H.J.A. Hofland

Simsalabim van de democratie

Irak verdwijnt uit het dagelijkse nieuws. Veel later en op een heel andere manier dan de bedoeling was toen de oorlog begon, maar toch. Als de terreur of burgeroorlog geen ramp van ongehoorde omvang veroorzaakt, niet meer dan dertig Iraakse doden per dag oplevert, komt het niet meer op het NOS-Journaal. Als de Amerikaanse regering haar nieuwe politiek van verzoening jegens Europa volhoudt, is er kans dat Irak binnenkort op dezelfde manier zal worden behandeld als bijvoorbeeld Pakistan of Saoedi-Arabië. Daar is ook van alles aan de hand, maar de omvang van onze aandacht is niet toereikend om ons ermee bezig te houden.

De verrassing, het succes van de verkiezingen in Irak, heeft in het internationale debat over de toekomst van dit land opnieuw de toon gezet. Geen terroristisch bloedbad maar geestdriftige kiezers in de stemlokalen. Het heeft de radicaalste voorstanders niet minder verbaasd dan de twijfelaars en de tegenstanders. Op 30 januari heeft Irak in de meeste westerse media het begin van een nieuw imago gekregen. Alles bijna in orde: de democratie is in opmars.

Een jaar of zestien geleden was ik in Moskou bij een van die particuliere conferenties voor politici, academici en journalisten, tot bevordering van ontspanning en internationaal begrip. De Muur was nog niet gevallen, ik zag veel in Gorbatsjov, zijn ontspanningspolitiek, zijn glasnost en perestrojka. Daarmee, dacht ik, was de modernisering van de Sovjet-Unie, en dus van het hele Oostblok, definitief begonnen.

Op deze conferentie was ook de vroegere bondskanselier Helmut Schmidt. Ik verklaarde hem mijn optimisme. Hij schudde zijn hoofd, zei minzaam: «Beste man. Geloof het niet. Zelfs in de DDR zit het vuil veertig meter diep in de grond. En hier, na meer dan drie generaties, zit het even diep in de hersens van de mensen. Dat krijg je er in één generatie niet uit.» Als in een van de vroegere delen van het vroegere Oostblok weer iets is misgegaan, denk ik soms aan Helmut Schmidt.

Karl Marx en Friedrich Engels waren zeer westerse denkers. Het communisme is een politieke filosofie van onversneden westerse oorsprong. De politieke revolutie van 1917 heeft zich voltrokken in een land dat een industriële revolutie achter de rug had. In productiewijzen, organisatie, wetenschap is het land daarna zo modern gebleven dat het zijn «grote vaderlandse oorlog» heeft gewonnen, waarna het zich tot een wereldrijk heeft kunnen uitbreiden. Die supermacht heeft bijna een halve eeuw met succes het Westen weerstaan. Pas daarna is duidelijk geworden hoe diep de cultuur van de totale verzorgingsstaat had ingegrepen, hoe groot de achterstand in de algemene mentaliteit van het volk was geworden. Niet alleen in Rusland; in het hele Oostblok.

Toen kort na het begin van de oorlog onder minister Paul Wolfowitz en veiligheidsadviseur Condoleezza Rice verklaarden dat na de bevrijding van Irak de wederopbouw in een relatieve oogwenk zijn beslag zou krijgen, en daarbij verwezen naar Duitsland en Japan waar het ook voorbeeldig was gegaan, vroeg ik me af waar ze op school waren geweest en of ze ooit, al was het maar voor een paar dagen, ergens in het Midden-Oosten hadden rondgekeken. De wederopbouw van Duitsland en Japan bij voorbaat vergelijken met wat er in Irak zou moeten gebeuren: dat is politiek, etnologisch, sociologisch en historisch gesproken wartaal. Duitsland, een proto-industriestaat, had pas twaalf jaar eerder afscheid van de democratie genomen – minder dan een generatie – en Japan had zijn eigen industriële traditie.

Democratie is meer dan periodiek een biljet in de stembus stoppen, en ook meer dan een politieke filosofie. Het is een door twee eeuwen gegroeide bestaanswijze, langzamerhand gegroeid uit een alomvattende cultuur. Het is de bestaanswijze van de grote, dikke, grotendeels seculier opgevoede en welvarende middenklasse. Waar je ook bent in het Midden-Oosten, los van Israël, die middenklasse bestaat daar niet. Er zijn naties, volken, stammen, diverse vormen van de islam, er is een dunne regerende bovenlaag van machthebbers die onze democratie als hun vijand beschouwen en er zijn twee vormen van verzet: het fundamentalistische en het wereldlijke dat zich door het Westen laat inspireren.

Door de oorlog is «het Iraakse volk» van zijn dictator bevrijd. Daardoor kan het zich steeds meer tonen in zijn werkelijke gedaante, de gedaante van drie volken. Door de verkiezingen onthult het zich nader, in zijn verdeeldheid, met een meerderheid die zich achter een godsdienstige leider schaart: ayatollah al-Sistani. Een 74-jarige geestelijke die inderdaad democratie wil, maar het niet goedkeurt dat vrouwen een man een hand geven en warm voorstander is van de hoofddoekjes, en bestrijder van amusementsmuziek en ander entertainment. De sjiïtische leider streeft naar een theocratie die hem, als hij een Nederlandse imam was, regelrecht met de AIVD in aanraking zou brengen.

Ik zeg nu niet dat dit slecht of goed is. Ik denk zelfs dat al-Sistani na zijn stembusoverwinning zo veel mogelijk met rust gelaten moet worden, omdat hij, voor zover we dat kunnen beoordelen, de beste papieren lijkt te hebben om het land weer op orde te brengen. Dan maar een theocratie. Ik stel alleen vast dat democratisering van het Midden-Oosten volgens de neoconservatieve droom een fabel is uit Duizend-en-één-nacht; een vervolg op Alladin en zijn wonderlamp. Over een jaar of twintig kunnen we zien of het ding deze keer weer gewerkt heeft; of de tovenaars in Washington misschien toch gelijk hebben gehad, zij het heel anders dan ze ons nu proberen wijs te maken.