De moderne overlever en de kleine terreur

Sidderend naar het werk

Wie in de moderne arbeidswereld wil slagen, moet de verzuchting van George Orwells tragische held Winston Smith in het hoofd houden: ‘Only surrender, and everything else followed.’ Voor je het weet word je immers ontslagen door de nieuwe middenklasse, de manager, de adjunct.

MIJN MOEDER, LERARES FRANS op een grote scholengemeenschap voor volwassenen in de Zaanstreek, was een geboren schooljuf. Ze deed haar best, ze had gezag, ze was geliefd, haar eindexamenresultaten waren prachtig. Haar leerlingen bedolven haar na elk schooljaar onder de bloemen, taarten, boekenbonnen en roerende bedankbriefjes. Op een dag, een jaar of tien geleden, begon een sectorhoofd haar te bedreigen, out of the blue. Het sectorhoofd, wat haar precieze taak was heb ik nooit begrepen, was een schakel in de uitdijende managementketen die de school van mijn moeder met huisstijlen, colleges van bestuur en grote woorden – vernieuwing, inspiratie, leeromgeving – had verbouwd tot een hip leerbedrijf. Het was de tijd. Goed onderwijs is niet sexy. Goede sier maken, daar gaat het om. Bij de zorginstellingen zag je dezelfde trend. Die gingen zich opeens iCare noemen, maakten zich breed met hilarische goed-nieuws-slogans als ‘mensen staan centraal’ (wie anders, godverdomme?), maar lieten de handen aan het bed voor de salarissen van hun bestuursvoorzitters opdraaien.
Het bijzondere aan de zaak tegen mijn moeder was dat ze niet wegens aanwijsbare gebreken onder vuur kwam te liggen. Men brak de staf over haar teamloyaliteit, haar commitment aan de onderwijsgemeenschap. Tijdens vergaderingen beklaagde mijn moeder zich over de schoolbureaucratie, de zinloosheid van de efficiency-operaties die niet-onderwijsgevende tussenpersonen met titels en bureaus uitstortten over het weerloos brave onderwijzersvolk. Scherp verdedigde ze de anachronistisch saaie kernwaarden van het onderwijs. Ik wil, zei ze, dat die mensen snappen wat een passé simple is. Waarop men repliceerde met de dooddoener dat ze haar toon moest matigen. Het ging, zoals dat tegenwoordig gaat, niet om de inzet maar om de toon van het debat, haar onvermogen ongeschreven spelregels te respecteren. Het was geen grap. Men eiste gehoorzaamheid. Men dreigde met ontslag. Het was zo absurd dat ik mijn oren niet geloofde.
Mijn chique, hoogst intelligente moeder belde me in de auto, huilend: wat moest ze nou? Ik zei: we moesten maar eens met een advocaat aan tafel. Hij schrijft een nare, goed geformuleerde, lange en moeilijke dreigbrief die de vijand zo boven de pet gaat dat hij opgeeft. Snap het probleem. De vijand heeft geen poot om op te staan, maar hij moet leiderschap en daadkracht tonen. Voor zijn cv moeten er koppen rollen, goedschiks of kwaadschiks. Het hoort bij het ontgroeningsritueel voor ambitieuze sukkels op het vinkentouw. Alleen daarom probeert die mevrouw een arbeidsconflict met je uit te lokken. Je staat alleen, en sanity is statistical. Maar valide motieven heeft ze niet. Bestook haar met lastige vragen, voed haar onzekerheid, en de storm zal luwen.
Dat gebeurde. De advocaat verstond zijn vak. Hij schreef een excellente brief die hielp. De wind ging liggen, even plotseling als hij was opgestoken. De collegialiteit die mijn moeder in crisistijd ondervond was, hoe typerend, van het angstige, karakterloze genre. Buiten gezichtsbereik van de leidinggevenden sloegen de sectiegenoten haar bemoedigend op de schouder, zonder in het openbaar een lans voor haar te durven breken.
Mijn moeder haalde net haar vut. Een week later kondigde de kankerspecialist haar dood aan. Ik weet zeker dat de zaak haar dood bespoedigd heeft. Het kwaad had weliswaar verloren, het was niet verslagen: het bleef in het zadel. Ze was dodelijk gekrenkt in haar eergevoel. Morgen pakken ze een ander, sprak ze somber.
We analyseerden het probleem.
Wie zijn ‘ze’, vroeg ik.
De nieuwe middenklasse, zei ze. De kleine subregent, die totalitair wordt omdat hij van bovenaf wordt gedekt en van onderaf niet wordt bestreden. De tussenmens van jouw boeken.

