Sigaartje meneer kok?

De sigaar, of beter gezegd de bolknak, geldt als een van de markantste symbolen van het negentiende-eeuwse uitbuiterskapitalisme. Terwijl ons economisch stelsel langzaam weer negentiende-eeuwse vormen aanneemt, mag ook die donkerbruine genotsstaaf zich in een nieuwe statuspopulariteit verheugen.

Het aantal jaarlijks verstookte sigaren is weliswaar dramatisch gedaald in de afgelopen drie decennia, maar ons land telt momenteel toch nog zo'n achthonderdduizend sigarenrokers. Dat zijn grotendeels mannelijke veertig-plussers, maar ik las in de krant dat het marktsegment van de jonge trendy sigarenroker snel groeiende is.
Hoewel ik zelf in de categorie licht belegen veertig-plus val, behoor ik sinds kort ook tot dit modieuze rokersclubje. In een poging van mijn sigarettenverslaving af te komen, heb ik mijn toevlucht tot dit nobele tabaksmethadon genomen. En omdat ik niet van halve maatregelen houd, heb ik meteen maar flink geinvesteerd in mijn afkickprogramma. De kwaliteitssigaar dus, uitsluitend verkrijgbaar bij erkende dealers, zoals de firma Hajenius, gevestigd aan het Amsterdamse Rokin. Na een bezoek aan dit Walhalla der sigarenrokers spoorde ik tevreden naar huis, een prettig assortimentje tuitknakken, signorina’s en panatella’s onder de arm geklemd, alles verpakt in uiterst smaakvolle doosjes, op zichzelf al een rechtvaardiging voor de enigszins prijzige aankoop. De sigaar een symbool van het kapitalisme? Welnee toch! Veeleer een eerbiedwaardige steunpilaar van onze oudvaderlandse nijverheid! Onze tomaten mogen Wasserbombe zijn, ons bier naar pis smaken, met onze sigaren is niets mis!
Onze sigaren? Vorige week meldde de Volkskrant dat de Brabantse sigarenmaker Cadena Claassen - onder andere fabrikant van topsigaar ‘De Acht Zaligheden’ - verpatst is aan de Britse tabaksgigant Imperial Tobacco. En mijn eigen Hajenius - nota bene honderdzeventig jaar sigarenmakerstraditie! - heeft al jaren een Zwitserse eigenaar. Met uitzondering van Agio, producent van crack-merken als Balmoral en Panter, is nagenoeg de hele Nederlandse sigarenindustrie in handen geraakt van het buitenlands grootkapitaal. En dat mijn panatella’s wie weet gerold zijn door zuchtende vrouwen en kinderen in lage lonenlanden, inderdaad, dat verhoogt mijn rookgenot ook al niet. Niks jong en trendy dus: gewoon een ouwe uitbuiter, zij het zonder hoge hoed, vest en pandjesjas.
Is de sigarenmakerij soms een voorbeeld van wat Arie van der Zwan onlangs de footloose onderneming noemde? Deze voormalig Nieuw-Linkser lanceerde een poosje geleden bij de aanvaarding van de Utrechtse Drees-leerstoel een even energieke als geestrijke aanval op de huidige dictatuur van het neoliberalisme. In zijn inaugurele rede legde de tegenwoordige decaan van Nijenrode - een mooi kweekvijvertje voor een nieuwe generatie trendy sigerenrokers, lijkt me - onder andere uit dat in het grenzenloze Europa nationale overheden en werknemers het nakijken hebben. De footloose onderneming verplaatst haar investeringen naar believen en laat zich daarbij nog uitsluitend leiden door kostenoverwegingen en rente- en valutabewegingen. Als voorbeeld noemde hij het Nederlandse bedrijfsleven: torenhoge winsten, maar met een ver achterblijvend investeringsvolume. Geen wonder dat Engeland tegenwoordig een van de populairste investeringsgebieden binnen Europa is: een verpauperde en rechteloos gemaakte arbeidersklasse en een overheid die ook de brutaalste entrepreneur geen strobreed meer in de weg legt.
In het afgelopen decennium hebben nationale overheden vrijwel uitsluitend aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt gesleuteld: verlaging van de ontslagkosten, flexibilisering, aanpassing van de minimumlonen. Daarmee is een waar ondernemersparadijs ontstaan: spectaculaire winstmarges, een volledig geliberaliseerd verkeer van kapitaal en goederen, en een vrijwel rechteloos werknemersdom. Voor de jonge volksstammen op de arbeidsmarkt is het begrip 'vaste aanstelling’ een curiosum uit een welhaast mythisch verleden. Menselijke arbeid is op afroep beschikbaar en kan op ieder gewenst moment eruit geschopt worden. Opleidingen en beroepskwalificaties zijn alleen nog waardevol in combinatie met 'netwerken’, 'sociale vaardigheden’ en 'flexibiliteit’. Wie je kent is tegenwoordig minstens zo belangrijk als wat je kunt. En daarmee keert een negentiende-eeuws systeem van overerving terug: sociale komaf wordt weer bepalend voor maatschappelijke stijging. Een even zelfvoldane als asociale succeselite dicteert haar eigen normen aan de nieuwe generaties op de arbeidsmarkt.
Ziehier de vrucht van het neoliberalisme: een nieuwe kastenmaatschappij met in de diepste regionen een pijlsnel groeiend leger kanslozen en 'onaanraakbaren’, elkaar verdringend en vertrappend voor een denkbeeldige uitgang.
Aan Arie van der Zwan komt de eer toe een van de zeer weinige sociaal-democraten te zijn die weigert te capituleren voor het kritiekloze marktgeklets. Niettemin is het treurig dat, terwijl de Partij van de Arbeid in Nederland nota bene aan de macht is, juist hij het moet zeggen: een gewezen links-radicaal die na zijn ontslag bij een grootwinkelbedrijf een managersschooltje beheert, waarvan onze visionaire minister-president de bekendste leerling is.
En die zal wel weer zijn oren laten hangen naar het jongste advies van het Internationaal Monetair Fonds. De boodschap aan het kabinet klonk vertrouwd: breek de sociale zekerheid verder af, want anders gaan die verrekte werklozen niet aan het werk; verlaag het minimumloon omwille van de werkgelegenheid; verklaar cao’s niet langer bindend voor hele bedrijfstakken; en breng het financieringstekort nog wat verder omlaag.
Sigaartje, meneer Kok?