Opera

Siciliaans sperma

Opera: Cavalleria Rusticana / Pagliacci

Als een opera in de jaren veertig in een cartoon van Daffy Duck en Porky Pig wordt aangekondigd als «a really famous opera», dan kun je ervan uitgaan dat je met Pietro Mascagni’s zestig-minuten-éénakter Cavalleria Rusticana («Siciliaanse boeren-eer») een echte blockbuster te pakken hebt. Het stuk is een van de meest sensationele stukken uit de operaliteratuur, vol gecondenseerde passie, pakkende emoties en onvergetelijke melodieën. Die hebben, voor een deel, een directheid die echt kan aangrijpen, zoals ook die hele geschiedenis van een in de steek gelaten vrouw een aangrijpend oer-gegeven van het menselijke bestaan is, de donkere kant van de liefde. Dat wordt door Mascagni gloedvol naar voren gebracht met muziek waarvan hij zelf zei dat die naar «sangue e spacchio» moest klinken: naar bloed en sperma.

Daarvan was bij de jongste première in het Amsterdamse Muziektheater weinig te merken. Dirigent Carlo Rizzi toonde – ondanks zijn Italiaanse naam – weinig gevoel voor het Italiaanse verismo. Hij heeft niet de moed om Cavalleria en Pagliacci (die andere éénakter-blockbuster, van Ruggero Leoncavallo) met echt zuidelijke passie en sensualiteit te laten spelen. Alles klinkt intellectueel cool, een beetje understated, bijna mechanisch – als een lauwe Mahler-symfonie van een of ander provincieorkest.

Dat heeft ook gevolgen voor de enscenering. Weliswaar is het decor, met zijn grote rondbogen à la Piazza San Marco, zijn nostalgische Fellini-gevoel en simpele jaren-zestig-charme heel mooi om te zien, maar regisseur Guy Joosten lukt het niet om de handeling in die setting echt consistent en aansprekend neer te zetten. Voor Joosten is de (logische) wisseling tussen privé- en groepsmomenten niet duidelijk. Hij gooit voortdurend intieme ogenblikken met misse massa-oploopjes door elkaar, waarmee het verhaal volledig onbegrijpelijk wordt. Bovendien verveelt het basisidee voor zijn interpretatie snel: beide stukken spelen bij hem in dezelfde setting, Cavalleria in zwarte kledij in de jaren zestig, Pagliacci in witte kledij in de tegenwoordige tijd. In plaats van de verschillen tussen de beide eenakters te benadrukken, in plaats van het contrast aan te zetten, onderstreept Joosten overeenkomsten, zelfs daar waar ze niet zijn. Dat werkt gewild-intellectueel. Het effect is vergelijkbaar met dat van de orkestdirectie: vermoeiend. Ook Joosten durft het niet aan het oer-gegeven van de opera’s vol uit te spelen, over the top te gaan. In plaats daarvan verkleint hij ze tot parodieën en ontneemt daarmee beide stukken hun uiteindelijke knaleffect. De punch blijft uit.

Medium groene opheffer nieuws

Gelukkig was er van het zangersfront beter nieuws. Voor de zieke ster-sopraan Carol Vaness viel Janny Zomer in, die kleine Hollandse met de grote stem; ze triomfeerde met geëxalteerde klanken als Santuzza en werd door het publiek dikverdiend gehuldigd. Waarom deze uitstekende zangeres, die bij de Nationale Reisopera kort geleden een al even uitstekende Puccini-rol speelde, niet veel eerder door dno geëngageerd is, blijft een van de vele raadsels van het gezelschap, vergelijkbaar met het veel te late, desastreuze engagement van Nelly Miricioiu als Norma in het vorige seizoen – ook al een verongelukte Guy Joosten-productie. Overtuigend was ook het dno-debuut van de Nederlandse mezzosopraan Tania Kross. Zij gaf de kleine rol van Lola Caribisch vuur, star-appeal en glanzende klank. Als haar geliefde Turridu sloeg Zoran Todorovich een goed figuur in perfect zittende jeans en open wit hemd, ondanks zijn beginnende buikje en zijn nogal omslachtige vocale presentatie (complimenten voor de kostuumafdeling).

In het tweede deel, bij Pagliacci, was opera-veteraan Dennis O’Neill als de wenende clown (zonder clownskostuum) te bewonderen; hij presenteerde een grote carrière en een grote zangcultuur. Samen met de sexy Portoricaanse Ana Maria Martinez als Nedda gaven deze solisten de avond toch nog, op momenten, dat laaiende vuur dat begrijpelijk maakt waarom zelfs Daffy Duck voor deze spaghetti-opera warmliep.

De Nederlandse Opera, Muziektheater Amsterdam, tot en met 31 maart. www.dno.nl