HET JAAR WAS 2000, het klimaat geheel 1984. Orwells universum stond in volle bloei. Vanaf dat moment besefte ik hoe gevaarlijk de wereld is geworden, een wereld die ik in mijn eerste romans net als Orwell nog voorzichtig als sciencefiction had geboekstaafd, een waarin mensen niet op competenties maar op aanpassingsvermogen worden afgerekend. En toen had ik Philip Roth’s The Human Stain al gelezen, waarin de academicus Coleman Silk wordt kaltgestellt nadat hij door politiek correcten op zijn universiteit ten onrechte van racisme is beschuldigd. Er zijn veel Silks, maar ik kende ze nooit. Mijn moeder was de eerste.
Toen ik vijf jaar geleden de afscheidstoespraak voor mijn moeder voorbereidde, dacht ik aan Orwells roman, die ons vanaf de achterflap al meer dan vijftig jaar toeroept dat zijn thematiek steeds actueler wordt. Ik bedacht dat mijn moeder was geveld door dezelfde partijdiscipline die Orwells personage Winston Smith en zijn geliefde Julia fataal wordt. In de heilstaat van Big Brother zijn de wetten vervangen door een moraal van de dag die permanent nieuwe normen voortbrengt met het instinctieve inzicht dat verzet tegen de willekeur geen afzetpunt zal vinden. ‘In Oceania’, schrijft Orwell, ‘there is no law. Thoughts and actions which, when detected, mean certain death are not formally forbidden, and the endless purges, arrests, tortures, imprisonments, and vaporizations are not inflicted as punishment for crimes which have actually been committed, but are merely the wiping-out of persons who might perhaps commit a crime in the future.’ Dat is een inderdaad hoogst actuele diagnose van de situatie.
Aan de andere kant, relativeerde mijn moeder tegen de klippen op, Nederland is Oceania niet.
Klopt, zei ik. Maar dat wordt het vanzelf, als iedereen maar lang genoeg volhoudt dat het meevalt.
Een jaar later was ik zelf aan de beurt. Ik werd gevraagd als chef kunstredactie van een grote landelijke krant. Ik solliciteerde en kreeg de baan. Die was verschrikkelijk. Een uitvoerende macht van subregenten, de adjuncts, hield de meute klein met systematische debunking van hun doen en laten, handig redeloos laverend tussen recht en onrecht. Een keihard werkende collega met ernstige RSI-klachten werd door een adjunct-hoofdredactrice als simulant in de hoek gezet. Dezelfde hoofdredactrice kwam mijn redacteuren voorhouden dat ze ‘hadden liggen slapen’, als we hadden verzuimd aan te sluiten in de middernachtelijke rijen voor de boekhandels met de nieuwste Harry Potter. Kunstverslaggeving was Potter-idioten vragen of het koud was in de rij. Tijdens de chefsvergaderingen hengelden mijn collega’s onder toeziend oog van de hoofdredactie opportunistisch naar een schouderklop van het bevoegd gezag door elkaar vliegen af te vangen op vermeende blunders.
Ik bleef niet buiten schot. Een medewerker over wie ik niet tevreden was, maar die van de hoofdredactie bij een eerder functioneringsgesprek een goede beoordeling had gekregen, viel bij diezelfde hoofdredactie opeens uit de gratie. Het vuile werk, dat uiteraard aan mij was, heb ik opgeknapt omdat ik uit journalistieke motieven niet anders kon. Tot de dag van vandaag heb ik er niettemin een kwaad geweten over, omdat het me tegen wil en dank tot collaborateur maakte van een systeem dat de betrokken redacteur uit willekeur had laten vallen. Ik heb altijd gedacht dat het een loyaliteitstest was. Bij een functioneringsgesprek werd mij slapte verweten toen ik een redacteur die de krant al jaren liever kwijt dan rijk was aanvankelijk het voordeel van de twijfel gunde, omdat ik hem op persoonlijke titel wenste te beoordelen. Voor de munitie tegen hem, die ik naar goeddunken mocht afvuren, verwees men mij naar de dossiers die van medewerkers werden bijgehouden. Ik wist nog niet dat dossiervorming op de werkvloer de gewoonste zaak van de wereld is, en ik heb ze nooit willen lezen. Maar het klimaat voedde mijn achterdocht. Steeds vaker kreeg ik het gevoel dat de middelste bestuurslaag bewust tot lijdend voorwerp werd gemaakt van gezagsondermijnende strategieën die de redactiechefs net zo lang isoleerden tot ze voor hun overleving geheel afhankelijk waren geworden van de heersende klasse. De onvoorspelbaarheid van beleid met zijn steeds wisselende standpunten was orwelliaanse doublethink in zijn puurste vorm. Groen kon morgen rood zijn.
