Simon Hijman Levie 17 januari 1925 – 12 juli 2016

Onder Simon Levie kwam het Amsterdams Historisch Museum tot stand en zonder zijn inzet zou het Rijksmuseum niet het kenniscentrum zijn geworden dat het nu is.

Het speelt in september 1958. In het Instituut voor Kunstgeschiedenis in Groningen was een plan ontwikkeld om een meerdaagse bustocht te organiseren om kunst te zien, want daar was niet zoveel van in Groningen. De voorname heren die daar toen kunstgeschiedenis studeerden hadden een doorwrocht reisplan gemaakt, maar er was één probleem: niemand van hen wist hoe je een bus moest huren. Gelukkig kende onze leermeester professor Schulte Nordholt iemand in het instituut in Utrecht, die heel bekwaam was in praktische zaken. Hij heette Simon Levie. Ik kreeg als jongerejaars die er niet al te wereldvreemd uitzag de opdracht om per trein naar Utrecht te reizen om mijnheer Levie te vragen hoe je een beschaafde bus moest huren. Simon en ik wisten meer dan een halve eeuw later nog hoe vrolijk die eerste ontmoeting was. Vrolijk, omdat wij opgewekte mensen waren, maar ook omdat wij ons vrolijk máákten over de kunsthistorische wereld, waarin wij samen na Simons uitleg de enigen zouden zijn die verder konden komen, omdat wij als enigen zouden weten hoe je een beschaafde bus moest huren.

Dit verhaal is kenmerkend voor wat ik in Simon het meest heb leren bewonderen. Dat is zelfredzaamheid. Van die zelfredzaamheid van Simon hebben de musea onder zijn leiding enorm geprofiteerd. Zelfredzaamheid was voor Simon niet zomaar een nuttige eigenschap, maar een levensnoodzaak. Opgewekt de dag weer kunnen beginnen, ook al was de dag ervoor nog zo moeilijk en duister.

In het halve jaar van 1989 waarin we de directeurskamer van het Rijksmuseum deelden, heb ik veel van die opeenvolgende dagen meegemaakt. Simon wist verschrikkelijk goed hoe het museum werkte en ‘hoe de hazen lopen’. Voor een zelfredzaam iemand als hij waren twee onderdelen van zijn taak moeilijk: politiek en publiciteit. Politici en bewindvoerders bemoeiden zich met dingen waar ze geen verstand van hadden en journalisten schreven altijd iets anders op dan je gezegd had. Inspraakorganen waren ook vaak lastig. Soms dacht ik dat Simon onder de soevereine rust waarmee hij debatten voerde alleen maar vroeg: ‘Laat mij nou maar, dan komt alles echt wel goed.’ Simons jeugd, waarin hij die levensnoodzakelijke zelfredzaamheid had ontwikkeld, was een gebied ‘where angels fear to tread’, om met E.M. Forster te spreken.

Waar Simon en ik veel over praatten in dat halve jaar was Italië. Wij verkneukelden ons erover dat met mijn komst het Rijksmuseum weer een directeur zou krijgen die zich had gespecialiseerd in de kunst van Italië. Sinds 1959 was de hoofddirecteur van de Nationale Schatkamer een italianisant. Sjeu van Schendel, Simon en ik waren alledrie gepromoveerd op Italiaanse onderwerpen. We hadden ook alle drie geruime tijd in Italië gewoond, maar de omstandigheden waaronder waren totaal verschillend. Sjeu was in Florence op het gymnasium, terwijl zijn vader Arthur op het strand van Forte dei Marmi oer-Hollandse romans schreef. Ik genoot als student van mijn werk in Rome, Florence en Siena, ook vanwege de afstand tot het ouderlijk huis in Groningen. Toen Simon terugkwam uit Bergen-Belsen had hij geen ouders meer. Een kennis van zijn omgekomen ouders die zich zijn lot aantrok liet hem naar Rome gaan om daar kunstgeschiedenis te studeren. Hij was van mening dat Nederland toen niet het juiste klimaat bood voor een jongen in zijn omstandigheden. Gelukkig vond Simon in Italië iemand die veel voor hem heeft betekend. Dat was de directeur van de Pinacoteca in Siena, Enzo Carli. Merkwaardig genoeg was dat ook degene die mij jaren later begeleidde bij mijn onderzoek. Er was dus genoeg stof uit zijn studententijd om wél over te praten. Bijvoorbeeld waarom hij toen naar Basel ging waar hij zijn proefschrift schreef over de befaamde leerling van Michelangelo, Daniele da Volterra.

‘Laat mij nou maar, dan komt alles echt wel goed’

Toen Levie in 1953 terugkwam in Nederland werd hij conservator in het Centraal Museum in Utrecht. In 1955 ontmoette Simon Mary Lion. Ze vielen meteen voor elkaar en trouwden ‘overnight’. Binnen de kortste keren veranderde Simon van iemand met ‘treurige hondenogen’, zoals een tijdgenoot opmerkte, in een opgewekt mensenkind. Vele jaren later vroeg ik hem hoe hij dat zoveel jaren had kunnen volhouden. Hij zei: ‘Omdat ik verder gelukkig ben kan ik er tegen.’

In 1963 vertrok hij met Mary en hun drie kinderen van Utrecht naar Amsterdam om daar een nieuw museum te beginnen. De gemeente had het voormalig Burgerweeshuis aangekocht om daar het Amsterdams Historisch Museum van te maken. Ook kreeg hij de leiding over Museum Willet-Holthuysen en de Waag, waar toen ook het Joods Historisch Museum was gevestigd. Hij werd bouwpastoor en schiep veel vreugde uit de contacten met architecten en bouwers. In 1975 werd hij tot zijn verrassing gevraagd om hoofddirecteur van het Rijksmuseum te worden. Van de ene op de andere dag werd hij leider van de grootste museale instelling van ons land.

Deze dagen is er in de publiciteit gelukkig ook aandacht besteed aan Simons bekwaam loodsen van het Rijksmuseum door de bezuinigingen van begin jaren tachtig. Doordat Simon toen de wetenschappelijke potentie van het museum intact heeft gehouden is het Rijksmuseum nu veruit het belangrijkste kunsthistorische kenniscentrum van ons land. Wat nog steeds vrijwel geen aandacht heeft gekregen is dat tijdens Simons directoraat door Wim Quist in 1984 de eregalerij weer is opengebroken om uitzicht te geven op de Nachtwacht als het nationale hoofdaltaarstuk. Na de heropening in 2014 beleden Simon en ik soms voor elkaar onze liefde voor die strakke, witte, grootse ruimte, die gecalviniseerde kathedraal van Wim Quist.


Deze tekst is een bewerking van een toespraak tijdens de begrafenisplechtigheid op 16 juli

Beeld: 1983 (ANP)