Van volkskerk tot sekte

Sine pompa

Aan de vooravond van zijn vijfjarig jubileum als paus, op 19 april, wordt Benedictus XVI geplaagd door een crisis in de katholieke kerk. Volgens verontruste katholieken als oud-bisschop Bär is terugtrekking in het eigen bastion een volledig foute reactie.

‘Kleinzielige roddels’, zo beoordeelt kardinaal Angelo Sodano de niet-aflatende berichtenstroom over seksueel misbruik in katholieke internaten. 'Gelovigen moeten zich niet onder druk laten zetten door kletspraat van de heersende opinie’, zei hij op paaszondag ten overstaan van de paus, tot wiens vertrouwelingen hij behoort. Sodano duidt de affaire als een oorlog van de wereld tegen de kerk, van de duivel tegen God. Zijn verongelijkte reactie tekent de curie als een benauwde veste, alsof de heidenen op het punt staan de poorten van het Vaticaan in te beuken. 'Ze vallen ons aan!’ zo kenschetst filosoof Theo de Wit, verbonden aan de faculteit katholieke theologie van de universiteit van Tilburg, de afwerende reactie van de roomse curie. 'Bij de curie bestaat het verlangen deze affaire zo snel mogelijk af te sluiten. Ze willen de schade voor de kerk beperken door het onderhands op te lossen, op de vertrouwde wijze. Zonder ophef, sine pompa. Zo schermden zij vroeger ook de eigen clerus af. Bij de dossiers van priesters die moesten uittreden nadat ze waren bezweken voor een vrouw, zit vaak een briefje: sine pompa. In stilte afgevoerd. De pastoor is eenvoudig weg. Die neiging bestaat nog steeds. Geen ophef!’
De Wit is niet de enige onder de verontruste katholieken die in de reactie van hun kerk de impuls van een sekte herkennen. In het Benedictijner klooster in Chevetogne, waar hij in 1954 intrede deed, verbijt oud-bisschop Philippe Bär zich als hij ziet hoe zijn kerk zich opsluit in het eigen gelijk, als ware zij de Ark van Noach, omringd door vervuild water. 'Ach, mijn lieve kerk! Er zit zoveel blijdschap in jouw boodschap, zoveel positiefs ook. Dan vergiet ik hete tranen als dat door deze reactie aan het oog wordt onttrokken’, zegt hij. 'De fierheid gaat verdwijnen. Die prachtige kerk, met dat prachtige verleden, met die schitterende traditie, met alles wat zij heeft gedaan voor de westerse cultuur. Daar mogen we fier op zijn. Dat dreigt nu verloren te gaan. Daar lijd ik onder.’
In het ergste geval vreest ook Bär dat de katholieke kerk gaandeweg degradeert van volkskerk tot sekte. Hij deelt die vrees met de godsdienstsocioloog Staf Hellemans: 'Als je het gevoel hebt op een verloren post te staan, onbegrepen door de wereld, dan neig je tot sektarisme.’ Paul van Geest, hoogleraar patristiek aan de universiteit van Tilburg, herinnert aan de uitspraak van scp-directeur Paul Schnabel dat de kerk moet uitkijken dat ze niet te boek komt te staan als een 'curieus gezelschap’. Van Geest: 'De kerk moet veel meer de dialoog met de tijd aangaan, anders verwordt ze tot een soort museum voor antropologische folklore. Een instituut dat geen cement in de samenleving meer is. Dat zou tragisch zijn.’
Dat sektarisme verbaast bezorgde katholieken als Van Geest te meer omdat het wezensvreemd is aan de cultuur van het katholicisme. Die cultuur heeft zich door de eeuwen heen gevormd in een kerk die het geheel van het leven en het geheel van de mensheid wil omvatten. Daardoor wordt zij gekenmerkt door ruimte voor de gelovigen om hun eigen locale kleur aan het katholicisme te geven. Wat hen wereldwijd bindt is het gezamenlijke ritueel van de eucharistie. Dat geeft katholieken een relativerende inslag, iets lichtjes en losjes, zeker in vergelijking met de precisie en de geloofsernst van protestanten.
Philippe Bär: 'Katholieken zijn wat luchthartiger. We weten dat onze zonden ons altijd zullen worden vergeven. Dat is een reuze opluchting, ook al ben je geen echtebreker, geen dief, geen moordenaar. We hebben een zekere vrolijkheid in het leven.’
Theo de Wit: 'Gewone katholieken hebben eerbied voor de paus, maar soms vinden ze het een beetje gekkigheid wat hij van hen vraagt. In Italië staan duizenden vrouwen de paus bij een sermoen tegen voorbehoedmiddelen toe te juichen, met het condoom in hun handtasje. Ik herinner me nog dat mijn zus een lesbische verhouding kreeg, tot schrik van mijn moeder. Zij vroeg me: “Theo, lesbisch, wat is dat?” Ik zei: “Ik weet het ook niet precies, maar wat ik wel zie is dat mijn zus nu een stuk gelukkiger is dan vroeger.” En voor mijn moeder was het toen goed. Ze heeft de vriendin van mijn zus met open armen ontvangen. Dát is de katholieke cultuur. De cultuur van een volkskerk.’
