Hoogleraar cognitieve sociologie, Rijksuniversiteit Groningen

Siegwart Lindenberg

Laat mij beginnen met een opmerkelijk verhaal. Een interventiestudie in de VS (Cohen et al. in Science 2009) heeft laten zien dat de schoolprestaties van kinderen uit etnische minderheden vaak achterblijven door de werking van negatieve vooroordelen tegen hen. Dit soort negatieve ervaringen zijn later vaak heel moeilijk te herstellen waardoor cumulatieve gevolgen voor de lange termijn optreden. Het opmerkelijke aan deze studie is dat het negatieve effect van vooroordelen voor een groot deel teniet werd gedaan door een paar keer per jaar via een schriftelijke opdracht de aandacht op voor het kind belangrijke waarden te richten. De schoolprestaties waren zelfs nog twee jaar na deze interventie duidelijk hoger dan voor vergelijkbare kinderen die de interventie niet hadden gehad. Het hele prestatietraject van deze kinderen was dus in belangrijke mate door een zeer eenvoudige vroege interventie, gericht op waarden, veranderd.

Natuurlijk zijn er belangrijkere actuele problemen dan de schoolprestaties van “achterstandskinderen”, zoals de klimaatverandering, de stabiliteit van de Euro, de veiligheid van al onze kinderen, de niet eindigende conflicten in het Midden Oosten en Afghanistan, jeugdcriminaliteit, de teruglopende prestaties op scholen in het algemeen, de kloof tussen politiek en burgers van Nederland. Wat is het “meest dringende”, het “meest onderschatte” en het “meest overschatte” probleem? Geen gemakkelijke vraag, want de keuze verschuift vrij snel met de tijd. Ikzelf geef de voorkeur aan een soort “überprobleem”: de vraag hoe problemen, die dringend zijn (en vaak blijven), worden aangepakt. Voor dit soort problemen bestaat een primaat van de politiek. Wat de politiek niet goed aanpakt, wordt ook niet goed opgelost. Maar, waar komen de probleemoplossingen in de politiek en het adviescircuit vandaan? Bij de politiek in Nederland (en ook in andere Westerse landen) overheerst de visie dat het belangrijkste beleidsinstrument het manipuleren van “incentives” is, van “slimme” beloningen en bestraffingen. De overheid kan hierbij, naar eigen zeggen, het beste de betutteling van burgers vermijden door de marktwerking zo veel mogelijk uit te breiden. De markt reguleert immers op wonderlijk efficiënte manier de relevante incentives vanzelf. Er wordt in de marge wel gehamerd op het belang van waarden en normen, het beleid zelf is echter vooral gericht op het gebruik van incentives. Voor een deel is dat terecht, maar het probleem is dat de maatschappij niet slechts bij “achterstandskinderen” maar vrijwel overal geconfronteerd wordt met psychosociale effecten die (a) langdurige en zware negatieve gevolgen hebben en (b) vaak averechts werken bij pogingen om ze via incentives te beheersen. Men vindt dit soort problemen in het gedrag van marktdeelnemers, in instituties die de markt moeten stabiliseren (zoals het bankwezen en inspecties), in de formele en informele omgang met minderheden, in de gezondheidszorg, in het milieubeleid, en zelfs in de manier waarop landen worden aangepakt, die zich volgens de VS (en Nederland) niet zo gedragen als gewenst. Overal vinden wij dus problemen die cumulatief zijn en door eenzijdige incentive-ingrepen nog erger worden (zie bijvoorbeeld Frey & Jegen 2001).

De gedrags- en maatschappijwetenschappen weten ondertussen heel veel over de beperkte effectiviteit van incentive-instrumenten en over de werking van alternatieve instrumenten, vooral over het functioneren van waarden, normen en de voorwaarden voor zelfregulering van individuen (zie bijvoorbeeld de WRR verkenning “De menselijke beslisser”). Voor de maatschappij is het één van de grootste en hardnekkigste problemen dat het bolwerk, dat voor vrijwel alle grote problemen incentive-gerichte beheersing voorstaat, het gebruik van niet-incentive-gerichte benaderingen weert.


Referenties:

Cohen, G.L. , Garcia, J., Purdie-Vaughns, V., Apfel, N. & Brzustoski, P. (2009) . Recursive Processes in Self-Affirmation: Intervening to Close the Minority Achievement Gap. Science, 324:400-403

Frey, B. & Jegen, R. (2001), Motivation crowding theory: A survey of empirical evidence. Journal of Economic Surveys, 15: 589-611

Tiemeijer, W.T., Thomas, C.A & Prast, H.M. (red), De menselijke beslisser: over de psychologie van keuze en gedrag. WRR Verkenningen. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009


Bekijk ook de pagina van Siegwart Lindenberg bij Academiaworks of bij de Rijksuniversiteit Groningen