Ik besloot niet op te geven, overtuigd dat ik vroeger of later rugdekking zou vinden. Ook Gorbatsjov, grapte ik tegen vrienden, was er niet gekomen zonder vuile handen. Maar acht maanden na mijn komst vertrok de hoofdredacteur die mij had ingehaald. Zijn opvolger kondigde na een inwerkperiode aan dat hij mijn redactie wilde laten fuseren met de redacties media en amusement.
Wat mij betreft was het no way. Sport, zei ik, heeft ook veel met economie te maken, binnenland ook veel met buitenland. Fuseer die er dan ook maar even bij, dat ruimt op. Ik tekende aan dat ik door de zittende hoofdredactie, dus met instemming van zijn adjuncts, was aangesteld met de opdracht een kunstredactie vorm te geven. Dit voornemen betekende de liquidatie van het doel waarmee ik nog geen jaar eerder het kreupelhout in was gestuurd. Groen was rood geworden. Vergeefs wachtte ik op degelijke inhoudelijke argumenten voor de samenvoeging van drie totaal ongelijksoortige redacties, waarvan er één – amusement – zo onder de maat was dat samenwerking bij voorbaat uitgesloten leek. Evenmin kreeg ik hom of kuit over de personele consequenties voor de betrokken redacteuren. Er is misschien wel helemaal geen plan, sprak ik tot mijn gewaardeerde collega van media, chef van de toen beste mediaredactie van Nederland: het onthutsende is dat we speelbal zijn van een volstrekt ongemotiveerde poging tot vertoon van daadkracht. En ik legde uit waar het me aan deed denken.
We gaan dit niet tegenhouden, zei hij mat.

NA VEEL VIJVEN en zessen presenteerde de hoofdredactie een flodderige, slecht geschreven beleidsschets die de naam niet verdiende; ik meen dat het woord sexy erin voorkwam. Ik zette mijn bezwaren uiteen in een honende brief die ik per interne post verstuurde aan de hoofdredactie. Dezelfde dag werd ik voor het eerst in mijn leven met ontslag bedreigd. Jij zit de hoofdredactie te bashen, schuimbekte de hoofdredacteur. Wel, ik zou ervan lusten. Ik kon kiezen of delen, buigen of barsten. Tot mijn verbazing schold ik terug. Niet ik moet weg, dacht ik: jij gaat eerder. En ik besloot ter plekke het zo ver te laten komen.
Ik verwacht van jullie geen solidariteit, zei ik tegen mijn redacteuren; het is de meest cynische uitspraak die ik ooit deed. Die kreeg ik wel, met mate. De redactie schreef, kool en geit angstvallig sparend maar in de gegeven context relatief stoutmoedig, een bezorgde brief aan de hoofdredactie. Individuele redacteuren sprongen voor me in de bres. De redactieorganen toonden hun verontrusting. Helpen deed het niet: kiezen of delen. Kort nadat ik mijn functie ter beschikking had gesteld werd ik ernstig ziek. Toen ik vier maanden later terugkwam, 25 kilo lichter en een lichtzinnige illusie armer, was de fusie een feit en mijn functie geschiedenis.
Goed, dacht ik, dan maar schrijven. Ik was te moe voor nog een transfer, en verdomde het uit eergevoel te moeten boeten voor het falen van derden. Bij de gratie Gods kreeg ik een eigen kunstrubriek op zaterdag. Ik toog aan het werk met het arbeidsethos dat de mens bij tegenwind gegeven is, de moed der wanhoop.
Van kunst heb ik verstand. Ik werkte hard. Ik voelde dat ik op de schopstoel zat, al werd ik uit coulance tijdelijk met rust gelaten. Bij een krant die Jan Smit hoger had dan Bach en Beethoven kon me natuurlijk geen lang leven zijn beschoren. Om mij heen zag ik de terreur onverdroten voortkankeren. Maar ik bleef geloven. Ik dacht: deze hoofdredacteur is een hoogst onfatsoenlijk mens en een ramp voor de krant. Men zal het inzien, zijn kop zal rollen, het komt goed. Het gebeurde niet.
Toen schreef ik een stuk over een concert in Groningen. In zijn openbare evaluatie van de dagkrant liet een adjunct na zijn avonddienst weten dat het tenenkrommend slecht geschreven was. Het was hetzelfde stuk dat mijn chef een dag eerder uitbundig had geprezen per interne post. Wat speet het me dat ik zijn complimenten had gewist, want hij verdedigde mij niet maar huilde stemmig met de wolven mee. Ik begreep dat het uur U was aangebroken. Eerder hadden morons van de amusementsredactie, nu mijn collega’s, me zuchtend uitgelegd hoe ik een interview met Maarten ’t Hart kon herschrijven tot een leesbaar stuk. Het hing in de lucht. Ik had de Pierre Bayle Prijs voor kunstkritiek en de Debutantenprijs voor mijn eerste roman gewonnen en kreeg nu te horen dat ik zo tenenkrommend slecht schreef dat ik weg moest. En schreef ik eens niet slecht, dan was ik elitair. Het was om het even.