Daarom neemt De Wit het katholicisme van de 'volksschrijver’ Gerard Reve wel degelijk serieus en doet hij het niet af als een pose of een bevlieging: 'Zoals zoveel geloofsgenoten maakte hij zijn eigen katholicisme, maar dan op hyperromantische wijze. Hij had veel op met Maria, maar verwaardigde zich ook te zeggen: “Jezus is een beetje een autoritair mannetje, een rigide type. Om zo'n tempel uit te vegen, wat is dat voor iets flauws! Ongezellige man!” Maria, die zeurt niet, zei Reve. Dat hebben veel katholieken. Mijn moeder was ook dol op Maria.’
De Wit bespeurt in de katholieke kerk een trend naar zuiverheid, zeker in de Nederlandse kerkprovincie. Dat is eveneens een verschijnsel van sektarisme. In zijn waarneming heeft de kerk besloten zich terug te trekken op de 'heilige rest’, het zuivere dogma. Allerlei recente gebeurtenissen in de Nederlandse kerkprovincie wijzen op zo'n zuiveringstendens, zoals de weigering van de hostie aan een homo en de kerkelijke censuur op liederen van Huub Oosterhuis, hoe populair ze ook zijn onder de 'gewone’ gelovigen.
Theo de Wit: 'We halen dat dooie hout weg en we houden een kleine groep over, recht in de leer en geleid door priesters die weten hoe het hoort. Deze gedachte spreekt uit het handelen van de katholieke kerk in Nederland.’ Hij ziet die tendens ook in de afschaffing van het buurtpastoraat in het bisdom Utrecht en de verhuizing van de priesteropleiding van het Ariënskonvikt, in de Utrechtse binnenstad, naar de Tiltenberg, in de duinen van Bloemendaal. In beide gevallen trekt de kerk zich terug uit het stedelijk leven met al zijn verleidingen. 'Het resultaat is dat de priesters in opleiding zich weer opsluiten in het internaat. Dat is een symptoom van de terugtrekkende beweging.’
Voor Paul van Geest is het denken van de kerkvaders, Augustinus voorop, nog altijd van een ongekende wijsheid. Hij zegt: 'Bij die terugtrekking op de heilige rest gaat mijn augustijnse geest behoorlijk kriebelen. Dat isolationisme kan geen goede vruchten voortbrengen en is in het denken van Augustinus dan ook uit den boze. Hij had een broertje dood aan christenen die menen dat de muren de kerk maken. Wat u zich als lid van de christengemeenschap moet realiseren, zei hij, is dat u niet kunt zeggen dat u integer bent en de anderen niet, alleen omdat zij geen deelgenoot zijn aan de sacramenten. In uw gemeenschap zit kaf en koren, en niemand kan weten of hij kaf of koren is.’ Van Geest vindt de preken van Augustinus ook nu nog bevrijdend: 'Wat hij hiermee zegt, is dat christenen de ander nooit moreel de maat mogen nemen. Want dat werkt slechts rigide isolationisme in de hand.’

Het beeld van de katholieke kerk als een benauwde veste in een vijandige omgeving is terug te vinden in Staf Hellemans’ historische schets van de moeizame verhouding die de kerk met de moderniteit onderhoudt. Hellemans tekende deze onlangs in een symposium aan de Vrije Universiteit. In de eerste honderd jaar na de Franse Revolutie domineerden de conservatieve ultramontanen de katholieke reactie op de moderne tijd. Uit hun houding sprak een zeker superioriteitsgevoel. De nieuwe, postrevolutionaire orde was in hun ogen onhoudbaar, areligieus als zij was. Een samenleving waarin het wereldlijke gezag zich niet schikt naar het kerkelijke gezag is voorbestemd om ten onder te gaan, meenden zij.
Die compromisloze houding veranderde met het aantreden van paus Leo XIII, de auteur van de roemruchte sociale encycliek Rerum Novarum (1891), waarin hij schreef dat de uitbuiting van de arbeider geen van God gewilde orde was maar groot sociaal onrecht. Hoewel de kerk onder Leo XIII bleef bij haar afwijzing van de wanorde van de moderniteit, liet zij het daar niet bij en ging ze de concurrentie aan, door de samenleving te penetreren met een zuil van katholieke organisaties, scholen, vakbonden, politieke partijen. Een complete katholieke tegenwereld kreeg vorm.
