethaspels, die nog geen noot zuiver kunnen zingen. Het cynisch afserveren van de ongelukkige kandidaten zonder inzicht in hun eigen capaciteiten voedt de ego’s van de kijkers, die nooit zo stom zouden zijn. In de latere fasen van de strijd wordt wel naar excellentie gestreefd, maar de door zijn sms-stemrecht almachtige kijker zal nooit een winnaar aanwijzen die niet een beetje op hemzelf lijkt, een boy of girl next door.
De culminatie van de democratisering van het sterrendom werd bereikt in 1997 met de creatie van Big Brother, een Nederlands product dat de wereld zou veroveren. Postuleerde Andy Warhol, wiens zeefdrukken van beroemdheden zichtbaar waren geïnspireerd door de iconen uit de kerk van zijn Slowaakse voorouders, in de jaren zestig nog dat ieder mens recht had op zijn ‘fifteen minutes of fame’, de reality show van het type Big Brother rekt dat kwartier op tot vele maanden. Een gezelschap mensen zonder noemenswaardige talenten of kwaliteiten wordt lange tijd opgesloten in een huis dat volgehangen is met camera’s. Het meest extreme voorbeeld was de variant die De gouden kooi heette en waarin het door Dalrymple en Freud beschreven normloze gedrag kunstmatig werd aangescherpt en uitvergroot. De kijker heeft het laatste woord: niet alleen doordat de kijkcijfers het succes uitmaken van een dergelijk programma, maar ook door het recht onwelgevallige deelnemers (vaak zijn dat de ‘braafste’ bewoners) weg te stemmen.
Veel beschouwers van programma’s als Big Brother en De gouden kooi lieten zich verleiden tot een moralistisch oordeel over de exploitatie van de laagste menselijke driften. Ik vermoed dat Sigmund Freud, als hij deze ontwikkeling had kunnen meemaken, er alleen maar door gefascineerd zou zijn, al was het maar omdat hij er een illustratie in zou zien van zijn eigen theorie. Zo schreef hij in 1927: ‘De massa’s zijn lui en verstoken van inzicht, ze willen niet graag van hun driften afstand doen, zijn niet door argumenten van de onvermijdelijkheid hiervan te overtuigen, en de individuen in de massa stijven elkaar wanneer ze hun teugelloosheid botvieren.’
Maar het einde van de democratisering van het beeld dat tot identificatie dient is nog niet in zicht. Beelden kunnen nog kleiner en toegankelijker worden, via mobiele telefoons en pocketcomputers. Iedereen kan zijn eigen ‘film’ op internet plaatsen, en bijna iedereen doet het. Alle meningen op het web zijn gelijkwaardig, elke stem telt even zwaar. Met het vermogen tot bewonderen en omhoog kijken, neemt echter ook het wederzijdse respect af en wordt het voeren van een debat lastiger, omdat er nauwelijks meer algemeen gedeelde normen zijn.
Een minderheid in de westerse wereld zoekt het antwoord op de hegemonie van de driftbeleving der massa’s in een terugkeer van de koppeling tussen cultuur en religie. Nog minder dan in 1927 zal het mogelijk blijken om de massa’s onwetend te laten van het inzicht dat de mens het met zichzelf moet stellen.
Freud schrijft over de individuen in de massa en hun teugelloosheid een paar zinnen over leiderschap, die zowel aan de vooravond van het nazisme als nu tamelijk zinnig lijken: ‘Alleen door de invloed van voorbeeldige individuen, die zij als hun leiders erkennen, zijn zij te bewegen tot de arbeidsprestaties en ontzeggingen waarop het voortbestaan van de cultuur is aangewezen. Het is allemaal uitstekend indien deze leiders personen zijn met een superieur inzicht in de noden van het leven, personen die het hebben klaargespeeld hun eigen driftleven te beheersen. Maar zij lopen het risico dat zij, om hun invloed niet te verliezen, méér aan de massa toegeven dan de massa aan hen, en daarom lijkt het noodzakelijk dat zij, door over machtsmiddelen te beschikken, van de massa onafhankelijk zijn.’
Een leider die onafhankelijk is van de massa, dat zal niet meevallen in onze tijd van weggedemocratiseerde bewondering en hegemonie voor elk individu.

Dit is een bewerking van de tekst die werd uitgesproken in september als bijdrage aan de Freudlezing van het Nederlands Psychoanalytisch Instituut