Simon Koster leert het nooit

Simon Koster
Als ik Greta Garbo was
De Wereldbibliotheek (1934), 333 blz.

‘Ik ga in geen geval naar de bioscoop’, zei Mehring. ‘Goede films zijn er toch niet te zien en slechte maken we zelf.’ Dit milde cynisme is typerend voor de satirische roman die Simon Koster schreef over de Duits-Oostenrijkse filmindustrie in de vroege jaren dertig. Het boek schetst een onderhoudend beeld van deze bedrijfstak, die ook toen al werd beheerst door slimme en spijkerharde producenten, ambitieuze regisseurs die veel commercieel water bij de artistieke wijn moesten doen en acteurs en actrices met ego’s waarbij de Egyptische piramiden molshopen leken. Simon Koster (1900-1990) kende deze wereld goed, aangezien hij als Berlijns correspondent van de NRC tussen 1926 en 1934 veel over film en theater had geschreven. Over het hectische en opwindende Berlijn aan de vooravond van Hitlers Machtübernahme had hij in 1931 al de roman De razende saxofoon gepubliceerd. Als lid van de Filmliga zorgde hij ervoor dat veel Duitse en Russische films in Nederland konden worden uitgebracht.

In 1934 kreeg hij ook direct bemoeienis met de filmwereld. In dat jaar schreef hij het definitieve scenario voor Gerard Ruttens befaamde film Dood water, over de gevolgen van de afsluiting van de Zuiderzee. Twee jaar later schreef hij het scenario voor Lentelied, een film die hij ook zelf zou regisseren. Het was een dappere poging de knullige Nederlandse speelfilmproductie op een hoger plan te brengen, en vooral de prachtige opnamen van het Zeeuwse landschap waren zeer de moeite waard, maar het publiek kwam niet opdagen.

Als ik Greta Garbo was voldeed weliswaar niet aan de hoge literaire eisen die de mannen van Forum stelden – Ter Braak schreef: ‘Simon Koster leert het nooit’ –, maar het boek leest heel wat vlotter weg dan Hampton Court of Dr. Dumay verliest. Bovendien is het in literair-historisch opzicht interessant, omdat het iets vertelt over stilistische modes van die tijd. Het boek is erg wijdlopig, het keuvelt maar door, en van de ijzeren wet van creative writing-_goeroes – _don’t tell it, show it – had Koster nog nooit gehoord. Aardig voor lezers uit die jaren moeten ook de uitgebreide beschrijvingen van Italië, Dubrovnik en de eilandjes voor de Dalmatische kust zijn geweest. Dat was toen nog allemaal hoogst exotisch en hierdoor droeg het boek bij aan de ‘algemene ontwikkeling’ van de lezer.

Als filmmaker was Koster helaas niet bijzonder succesvol, zodat hij vooral als journalist de kost moest verdienen. In 1939 vertrok hij naar de Verenigde Staten, van waaruit hij pas in de jaren vijftig weer terugkeerde. Na de oorlog was hij geruime tijd de Amerikaanse correspondent van De Groene, in welke hoedanigheid hij niet alleen over cultuur maar ook over het rassenprobleem en het mccarthyïsme schreef. Na zijn Berlijnse en Amerikaanse jaren moet het bestaan als hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad vrij tam zijn geweest.