Dan volgt, met het aantreden van Johannes XXIII in 1958, een betrekkelijk korte periode waarin de katholieke kerk partner van de moderniteit wilde zijn, tot opluchting van een grote schare gelovigen. De paus nam het initiatief voor het Tweede Vaticaans Concilie, met de oproep 'de ramen te openen voor de frisse lucht van buiten’. Aan het einde van het concilie, in 1965, omarmden de bisschoppen de democratie, spraken zij zich principieel uit voor gewetensvrijheid en relativeerden zij het eigen heilsgelijk. Bovendien keerden zij zich tegen de kernwapenwedloop. Hellemans: 'Uit de titel van de belangrijkste constitutie die de concilievaders aannamen, Gaudium et Spes, Vreugde en Hoop, blijkt al hun optimistische boodschap voor de wereld. De katholieke kerk wilde samenwerken met alle mensen van goede wil, zoals Johannes XXIII zei.’
Maar de wittebroodsjaren van het concilie waren nog niet voorbij of in 1968 volgde de reactie van de weerspannige curie. Onder haar druk nam paus Paulus VI, Johannes’ opvolger, in de encycliek Humanae Vitae de beruchte passage op waarin de katholieke kerk de ban uitsprak over elk voorbehoedmiddel. Humanae Vitae zette volgens Hellemans de toon voor de conservatieve tegenreactie in de kerk, waarbij de paus en zijn getrouwen hun hakken in het zand zetten tegen hervormingen die in hun visie het katholicisme in zijn kern aantastten. Tot op de dag van vandaag wordt het handelen van de kerkleiding door deze tegenreactie gestempeld.
Hellemans: 'In hun zelfbeeld zijn zij een bedreigde minderheid, aan alle kanten omgeven door vijanden van het katholicisme. Daartegen stellen zij zich teweer. Inderdaad, dat kan tot isolationisme leiden.’
Philippe Bär: 'De kerk betaalt nu de tol voor hoe ze met de werkelijkheid omgaat. Door al te grote voorbeeldigheid gooit zij haar zegkracht te grabbel. De wereld gaat voort, de kerk blijft achter. Hoe kan zij dan nog haar goede werken verrichten? Destijds juichte de kerk, toen Johannes XXIII het concilie aankondigde. Eindelijk openheid! Maar de curie was nooit echt voor. Het gebrom daar was enorm. In plaats van zich op te stellen als partner van de moderniteit zegt de kerk nu weer: njet.’

De Wit acht de verkrampte omgang van de kerkleiding met seksualiteit symbolisch voor de gebrekkige ontvankelijkheid voor de moderniteit. Dat is spijtig, zegt hij, want zijn kerk zou met haar intuïtie voor fijngevoeligheden in menselijke verhoudingen een rol kunnen spelen in een herwaardering van de seksuele moraal. Die kans laat zij nu liggen.
Theo de Wit: 'Er is behoefte aan een bezinning op wat een mooie ars erotica is, om met Michel Foucault te spreken. Hoe ga je in de erotiek met de ander om, zodat seks meer is dan een merkwaardig soort gymnastiek? De commercialisering van de seks en excessen als meisjes die zich verkopen voor een Breezer maken dat debat noodzakelijk. Daar rust nu een taboe op. Er is in de omgang met elkaar behoefte aan ouderwetse woorden, zoals intimiteit, schroomvalligheid. Vroeger werd verlegenheid als charme gezien, vooral bij vrouwen, nu als iets waarvoor je in therapie moet. Ten onrechte. Schroomvalligheid, verlegenheid zijn eigenschappen die bij de mens horen als hij in de lichamelijke nabijheid van iemand anders verkeert. In die woorden zit de erkenning besloten van de niet-vanzelfsprekendheid in de menselijke toenadering. Je erkent het geheim dat de ander is en dat ook jijzelf bent. Daarmee begint elk goed menselijk contact, met het respect voor dat geheim.’
Volgens hem wordt al het waardevolle dat de katholieke kerk over de seksuele moraal te zeggen kan hebben aan het zicht onttrokken doordat zij alleen nog in geboden en verboden over seks spreekt. 'Door dat legalisme associëren mensen de kerk met de opgeheven vinger, met het condoomverbod, waarover 98 procent de schouders ophaalt.’
Oud-bisschop Bär is het met De Wit eens: 'Er is behoefte aan een ander verhaal over lichamelijkheid, met die seksuele outburst van nu. Of je nu kaas koopt of een auto, altijd staat er een blote juffrouw bij. Dat heeft de mensen geen geluk gebracht. Maar helaas, de leiding van de kerk trekt in haar verhaal over seks muren op waar mensen nauwelijks nog overheen kunnen kijken.’
