Sinds je weg bent

Het slotgedicht van Divina Noir (2010) van Jacob Groot draagt de titel gespleten zee en vangt aan met de gloedvolle regels: ‘Dit is mijn geloof// Afhandig maakt het me alles’. In al zijn beknoptheid is dit een geloofsbrief: hoe het niet-hebben, het verlies, het gebrek, het ongeloof als geloof (of andersom, noem maar hoe je het noemen wilt) je in staat stelt te creëren en het wonderbaarlijke te aanschouwen, inzicht te verkrijgen. Misschien moet ik ook het vervolg citeren:

Door het niet weer te geven
laat ik het me
welgevallen als ons gezamenlijke
gebrek
Het gaat om bijna niets

Ik vertel er ook niks bij

Omdat de zege vanzelf spreekt

De kwetsbaarheid is evident: maak aan het schitterende gebrek (dat ook op het gedicht zelf slaat) woorden vuil, en het is weg.

Na Divina Noir publiceerde Groot zijn megagedicht Nieuwe zon (2014) en nu is er een nieuwe bundel met de adembenemende titel Verlies me niet. Ik lees die titel als een opdracht, wanhoopskreet en formulering van ultieme eenzaamheid ineen. In 52 genummerde gedichten, gepresenteerd als één gedicht maar goed afzonderlijk te lezen, wordt rondom het fenomeen ‘verlies’ gecirkeld, met de eerste regels van gespleten zee in het achterhoofd. Het is een obsessief, hartstochtelijk en filosofisch boek, met gedichten die je terugwerpen op jezelf: snap ik wat hier staat, lees ik wel precies genoeg. ‘And the poem/ Has set me softly down beside you. The poem is you’, eindigt Paradoxes and Oxymorons van John Ashbery, en dat wonder voltrekt zich ook hier.

Wie verliest als iets of iemand verdwijnt, ophoudt er te zijn? Dat is niet alleen de achtergeblevene. Verliezen is geen handeling, en de machteloosheid die met verliezen gepaard gaat, wordt door Groot dikwijls aangrijpend verwoord door de zoekende, vragende, extatische en wanhopige zinnen te larderen met alledaagse frasen zoals: ‘Daar komt de auto’ of: ‘Vroeg ze je bonuskaart?’ Ook de eerste regels van het negende gedicht zijn hiervan een voorbeeld:

God, jongen, wat goed dat je zo snel kon komen

Ja, ik ben net op tijd om te kijken hoe het gaat om te verstrijken: klok
van de trommel die de was doet

Dit is je vuurdoop

We staan er gelukkig met z’n allen bij

Waarom vind ik dit ontroerend? Misschien omdat ‘hulpeloosheid’ hier zo kaal wordt neergezet. Ik zie een ouder en een kind voor me, een familie bijeen, een vanzelfsprekende, wederzijdse afhankelijkheid. En daarbij berusting en verschil van inzicht over onze oorsprong en afloop, en de aard van ons bestaan.

27

Wat ik verder nog wil weten is bijna niets nu ik je beter heb leren
kennen

Was ik, als ik anders was geweest, dezelfde geworden of zou je me
hebben verworpen zonder te onderzoeken of ik me had vermomd?

Onthoud dat je me bent vergeten

Voor minder doe ik het niet

Of had ik er al moeten zijn terwijl ik me vermomde als iemand die er
nog niet was?

Vergeet dat je me hebt onthouden

Meer kan ik niet voor je doen

Verlies me niet is verleidingskunst en dat is knap, want het is Groot duidelijk niet te doen om het particuliere of biografische, maar om het wezen van verlies en zijn vele facetten, om dat wat ons tot mensen maakt. De gedichten zoeken, vloeken, denken en verwerpen en dwingen me om het gedicht niet uit het oog te verliezen: ‘Wat is er eigenlijk veranderd sinds je weg bent?// Ook in je aanzijn was je soms volop afwezig.’ De drang van Groot om heel precies uit te drukken wat wellicht niet uit te drukken valt, maakt dat ik blijf herlezen wat ik niet helemaal blijf begrijpen. ‘Luister goed’, zegt gedicht 22:

Waar je voor je verdween opdat we je zagen diende te worden bezocht
op een specifieke, vaste plek, in een keuken of in een kamer of in een
kleine tuin naast een schuur, ten slotte steeds op dezelfde bank voor
hetzelfde raam in het onveranderlijke vertrek, waarna het bezoek
zich voltrok binnen een benoembare duur, af te lezen op een horloge
of een klok, waarvan met name de laatste door jou nauwlettend werd
gadegeslagen, zijn de rollen inmiddels ongedacht omgedraaid

Groot neemt de poëzie serieus, en daarmee ook de lezer. Wat ik zeg is soms lastig te volgen, zeggen deze gedichten, maar luister alsjeblieft.

Verlies me niet biedt, evenals eerdere bundels van Groot, de vreemde sensatie die Faverey zo pregnant verwoordde: ‘De lucifer,// conform zijn opdracht,/ communiceerde verbrandend.’ Een fragment dat op veel manieren kan worden geduid, maar ook uitbeeldt wat poëzie vermag: het bieden van inzicht dat buiten het gedicht niet te reproduceren is. Hierin is Groot een meester, omdat hij goed weet dat wat hij op het spel zet niet onmiddellijk behapbaar is: de lezer moet moeite doen. Dat is een opgave, beseft de dichter, zoals in het lange negentiende gedicht:

Luister jongen

Dit gedicht is voor jou maar pas op, het geeft zich niet onmiddellijk
prijs. Je moet het langzaam tot je nemen, het is namelijk
ondoorgrondelijk

No problem papa, laat het ondoorgrondelijk zijn, ik zou bijna zeggen:
laat het ondoorgrondelijke zijn

Als het gedicht plotseling bij de jongen ‘inslaat’ wordt hij, zo voorziet zijn vader, ‘zo integraal mogelijk opgezogen door/ het binnenstromende dagelijkse licht’. De jongen is ‘zowel in beginsel als uiteindelijk, nergens meer,/ ja verdwenen in wezen, foetsie’. De vader weet dat wij willen weten wat het gedicht uiteindelijk met ons doet, dat wij willen weten wie en waar wij zijn:

Maar papa, waar ben ik dan gebleven?

In het gedicht