De VN worden verzocht hun eigen fouten op te knappen

SimCity II

De roep om een comeback van de Verenigde Naties in Oost-Timor wordt steeds luider. Van 1999 tot 2002 vormden de VN er een overgangsbestuur. De fouten die toen zijn gemaakt, werken door in de huidige crisis.

«Ik denk dat de Verenigde Naties ook een grotere rol moeten hebben bij het assisteren van de Oost-Timorezen», verklaarde de Australische minister van Buitenlandse Zaken, Alexander Downer, zaterdag na crisisberaad in Oost-Timor. Australië levert de bulk van de 2200 buitenlandse militairen die op verzoek van de Oost-Timorese regering twee weken geleden arriveerden om een einde te maken aan de gewelddadigheden die in mei in de hoofdstad Dili (de rest van het land bleef kalm) uitbraken.

Niet alleen Downer, ook Oost-Timorezen vragen om terugkeer van de VN. De situatie klinkt als een echo uit het verleden. In 1999 organiseerden de VN een referendum waarbij de Timorezen konden kiezen tussen onafhankelijkheid of aansluiting bij Indonesië, dat het land sinds 1975 bezet hield. De komst van de United Nations Mission in East Timor (unamet) gaf de Timorezen hoop dat er zo een einde zou komen aan de Indonesische bezetting, waarbij tussen de 84.000 en 183.000 Timorezen – op een geschatte bevolking van zeshonderdduizend – waren gedood of omgekomen door honger en ziekte. Nadat op 4 september 1999 bekend was gemaakt dat 78,5 procent voor onafhankelijkheid had gestemd, ontketenden het Indonesische leger en Oost-Timorese milities een strafcampagne. Binnen drie weken werd 75 procent van de infrastructuur in de as gelegd. Tussen de duizend en tweeduizend Oost-Timorezen werden vermoord. Eenderde van de bevolking werd naar West-Timor gedeporteerd. Tot de door Australië geleide troepenmacht een einde aan de geweldsorgie maakte.

In oktober 1999 gaf de Veiligheidsraad het groene licht voor untaet (United Nations Transitional Administration in East Timor) dat zo’n breed mandaat had dat de missie het karakter van een koloniale macht kreeg. Voor het eerst in de geschiedenis kregen de VN de totale controle over een land, schreef Jonathan Steele, correspondent van The Guardian die in 2002 een maand als consulent voor untaet werkte. Bestuur, rechterlijke macht, politie, leger, radio en televisie kwamen in handen van de VN.

untaet runde het land, maar had ook de opdracht Timorezen op te leiden en een ambtenarenapparaat, politiemacht en leger op te zetten zodat een onafhankelijk Oost-Timor op eigen benen kon staan. Met zichtbaar genoegen placht het hoofd van untaet, Sergio Vieira de Mello, te vertellen over de e-mail van zijn zoontje waarin hij schreef dat het net was alsof zijn vader SimCity speelde – het computerspel waarbij steden worden gebouwd. Dat doen we ook, schreef De Mello zijn zoon, maar dan in het echt. Snel moesten de VN overal mensen vandaan plukken om de multinationale missie te bemannen. Bij aankomst bleken veel VN’ers niets van Oost-Timor te weten. Ook de professionele kwaliteit liet te wensen over. Een verbijsterde Europese diplomaat vertelde dat de organisatie blij kon zijn als dertig procent van de VN-staf naar behoren functioneerde.

Toen Steele in Dili arriveerde, was hij geschokt over de kloof tussen untaet en de bevolking. «Er zit altijd wel een racistisch element in de VN als de organisatie in derdewereldlanden opereert. Maar wat ik hier zag, was sociale apartheid.» De VN’ers reden rond in fourwheeldrives, bezochten feestjes en keken neer op de getraumatiseerde bevolking. Binnen een jaar hadden de VN, die bij hun entree in 1999 nog zo welkom waren geweest, een groot deel van hun goodwill verspeeld. Alleen de internationale troepenmacht, die voorjaar 2000 overging in handen van de VN, bleef populair. De Timorezen prezen zich gelukkig met een vredesmacht als bescherming tegen het Indonesische leger en de Timorese milities die aan de overkant van de grens op wraak zonnen.

Ook Timorese leiders waren ontevreden. Er was geen gemengd bestuur van Timorezen en buitenlanders gekomen. untaet werd gerund door expats. VN-gezant De Mello, een carrièrediplomaat die later in Irak zou omkomen, benoemde daarom snel een National Consultative Council zodat Timorese leiders enigszins mee konden doen.

«Ik heb op een gegeven moment voorgesteld een schaduwkabinet te vormen zodat de Timorezen als assistent-ministers ook een rol kregen», aldus James Dunn, een gepensioneerde Australische diplomaat die als Timor-specialist geruime tijd untaet adviseerde.

