Siciliaanse hoeren

Le buttane van Aurelio Grimaldi is uit in Nederland. Weliswaar slechts in twee filmhuizen, maar het geeft mij de gelegenheid om nog eens op Grimaldi terug te komen. Ik ben namelijk dol op Grimaldi.

Dat begon vrijwel direct met zijn eerste film La discesa di Acla a Floristella, een sociaal-realistisch, dickensiaans verhaal over het harde leven van een mijnwerkersjongen in het negentiende-eeuwse Sicilie. Na tien minuten maakte ik aanstalten om weg te lopen, maar de merkwaardige, feitelijk kitscherige combinatie van sociaal drama met een te mooi jongetje, te mooie fotografie en te mooie muziek, deden me net op tijd beseffen dat hier iets bijzonders aan de hand was. Ik werd, en ben nog steeds, een vurig verdediger van Acla, wat de nodige wenkbrauwen heeft doen fronsen.
Niet in de laatste plaats bij een bevriende criticus in Palermo, die mijn betogen over Grimaldi’s bewuste spel met kitsch en zijn milde humor bij een toch serieuze problematiek hoofdschuddend aanhoorde. Ik had niets van Grimaldi begrepen. Grimaldi heeft geen gevoel voor humor en er is helemaal geen sprake van spel en ironie. De kitsch is echt en de thematiek is vals. Mijn vriend uit Palermo bleef mijn vriend, maar ik gaf niet toe. La ribelle, de tweede Grimaldi, bevestigde naar mijn idee mijn vermoeden dat Grimaldi een verrassend en origineel filmmaker is die een geheel eigen draai kan geven aan in zijn eigen Sicilie spelende sociale drama’s.
Ogenschijnlijk maakt Grimaldi sympathieke, licht provocerende films, die ironische elementen bevatten, maar vooral met een warm hart zijn gemaakt. Een prettig soort naiviteit lijkt een kenmerk van zijn films, maar naar mijn idee zijn Grimaldi’s films daarvoor te berekenend. Op het eerste gezicht is Le buttane een collage van natuurgetrouwe schetsen uit het leven van een aantal hoeren in Palermo. Het ontbreken van een dramatische lijn, de aanwezigheid van niet-professionele acteurs (de klanten van de hoeren) en een ongenaakbare zwart- witfotografie wekken een sterk documentaire indruk. Maar die indruk wordt tegelijkertijd weggenomen door het virtuoze spel van de actrices (die hun sporen in het theater, in de eerdere films van Grimaldi en bij cineasten als Werner Schroeter en Marco Ferreri hebben verdiend), het opmerkelijke gebruik van muziek, en niet in de laatste plaats door de goed gedoseerde humor.
Bepaald niet documentair en zeker ook niet naief is Grimaldi’s voortborduren op en zich afzetten tegen de Italiaanse filmgeschiedenis. Het dichtst bij hem staat zeker de vroege Pasolini met films als Accattone! en Mama Roma, en ook Visconti is voelbaar aanwezig. Maar hij heeft ook bij de komedie en zelfs bij de televisie zijn licht opgestoken. Grimaldi is duidelijk geen purist. In zijn stijl niet en zeker bij de behandeling van zijn thematiek niet. Politieke correctheid is niet zijn eerste zorg. Daarom kan hij zijn personages ongeremd laten schelden op Jehova’s Getuigen en op hun Noordafrikaanse klanten.
Grimaldi plukte zijn levensechte hoeren niet zomaar van de straat. Hij schreef er eerst een roman over. Die roman bewerkte hij tot een toneelstuk dat hij met een aantal van de actrices die later in de film zouden terugkomen in Palermo en Rome op de planken bracht. De film is dus zijn derde versie en het is daardoor des te meer te bewonderen dat hij die film de gedaante kon geven van een fris van de lever geimproviseerde reeks scenes uit het leven van een aantal Palermitaanse hoeren.
Mijn vriend in Palermo is overigens nog steeds niet overtuigd van de kwaliteiten van zijn stadgenoot en hij staat daarin niet alleen. Meerdere Italiaanse critici hebben zo hun bedenkingen. Maar miskend kun je het talent van Grimaldi zeker niet noemen. Tot verbijstering van vriend en vijand werd het kleine en eigenzinnige Le buttane opgenomen in de prestigieuze competitie van Cannes. Hoe bijzonder dat achteraf gezien wel niet is kun je nu zelf beoordelen.