24 januari 1923 – 25 november 2012

Simeon ten Holt

Hij was een bezeten componist die de wereld groter maakte. In Canto Ostinato uitte hij wat hemzelf oversteeg.

Voor de leek zijn grootmeesters de mannen van dat ene stuk; de Air van Bach, de Canon van Pachelbel, dankzij Rieu De Wals van Sjostakowitsj. Simeon ten Holt zal voor altijd de componist van Canto Ostinato blijven, het reuzenwerk voor een of meer piano’s waarin de kluizenaar uit Bergen, eenling van beroep, zijn eigen toon vond. Uitgerekend dat stuk, controversiële trendbreuk in het nog door modernistische beginselen getekende muziekklimaat van de jaren zeventig, werd een soort hit. Tot de dag van vandaag ontmoet je mensen zonder enige muziekkennis die zweren bij Canto Ostinato, dat ze opvallend vaak ervaren als uitzondering op een nooit getoetste regel, met de gebruikelijke dooddoeners omkleed: ‘Ik houd niet van klassieke muziek, maar dit vind ik wél mooi.’ Is die populariteit verklaarbaar?

Goed, Canto Ostinato (1976-1979) was mooie muziek in een tijd waarin schoonheid, in de betekenis van ‘welluidendheid’, voor de meeste vakbroeders niet de hoogste prioriteit leek te hebben. Ten Holt hanteerde een repetitieve techniek met de betrekkelijke laagdrempeligheid van het genre, harmonisch toegankelijk en zonder ritmische weerhaken, mooi zonder maren. Anderzijds was zelfs Philip Glass, koning van de minimal music, met zijn luistervriendelijke klankstromen nooit volkscultuur geworden. En Ten Holt was bepaald niet de André Rieu van de hedendaagse muziek. Hij had in zijn geboorteplaats Bergen gestudeerd bij de wonderlijke Jacob van Domselaer, vriend en bewonderaar van Mondriaan, was in 1949 naar Parijs vertrokken om zijn licht op te steken bij Honegger en Milhaud, experimenteerde met het voor zijn generatie nog niet obligate serialisme, organiseerde terug in Nederland concerten en publiceerde artikelen in het tijdschrift Raster. Een bezeten artiest, geval van interessante marge.

Het is uitgesloten dat Ten Holt naar de tonaliteit terugkeerde om zijn fortuin te maken. Daar is een stuk als Canto Ostinato met zijn hoge bewerkelijkheid en excessieve lengte niet het aangewezen middel voor. Sterke benen zijn vereist; al naar gelang de keuzes die Ten Holt zijn instrumentalisten toestond kan het uren duren. Canto Ostinato trof zijn nieuwe aanhang niettemin als een bliksemslag. Ten Holt werd een cult­held. Met hun cd-opname van het werk oogstten de pianisten Polo de Haas en Kees Wieringa in 2001 een gouden plaat voor de eerste vijftienduizend verkochte exemplaren, waar het niet bij zou blijven; ten tijde van de uitreiking lag dat aantal al veel hoger. Nog opmerkelijker was wat Canto Ostinato bij de fans teweegbracht: meer dan eens zagen ze het als keerpunt in hun leven. Het tastbare bewijs is de gedramatiseerde documentaire About Canto van Ramon Gieling over Ten Holt, waarin bekeerlingen vertellen over hun ommezwaai.

Ten Holt-specialist Kees Wieringa drukt zich relatief voorzichtig uit. ‘Een rode draad in mijn leven’, noemt hij Canto Ostinato. ‘Het is sociale muziek. Het maakt de wereld wat groter.’ Actrice Halina Reijn, ook geraakt, noemt het ‘muziek die je het gevoel geeft dat alles nog kan’. Curieuzer is de vrouw die een kind ter wereld bracht op de tonen van Canto Ostinato. ‘Het is alsof die muziek is gecomponeerd door iemand die heel goed weet hoe je lichaam in elkaar zit.’ Er is de man, ex-deejay, die ter nagedachtenis van zijn moeder, met wie hij zijn Ten Holt-­beleving deelde, een partituurfragment uit Canto Ostinato op zijn lijf heeft laten tatoeëren (hulpeloos lief: ‘Canto was echt ons ding’). Nu is ze dood, maar door de tattoo blijft ze altijd bij hem. ‘Ik had echt het gevoel dat mijn moeder weer bij me terug was.’ De kijker ziet de zieke man, geen idioot, die denkt dat hij dankzij Ten Holt een hersenoperatie heeft overleefd, met aangedane plechtigheid bekennen: ‘Canto is bijna een van mijn eigenschappen geworden.’ Vervang in deze fascinerende film ‘Canto’ door het woord ‘god’ en je hebt een bekeringscampagne die de EO niet zou aandurven.

Wat te zeggen? Die mensen zijn niet gek. Wat hebben ze gehoord in Canto Ostinato? Je bent geneigd te zeggen: niets bijzonders. Dit is ogenschijnlijk traditionele muziek met als meest kenmerkende eigenschap een constante, nergens door heftige conflicten geschonden weemoed, serene mellowness die majeur noch mineur is, langzaam verkleurend door middel van onmerkbare ritmisch-harmonische transformaties. Daarmee wordt het muziek die nergens op het oor drukt en misschien is dat haar pointe; Canto verdraagt gezelschap, nabij zonder zich op te dringen. Dat sluit aan bij wat Ten Holt zelf in Canto had bespeurd; ruimte. ‘Ik was zeer verrast mezelf op een dag aan te treffen in dit steppe-achtige landschap, gekenmerkt door een immense horizon, weidsheid, ruimte en tijd en, niet in de laatste plaats, door tonale centra en tonaliteit.’

Maar, waarschuwde hij, normale tonaliteit was het niet. Het was tonaliteit na de dood van de tonaliteit, als post-taal de gereflecteerde terugblik op de traditionele harmonische taal die hij, getuige zijn exquise geschreven Bagatellen voor piano (1954) al zo vroeg voortreffelijk beheerste. ‘Hoewel ik gebruik maak van traditionele harmoniek, heb ik de elementen van spanning en ontspanning bevrijd en tot muzikale objecten gemaakt. De luisteraar hoort weliswaar herkenbare akkoorden, ze volgen niet het conventionele muzikale traject omdat ik ze heb geïsoleerd.’ Hij had de druk van de ketel gehaald, als het ware, en daarmee zijn kleine expressieve wil geofferd aan een hoger doel, een sensatie van egoloze vrijheid. ‘Ergens’, zegt hij in een interview, ‘wil je tot uitdrukking brengen wat jezelf overstijgt ergens, wat in een wereld terechtkomt waarin je bevrijd bent van jezelf.’ Ziedaar. Dat moet het zijn geweest.

Hij ging er tot vlak voor de eeuwwisseling mee door. Toen was het vat leeg en legde Simeon ten Holt zonder omhaal de pen neer. ‘Ik had het laatste woord gezegd, en als je niks meer te vertellen hebt moet je ophouden.’ In 2009 verschenen zijn memoires, Het woud en de citadel. Klaar. Hij zal in vrede zijn gestorven.