Sebastiao Guterres, een Oost-Timorees die voor untaet en de Wereldbank werkte, vertelt: «De instituties waren in handen van expats. We zagen geen enkele overdracht van taken of macht. Er heersten belangenconflicten tussen expats en Timorezen. Sommige expats wilden zo snel mogelijk weg, anderen bleven op hun post om hun salaris niet te verliezen.»

Het overgrote deel van de 550 miljoen dollar voor de opbouw van Oost-Timor werd besteed aan de VN-missie zelf: salarissen, logistiek, gebouwen, computers en prefab-barakken die na afloop van de missie deels weer meegenomen werden. Aan de opbouw van een reële economie werd nauwelijks iets gedaan. Het land kreeg een zeepbeleconomie die vooral dreef op bestedingen en inkomens van VN-functionarissen. Oost-Timor bleef een van de armste landen ter wereld met een gigantische werkloosheid. «Het contrast was zo groot dat deze economische apartheid wel tot verontwaardiging onder Timorezen moest leiden», aldus Steele.

Maar er was hoop. Oost-Timor beschikt over olie- en gasvelden in de zee die het samen met Australië deelt (zie kadertekst). Toen Steele het Office of the Timor Sea van untaet bezocht, trof hij twee buitenlandse junior juristen aan die samen met een Amerikaanse diplomaat als enigen op vaste basis belast waren met het olie- en gasdossier. Waarom werden er zo weinig mensen op een dossier gezet dat de economische toekomst zou bepalen? vroeg Steele zich af. «Het was absurd om Oost-Timor af te doen als een arm land. Het zou bij wijze van spreken een soort Qatar kunnen zijn.»

Ook werd untaet geplaagd door schandalen. Jordaanse militairen bleven ongestraft nadat ze zich schuldig hadden gemaakt aan seksueel misbruik van kinderen en vrouwen.

De mengelmoes van expats bleek eveneens problematisch. Toen twee Nederlandse journalisten het politiebureau in Dili bezochten, zagen ze in de gangen een stoet aan nationaliteiten aan zich voorbij trekken: agenten uit Samoa, China, Oekraïne, Egypte, Canada, Pakistan, de Verenigde Staten en Portugal. Uiteindelijk schudden ze de hand van de hoogste politiebaas: een Braziliaan. In totaal leverden veertig landen agenten voor de missie. Deze bonte verzameling had de taak om orde te handhaven en te helpen bij het opbouwen van een respectabele Oost-Timorese politiemacht. Timorese rekruten werden on the job getraind door agenten uit landen die het niet zo nauw namen met mensenrechten.

Sebastiao Guterres herinnert zich dat Timorese agenten daarnaast een training van drie maanden kregen van experts uit Portugal, Australië en Maleisië. «Je kunt niet van rekruten verwachten dat ze na zo’n korte training als professionals kunnen optreden. Ook kregen ze weinig over ethiek te horen. Bovendien hadden de trainers verschillende ideeën over politiewerk. Als de Timorese politiemensen samen moesten salueren, wisten ze niet of ze dat op Australische, Maleisische of Portugese manier moesten doen. Uiteindelijk deed iedereen maar wat, ook wat betreft de politierichtlijnen.»

En adviseur Dunn kritiseert de opleiding van het nieuwe Timorese leger, die pas een klein jaar voor de onafhankelijkheid begon. «Ze hebben geleerd te schieten en marcheren, maar niets over de essentiële rol van een neutraal leger in een democratie. Als er dan een crisis is, gaat het ook meteen mis. De trainers kwamen uit Australië en Portugal, de plannen van King’s College in Londen. Ik vroeg me af of die opleiding wel toegesneden was op de situatie in Oost-Timor. Veel militairen waren ex-guerrillastrijders. In de jungle hadden ze alles te vertellen gehad. Nu was opeens de politie verantwoordelijk voor openbare orde, en bleef voor soldaten niets over dan wat marcheren. Dat leidde tot spanningen tussen de twee veiligheidsapparaten.»

Toch werd untaet als een successtory gepresenteerd. Na tweeënhalf jaar stonden een gekozen president, ministers en een parlement klaar om in 2002 bij de formele onafhankelijkheid de macht over te nemen. Velen hadden hun sporen in het verzet verdiend, maar beschikten nauwelijks over bestuurlijke ervaring. Anderen, zoals premier Mari Alkatiri, kwamen terug uit ballingschap en ontbeerden voeling met de bevolking. Tot overmaat van ramp kwam de politiemacht in handen van Rogerio Lobato, die in ballingschap in Angola een strafblad had opgebouwd. Als minister van Binnenlandse Zaken van Oost-Timor begon hij met het opzetten van twee paramilitaire groepen en voorzag de politie van zware wapens.

