Sibelius-offensief

Over de muzikale hoogtepunten van het komende seizoen valt nu alleen te zeggen dat ze schaars zijn. Eerst het muziektheater maar en dat is simpel: het wordt niet die vreselijke Franciscus-opera van Messiaen waar straks bij De Nederlandse Opera weer iedereen gehoorzaam op gaat zitten geilen, sinds bij consensus is besloten dat de Roomse dweil belangrijk is. En dan krijgen we van de Franse vogelaar, God hebbe zijn ziel, in februari 2008 daarenboven die afschuwelijke Turangalila Symfonie te verduren met het Nederlands Philharmonisch onder Yakov Kreizberg, die bij DNO gelukkig ook nog Katja Kabanova van de grote Janacek dirigeert en dat vast heel erg goed gaat doen. Tot zover Rome, en de opera.

Qua symfonische muziek wordt het niet de kerstmatinee van hetConcertgebouworkest met Thomas Hampson die met zijn vertrouwd lachwekkende vertoon van nepcultuur Mahlers Gesellenlieder zal komen verpesten. Uiterst benieuwd ben ik naar de Faust-Szenen van Schumann die de oude Harnoncourt bij het Concertgebouworkest komt dirigeren. Een groot, diep, prachtig, op het tweede gehoor steeds minder wisselvallig meesterwerk met aan het roer een echte dirigent.

Maar ik hoop vooral dat het Sibelius-offensief van deZaterdagmatinee, de eerste grote artistieke daad van matineeleider Kees Vlaardingerbroek, de eerste stap is naar een herschikking van de machtsverhoudingen in de postromantische symfonische sector. Sibelius is veel belangrijker dan Sjostakovitsj, maar de indruk is dat weinig Nederlandse luisteraars dat weten. Hoofdmoot van het Sibelius-programma vormen de zeven symfonieën, het vroege meesterwerk Kullervo en het krankzinnige symfonische gedicht Tapiola. Ga in elk geval naar Tapiola onder Leif Segerstam (22 december), de uitvoering van de Eerste en de Zevende onder Vladimir Ashkenazy (16 februari) en in april naar de Zesde met Ed Spanjaard, een vreemd lyrisch werk dat deze onderschatte Nederlandse dirigent wel eens uitstekend zou kunnen liggen.