De adhesie kwam, zoals mijn moeder ook was overkomen, beschroomd via de achterdeur. Op de redactie viel een stilte als ik mijn bureau bereikte: de muren hadden oren. Weer schoten de redactieorganen plichtsgetrouw in de bezorgdheidsstand, en andermaal haalde het niets uit: ook nu kwam het niet tot een motie van wantrouwen tegen de gehele hoofdredactie, de enig juiste en noodzakelijke stap. Als eenling ruimde ik met een zak oprotgeld het veld, een half jaar voor de hoofdredacteur alsnog zijn laatste krediet verspeelde, precies zoals ik twee jaar eerder had voorspeld. Twee jaar na de zaak van mijn moeder betekende deze affaire het einde van mijn journalistieke loopbaan.
Je bent gewoon te vroeg vertrokken, somberde een aardige collega aan de telefoon. Sanity is statistical, zei ik.

LIEGEN MAG, BEDRIEGEN NIET, hoorden de medewerkers van DSB Bank hun bazen verkondigen. De man die hun bedrijf met bedrog naar de knoppen hielp werd door zijn personeel luid toegejuicht toen de bijl was gevallen. Voor veel werknemers, waar ook ter wereld, is het Stockholm-syndroom de laatste vluchtheuvel.
Liegen mag, bedriegen niet. Die zin is de essentie van doublethink, en het symbool van een overlevingsdrang die het toch niet redde.
Met een deel van mijn belagers is het goed afgelopen. Ze zijn hoofdredacteur, of correspondent van kwaliteitscouranten. Stuk voor stuk zijn het mensen die de journalistiek zich moreel niet kan veroorloven. Ze hebben hun medewerkers en hun vak grote materiële en immateriële schade berokkend, zonder er naar behoren op te worden afgerekend. Nooit hebben ze zich hoeven excuseren. Een krant is geen Cuba, geen DDR. Onrecht op schaal lijkt net Madurodam, een kleinigheid. En daarom zien we de klootzakken berustend door de vingers. Uiteindelijk is het de onverschilligheid.
Het wordt epidemisch. Bij Radio 4, schreef ik zij aan zij met Henk Hofland in NRC Handelsblad, wordt een presentator (Haffmans) ontslagen die op zijn zender verreweg de beste in zijn genre is. Verbazingwekkend is de defaitistische grondtoon van de vele reacties die wij via de opinieredactie van de krant ontvangen: goed gebruld mannen, maar helpen zal het niet. Zo is het mensen, en dat ligt aan jullie. Jullie kunnen het tegenhouden. Als jullie dat niet doen, is het omdat jullie bang zijn, en omdat jullie het morele gewicht van ernstig onrecht onvoldoende voelen. Dat de beste wijkt voor een amateur is een affront, dat jullie recht moeten zetten. Het is jullie morele plicht. In de volgende ronde zijn jullie aan de beurt, vergeet dat niet. Bij mijn laatste krant is het net zo gegaan.
Coleman Silk is een racist, Haffmans is elitair. Van het verdriet dat ze voelen heb ik een meer dan vaag begrip: ik kan niet schrijven.
Maar dit schrijf ik toch, omdat ik weet dat veel mensen sidderend naar hun werk gaan. Ze worden niet geacht hun werk te doen; ze moeten hun voorbeeldigheid uitventen, stand in line. Mijn vrouw vertelde me over het functioneringsgesprek dat ze voerde. De eerste vraag: hoe denk je dat je zelf functioneert? Stel dat je eerlijk bent, en twijfelt. Men dwingt je tot liegen. Zo’n vraag is chantage. Het is een vraag voor O’Brien, de beul van Winston Smith. Het sloeg haar koud om het hart. Maar ze liep niet weg. Ze onderging het als iets onvermijdelijks. Dat spijt haar nu.
Kom, heb ik vaak horen zeggen, zo erg is het toch niet? Precies, zei ik dan: het probleem kan zich uitbreiden, omdat het nog niet erg genoeg is. Eerst moet de kleine terreur nog uitgroeien tot een nieuwe dictatuur die weer een halve eeuw de mensen straft voor hun angst en onmondigheid, tot de maat weer eens vol is. We zijn al heel ver. ‘Only surrender’, beseft Winston Smith na de zoveelste marteling, ‘and everything else followed.’
De moderne overlever zegt het hem berustend na.