Migrantenmuseum  

Sigaret in een doos

In zijn hele leven had hij zich nog nooit zo ellendig gevoeld als op die dag. Het was de 24ste herfst die Hans meemaakte. De wind nam de dode bladeren mee. Als Hans net zo licht was geweest als een blad en als de wind hem ook zou willen wegwaaien had Hans het goed gevonden. Zijn verdriet was niet zo licht dat hij kon huilen. Hij liep bij de Prinsengracht toen het verdriet via zijn maag een uitweg vond naar buiten. Hij kotste in het grauwe water.
Hij wist dat het over was. De zwarte ogen waren als een gevangenis zonder licht die hem voor altijd hadden opgesloten, de lange wimpers waren als bogen die zijn hart hadden doorboord, de volle wenkbrauwen hadden als bogen gediend voor de bijlen. Hij wist dat het over was en dat vergeten onmogelijk was. Daarom heeft hij de sigaret waar ze om de beurt een paar trekken van hadden genomen in een doosje gedaan en zijn hele leven lang bewaard. Hans is dood, maar net voor zijn dood heeft hij het Migrantenmuseum die sigaret geschonken.
‘Ik kan me heel goed herinneren dat er gewerkt werd aan de tramsporen in de stad.
Er was een modderige plas ontstaan bij de stoep. Mannen hielpen de vrouwen bij het oversteken door hun handen vast te houden bij het springen. Wij hebben ook elkaars handen vastgehouden toen. Maar we hebben niet meer losgelaten. Hand in hand, zonder een woord te zeggen, hebben we urenlang gewandeld. De zon scheen en verwarmde onze wangen. Toen het avond werd hadden we een verlaten gebouw gevonden. Daar hebben we gekust. Volgens mij wel urenlang.’
De stem van Hans trilde toen hij vertelde. Zijn twee dochters waarschuwden hem en ons dat hun vader niet vermoeid mocht raken. Elke vermoeidheid bracht hem dichter bij de dood. Hans, die nog steeds haar had op zijn hoofd, maar voor de rest wel alles was verloren wat hem vroeger een knappe, aantrekkelijke man maakte, hoestte vanuit zijn longen en blies bijna de laatste adem uit.
‘Geef mij die sigaret’, gebood hij. We gaven hem die vergeelde peuk en staken hem op voor hem. Terwijl zijn dochters huilden nam hij twee trekken van ons museumobject. Bij de derde trek werd hem de ziel ontnomen.
Thans staat een doosje met een voor driekwart gerookte sigaret in het Migrantenmuseum. Maar voordat we het daar tentoonstelden, bracht ik het doosje met de trein naar de havenstad. Het is niet makkelijk geweest om de grote liefde van Hans te vinden. Het heeft me wel een hele dag gekost.
Hij zat daar, kleiner gemaakt door de tand des tijds, in de ongezellige kantine van de moskee. Ik verzekerde hem dat ik niet van Sociale Zaken was en geen onderzoek deed naar zijn bezittingen in het moederland. Dan wilde hij wel even naar buiten komen. We gingen met deze man, die een verzorgde grijze baard had en voor een moskeeganger te kleurrijke kleding droeg, bij de stoplichten staan. Daar opende ik het doosje en liet hem de peuk zien. Hij wist het meteen. ‘Hij had beloofd dat hij deze sigaret zijn hele leven lang zou bewaren. Hans is dood’, zei hij en reikte naar de peuk. Hij nam ook een trek van de sigaret, hij huilde en vroeg met een smekende stem: ‘Laat alsjeblieft niets merken aan mijn familie en mijn kennissen. Het heeft toch geen nut meer als het uitlekt. Hans is dood.’
In het Migrantenmuseum vertellen we aan de hand van objecten verhalen. Maar als men ons verzoekt om namen geheim te houden, dan doen we dat. De naam van de oude pelgrim kunnen we dus niet zeggen. Wel dat hij en Hans ervan hebben gedroomd om naar de bergen te gaan in het moederland van de toen nog jonge gastarbeider en daar te vissen in de mooie natuur. In die bergen schijnt een rivier te stromen waarvan het water ook groot verdriet heeft gezien, maar wel geheim heeft gehouden.