Hij vervolgt: 'Ik heb nooit over de seksualiteit als zodanig gesproken, wel over de lichamelijkheid. God heeft ons geschapen als lichaam en ziel, en dat lichaam mag zijn deel vragen. We moeten ook helder zijn in het onderscheid. Seks vóór het huwelijk is iets anders dan seks buiten het huwelijk, een afwijkende seksuele geaardheid is iets anders dan losbandigheid, homoseksualiteit is iets anders dan pedofilie. Deze discussie is in de katholieke kerk nooit op gang gekomen doordat zij is tegengehouden. De curie heeft op alles een taboe gelegd, altijd met het argument dat de heilige vader anders bedroefd zou zijn. Daar betalen wij nu de hoge rekening van al die schandalen voor.’ Volgens Bär heeft de kerkleiding veel ellende veroorzaakt door alles te willen afdoen sine pompa, zonder ophef: 'Ik probeer een kind van deze tijd te zijn, dus wil ik de openheid betrachten die bij deze tijd hoort. Niet meteen zeggen: “Dat wil de kerk niet.” Het gemak, de pret van de discussie is iets van deze tijd én, naar mijn mening, iets van de katholieke cultuur met al haar levensvreugde. Maar helaas, de kerk heeft de mogelijkheden die bij die prachtige leefsfeer horen niet benut, integendeel. Niets mocht. Ik verschil hierover van mening met de heilige vader. Het is de hoogste tijd dat er wordt gesproken over het verplichte priestercelibaat. Dat moet ter discussie komen.’

Volgens Bär, De Wit en andere verontruste katholieken is terugtrekking in het eigen bastion de minst gepaste reactie op de ophef waarmee hun kerk deze maanden te kampen heeft. Juist de geslotenheid op de internaten schiep, in combinatie met de hiërarchische verhoudingen, de omstandigheden waarin seksuele excessen voor de buitenwereld onopgemerkt konden blijven. Dat gebeurde ook in andere 'totale instituties’, zoals kazernes, kostscholen en gevangenissen. Theo de Wit: 'Met het herstel van geslotenheid als ideaal revitaliseren ze precies dát wat de ontstaansgrond van dit soort excessen is geweest.’
Philppe Bär: 'De kerk moet juist de muren afbreken, zich openen voor dialoog, discussie aangaan over celibaat, homoseksualiteit, abortus, euthanasie. Gooi het open! Het is echt niet meer zo dat wat de kerk zegt voor de gelovigen wet is, voorzover het dat ooit is geweest.’
Paul van Geest: 'De kerk moet juist de dialoog met de wereld aangaan. Dat is ook wat het katholieke volk zelf wil, volgens mij. Zoals zoveel van mijn geloofsgenoten wil ik mijn godsbeeld doordenken in het licht van de maatschappij waarin ik leef. Anders weet niemand meer wat ik nu precies bedoel als ik zeg dat God mijn heiland is.’ Van Geest herinnert zich hoe het jezuïetencollege waarop hij zijn vorming kreeg hem juist een kritische zin jegens het eigen geloof heeft bijgebracht. 'Ik heb aan mijn middelbare school slechts goede herinneringen. Die jezuïeten daar deugden. Het waren integere, serene mannen, met een zeer intellectuele aanleg. Op het college daagden ze ons altijd uit het verhaal van de katholieke kerk kritisch te doordenken. Het inzicht dat we kregen aangereikt in de lessen klassieke talen was dat de goddelijke openbaring nooit in menselijke woorden kan worden gevat. Dat leert je relativeren.’
Geen van allen, Bär noch Van Geest, De Wit of Hellemans, overweegt met het katholicisme te breken. Ze voelen zich deel van een wereldwijde katholieke gemeenschap en willen de katholieke liturgie met al haar rituelen niet missen. Van Geest: 'Ik kan uit het katholicisme treden, maar daarmee is het katholicisme nog niet uit mij. De catholica omspant alle tijden en van dat geheel ben ik een deel. Dat is uniek.’
Bär: 'Dat alomvattende, die universaliteit. Ik houd van die katholieke moraal. Zij omvat het geheel van het leven en in dat geheel word je zó geholpen door die prachtige liturgie met zijn heilige sacramenten. Overal op de wereld hetzelfde ritueel. Dat verbindt de mensen met de onbekende ander en is ook een overlevering van het verleden naar het heden.’
De Wit: 'Dat is de grote kracht van de katholieke kerk, de herkenbaarheid van de rituelen. Ik heb vorig jaar mijn schoonzus begraven, 45 jaar oud. De dienst was een wonder van ingetogenheid en eerbetoon aan de overledene. Ik zou niet weten hoe het beter kan. In een protestantse dienst heb ik al gauw last van al dat geleuter en moet ik de hele tijd zingen. Waarom niet even stilte? Er zijn veel ervaringen in een mensenleven waarbij ons gebabbel overbodig en hol klinkt. Waarom niet even met een kaarsje of wat wierook aan de gang?’