21 augustus 1918 - 15 november 2011

Simon Jelsma

Simon Jelsma, voormalig pater, richtte de Novib op. Hij was een idealist pur sang, maar wel een die zijn dromen praktisch wist te maken. Bijvoorbeeld door de Postcodeloterij te bedenken.

SIMON JELSMA, de onvermoeibare vader van de derdewereldbeweging in Nederland, heeft het allemaal meegemaakt. In de jaren vijftig moest hij het woord ‘ontwikkelingsbijstand’ nog spellen, zo onbekend was het idee dat rijke landen arme landen zouden moeten helpen. De laatste jaren heeft hij kunnen ervaren hoe de aanvallen op wat inmiddels ontwikkelingssamenwerking was gaan heten steeds scherper werden. Het helpt niet, het geld verdwijnt in de zakken van corrupte leiders en anders wel in een bodemloze put. Een linkse hobby, dat is het.
Jelsma was er niet minder strijdbaar om. In een toespraak in 2006 haalde hij het toenmalige VVD-Kamerlid Zsolt Szabó aan, die stelde dat ontwikkelingsorganisaties zich zouden moeten schamen over het tekort aan resultaten. Jelsma draaide het om: niet ontwikkelingsorganisaties moesten zich schamen, maar de hele internationale gemeenschap, omdat er op onze planeet nog steeds een paar miljard mensen zijn veroordeeld tot armoede en wanhoop.
Jelsma is altijd een idealist geweest, maar wel een die zijn dromen over een betere wereld praktisch wist te maken. Zijn werkende leven was hij journalist - onder meer bij Vrij Nederland, De Maasbode en de NOS - maar daarnaast richtte hij alle mogelijke derdewereldcomités op, wierf hij fondsen voor goede doelen en was hij medeoprichter van de Postcodeloterij.
Hij werd in 1918 in een katholiek nest in het protestantse Groningen geboren. Zijn vader werkte bij de PTT, maar hij wilde priester worden. 'Zoveel spektakel, zoveel theater: ik vond het prachtig’, zei hij in een interview met De Groene Amsterdammer. Hij bezocht het seminarie van de Missionarissen van het Heilig Hart in Tilburg, jaren die hij later zou typeren als 'een soort kindermishandeling, zij het verpakt in Brabantse gemoedelijkheid’. De jongens mochten er geen 'bijzondere vriendschappen’ op nahouden en naar huis schrijven was slechts een keer per week toegestaan.
In 1944 studeerde hij af. In het laatste oorlogsjaar verving hij de ondergedoken pastor van een parochie in Groningen. Daarna kwam hij in Den Haag terecht, waar hij ging werken voor Una Sancta, dat zich aan de binnenlandse missie wijdde. Jelsma ontwikkelde zich al snel tot een typische doorbraakkatholiek. Hij zag met lede ogen aan dat de zuilenmaatschappij na de oorlog doorging en begon met andere vooruitstrevende leden van de Katholieke Volkspartij gesprekken te voeren met katholieke sociaal-democraten. Zo ontstond in 1954 de 'Pleingroep’, naar het bovenzaaltje van een café aan het Haagse Plein waar ze samenkwamen. Ze bogen zich over vragen als 'Wat moeten we van de waterstofbom vinden?’, spraken over de apartheid in Zuid-Afrika en keerden steeds terug bij de ongelijk verdeelde welvaart in de wereld. Hun informatie over de Derde Wereld haalden ze uit stapels jaarverslagen van de Verenigde Naties; het thema was nog geen onderwerp van publiek debat, politieke partijen schreven er geen letter over in hun partijprogramma’s. Pas in 1965 kreeg Nederland een ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking.
In 1954 jaar begon pater-missionaris Jelsma ook met openluchtpreken, staande op de trappen van het gebouw van de Hoge Raad aan het Plein. De katholieke burgemeester van Den Haag verbood het gebruik van een geluidsinstallatie, maar door 'een stevige keel’ op te zetten bereikte hij soms duizenden mensen. Die toeloop relativeerde hij later: 'Er was nog geen televisie en we hielden ze alleen in de goed-weer-periode.’ Niettemin werd hij door zijn 'Pleinpreken’ bekend en wist hij publieke aandacht voor ontwikkelingshulp te genereren. Dat leidde in 1956 tot de oprichting van de Novib (Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand), waaraan hij dertig jaar verbonden zou blijven.
Nooit trad Jelsma officieel uit als priester, maar toen hij begin jaren zeventig ging trouwen zegden hij en zijn vrouw wel hun lidmaatschap van de kerk op. Laatste druppel was de encycliek van de paus die proclameerde dat het celibaat nooit zou worden afgeschaft en dat vrouwen nooit priester konden worden. 'Eigenlijk zijn het de grootste mensenrechtenschenders in de godsdienstige wereld’, zei hij tegen De Groene over de katholieke kerk. 'Daarbij vergeleken is de SGP maar een klein clubje.’
Nadat hij in 1983 met pensioen was gegaan bij de NOS zette hij zich vooral in als fondsenwerver. 'Bedelend ging ik rond. Totaal frustrerend was dat.’ Het deed hem verzuchten dat er een machine uitgevonden moest worden die duurzaam geld maakt. Die machine bedacht hij zelf, samen met onder anderen Boudewijn Poelmann, die hij van de Novib kende. Het werd de Postcodeloterij. De 'geldmachine’ groeide uit tot een groot succes. Werd eerst alleen geworven voor Novib, Vluchtelingenwerk en Natuurmonumenten, inmiddels zijn er tweeënhalf miljoen deelnemers en worden honderden miljoenen verdeeld over 81 organisaties op het gebied van mens en natuur.
Kritiek kwam er ook, omdat Jelsma en zijn medeoprichters zelf ook veel geld aan de loterij overhielden. Bovendien: hij heeft altijd voor een meer egalitaire samenleving gepleit en dan begint hij een loterij waarbij deelnemers in één klap miljonair kunnen worden. In De Groene verwees Jelsma naar 'de kleine economie van de hoop’ van Bram de Swaan. Loterijen zijn, aldus de socioloog, een rebellie tegen de predestinatie. Het kansspel helpt deelnemers te ontsnappen aan het idee dat je van een dubbeltje nooit een kwartje kunt worden.
En waarom, stelde Jelsma, kan het eigenbelang niet worden geïntegreerd in het algemeen belang? Dat is iets waar hij, naar eigen zeggen, zijn hele leven voor gestreden heeft. Waarom zouden goede doelen hun informatie op stenciltjes moeten drukken? Nee, hoe beter het doel, hoe beter ook de middelen moeten zijn.