Shuffle

Zit er in Elco Brinkmans lijsttrekkerschap voor de Eerste Kamer een element van wraak, op Ruud Lubbers?

WAT BEWEEGT Elco Brinkman om lijsttrekker te worden voor het CDA bij de Eerste-Kamerverkiezingen? Voor macht en invloed hoeft hij het niet te doen. Met zijn huidige functies, waarmee deze kroniek bijna helemaal gevuld zou kunnen worden, heeft hij al veel in de melk te brokkelen, ook al is hij niet meer - zoals in 2006 - de invloedrijkste Nederlander in de Top-200 van de Volkskrant.
Toen de nu 63-jarige Brinkman zich ruim zeventien jaar geleden opmaakte om Ruud Lubbers als CDA-partijleider op te volgen werd er een loopje naar hem vernoemd. Destijds was het immers nog een nieuwigheidje: het spreekgestoelte het spreekgestoelte laten en al lopend over het podium je verhaal doen. Nu kijkt niemand daar meer van op, ook al staan nog steeds veel politici hun tekst, inclusief de vooraf bedachte grappen, op te lezen vanachter een katheder. Maar destijds werd het door Brinkmans toenmalige adviseur, de van RTL Nieuws bekende Frits Wester, geïntroduceerde loopje dus naar de CDA-politicus vernoemd: de Brinkman-shuffle.
Sinds de uitslag van de landelijke verkiezingen in 1994 kun je aan die Brinkman-shuffle ook een heel andere betekenis toekennen. Het CDA leed onder aanvoering van Brinkman een zo grote verkiezingsnederlaag dat in het politieke landschap veel van zijn plaats verschoven werd. Dat de christen-democraten destijds van 54 naar 34 zetels zakten, maakte de weg vrij voor het eerste kabinet sinds ver voor de Tweede Wereldoorlog waarin geen christelijke partij vertegenwoordigd was: het kabinet-Paars I waaraan PVDA, VVD en D66 deelnamen.
Brinkman zal geen goede herinneringen bewaren aan die tijd. Zeker niet omdat hij door zijn voorganger, vertrekkend premier Ruud Lubbers, vlak voor de verkiezingen een dolksteek in de rug kreeg. Toen de kiezers hun stem aan het bepalen waren, liet Lubbers weten dat hij zelf niet op de nummer 1 van zijn partij zou stemmen, maar op de nummer drie, Ernst Hirsch Ballin. Van je vrienden moet je het hebben in de politiek.
Als het Brinkman om een in zetels uitgedrukte revanche te doen is, dan had hij beter op een gunstiger politiek tij kunnen wachten. Want het ziet ernaar uit dat het CDA bij de Provinciale-Statenverkiezingen van 2 maart, en dus bij de indirect daaraan gerelateerde Eerste-Kamerverkiezingen dit voorjaar, een gevoelige nederlaag tegemoet gaat en dat ook daar de zetels van de politieke partijen, net als in 1994 in de Tweede Kamer, flink gereshuffled gaan worden.
CDA'ers zeggen nu al blij te zullen zijn als ze straks in de Eerste Kamer tien of elf zetels halen. Dat is de helft van het huidige aantal zetels in de senaat. De blijdschap zit ’m er dan in dat het CDA na de halvering van het aantal Tweede-Kamerzetels van afgelopen juni kan zeggen dat de neergaande lijn is gestopt en dat de bodem van de put blijkbaar is bereikt. Dat zal dan ook de reactie zijn op de verkiezingsavond. Alles boven de tien of elf zetels zal vervolgens als winst worden uitgelegd. Maar als het er minder dan tien worden, dan kan het CDA toch echt niet om het woord verlies heen. En vooralsnog ziet het daarnaar uit.
Waarom wil Brinkman wederom dat zijn naam boven aan de lijst staat als zijn partij verliest? Om in moeilijke tijden wat terug te doen voor de partij waaraan hij toch veel te danken heeft, zou het diplomatieke antwoord kunnen zijn. Maar er is meer. Brinkman voelt zich waarschijnlijk senang bij dit kabinet.
Toen de Volkskrant hem in 2006 uitriep tot de invloedrijkste Nederlander pleitte Brinkman - onder meer voorzitter van Bouwend Nederland - in een gesprek met de krant voor een zakenkabinet. Zakenlui en ondernemers hebben dat wel vaker: politiek gaat hen te traag en te stroperig, democratie houdt maar op. ‘Zo'n meer bestuurlijk georiënteerd kabinet kan ontspannener naar de Kamer gaan en zaak voor zaak beargumenteren, in plaats van steeds geforceerd de coalitie aanroepen als er even geen meerderheid dreigt.’ Een zakenkabinet zit er op dit moment niet, maar het minderheidskabinet van VVD en CDA doet het wel voorkomen alsof het zaak voor zaak met de Kamer wil beargumenteren. Als Brinkman dat gelooft, dan ziet hij echter over het hoofd dat de afspraken met gedoogpartner PVV over de achttien miljard bezuinigingen net zo klemmend zijn als die tussen partners van een meerderheidskabinet.
Dat het kabinet de regeldruk wil aanpakken, zoals dat in het Haagse jargon heet, zal Brinkman ook toejuichen. Daarmee krijg je - veelal terecht - van elke ondernemer applaus. Maar gaat Brinkman er dan zelf voor zorgen dat een vroegere uitspraak van hem niet bewaarheid wordt? 'Van degenen die hun energie stoppen in het aanpassen van de regels weet je één ding zeker: ze zijn er vier jaar mee bezig en dan is het nog niet geregeld.’
Brinkman zal zich waarschijnlijk ook kunnen vinden in de bezuinigingen op cultuur van het huidige kabinet. In zijn functie als minister van Cultuur, in de jaren tachtig, moest hij ook bezuinigen. Hij pleitte er toen al voor dat de cultuursector zichzelf meer moest financieren en de overheid er minder geld in moest stoppen.
Ook tussen gedoogpartner PVV en Brinkman zijn raakvlakken. Dat PVV-leider Geert Wilders, zichzelf afficherend als de kampioen van het vrije woord, de Vara boycot vanwege een hem onwelgevallige cartoon zal Brinkman kunnen invoelen. In 1985 weigerde hij als minister de P.C. Hooftprijs uit te reiken aan Hugo Brandt Corstius. Hij vond de schrijver en essayist te kwetsend voor bepaalde bevolkingsgroepen. En voor het kabinet.
Misschien zit er in Brinkmans lijsttrekkerschap ook nog een element van wraak. Op Lubbers, de man die dit kabinet dat zo afhankelijk is van de PVV liever niet had gezien, maar het zijns ondanks hielp formeren. Dat kabinet gaat Brinkman nu steunen.