«untaet ondernam veel goede activiteiten, maar het was oppervlakkiger dan veel mensen denken», oordeelt Dunn. Hij ziet een direct verband met de huidige crisis. «Vooral het leger heeft bij de eerste test gefaald.»

De gewezen diplomaat doelt op de recente geweldsuitbarsting die zijn directe oorzaak heeft in de staking in februari van een paar honderd soldaten uit het westen van het land. De stakers beweerden te worden gediscrimineerd ten opzichte van hun collega’s uit het oosten. In maart werden bijna zeshonderd stakers (op een leger van veertienhonderd manschappen) ontslagen. Hun demonstratie in april liep uit op rellen. Eind mei voltrok zich een veldslag tussen eenheden van de politie, leger en muiters. Nadat reguliere soldaten zich terugtrokken in kazernes, muiters naar de bergen vluchtten en de politie uiteen was gevallen, ontstond het machtsvacuüm waarin jeugdbendes en criminelen plunderend en brandstichtend door de stad trokken. De regering zag geen andere mogelijkheid dan bevriende naties om militaire bijstand te vragen.

De oorzaak van het huidige falen van het veiligheidsapparaat in Oost-Timor is deels terug te voeren op het functioneren van untaet, stelt ook Charmain Mohamed, onderzoeker voor Oost-Timor en Indonesië van Human Rights Watch. De opbouw van politiemacht en leger voldeed niet aan internationale maatstaven. «Het resultaat daarvan zien we nu met de laatste geweldsuitbarsting.» De internationale gemeenschap heeft, volgens Mohamed en Dunn, het land te snel losgelaten. «De VN moeten terug naar Oost-Timor. Maar dan moeten ze wel lessen trekken uit het verleden. Naast andere gebrekkige instituties moet vooral het veiligheidsapparaat onder de loep genomen worden. Want als politie en leger niet goed functioneren, wordt het chaos», aldus Dunn.

Tjitske Lingsma deed in de jaren 1998-2001 als freelance journalist verslag van de gebeurtenissen in Oost-Timor en werkte in 2001-2002 als voorlichter van de grondwetgevende vergadering

«Viva Australië», riepen Oost-Timorezen toen de eerste Australische troepen op 25 mei op het vliegveld van Dili arriveerden. Het tafereel leek een herhaling uit 1999 toen de door Australië geleide internationale troepenmacht in Oost-Timor landde. Maar volgens Hamish McDonald, Azië-expert van de Sydney Morning Herald, was het optreden toen minder heroïsch dan velen geloven. In de onderhandelingen over de olie- en gasvelden die zich onder de zee tussen Australië en Oost-Timor bevinden, heeft Canberra zich namelijk hard opgesteld. Australië weigerde internationale arbitrage over de maritieme grenzen die Oost-Timor een groter deel van de opbrengsten zou geven. Australië vreesde voor een precedent, waardoor ook Indonesië zou kunnen aankloppen voor wijziging van de oude zeegrenzen die nu nog voordelig voor Australië uitpakken. In ruil voor die deal heeft Australië als enige land ter wereld destijds de annexatie van Oost-Timor door Indonesië erkend. «We pretenderen de good guys te zijn, maar in werkelijkheid is Australië meedogenloos», aldus McDonald.

De Oost-Timorese premier Alkatiri toonde zich echter een geduchte tegenstander en wist er bij de besprekingen het maximale uit te halen. Door de stroeve onderhandelingen is pas dit jaar een akkoord tussen Canberra en Dili getekend. Oost-Timor heeft daardoor langer dan nodig moeten wachten op olie- en gasinkomsten die het land tien miljard dollar zullen opleveren.

De jongste militaire interventie in Oost-Timor past bij het imago van politieagent van de regio dat Australië zich wil aanmeten. Op de Solomon Eilanden leidde Australië in 2003 een vredesmacht om een einde te maken aan onlusten, waarna zelfs regeringsposten in handen van buitenlanders kwamen. «Er wordt veel gediscussieerd over onze speciale strategische rol ten aanzien van kleine landen variërend van Timor tot Fiji. Maar het is een beetje ambitieus voor een land als Australië met een vrij klein leger om de imperiale macht in de regio te zijn», aldus McDonald.

Inmiddels heeft de Australische minister van Defensie, Brendan Nelson, opgeroepen tot een brede regionale coalitie om de orde in Oost-Timor te herstellen. «Het is in het belang van ons allen dat we geen falende staten in onze regio hebben. We kunnen het ons niet veroorloven dat Oost-Timor een van hen zou worden, en daarmee misschien een haven voor internationale misdaad of terrorisme wordt», aldus Nelson.