Sing for your supper k. schippers

Met Gerard Stigter, alias K. Schippers, naar het zuiden. Naar een groot, hol, donker kasteel. Alwaar hij zijn roman ‘Eerste indrukken’ schrijft. Zijn reisgenoot houdt de keuken in de gaten. Gerard, complimenteus: ‘Lekker! Wat is het?’
‘HOE ZOU HET met Den Brabander zijn?’ Het antwoord laat zich raden. Maar dat is nog geen reden om de vraag niet te stellen. Wie het doet maakt niets uit. Hij, met de kaart van Normandië op de knieën, of ik, met het stuurwiel tussen de vingers.

‘Veel raven hier!’ Het klinkt zowel definitief als bewonderend. Bevestiging is na zoveel kilometers zwijgen niet nodig. Maar inderdaad, ze klapwiekten in onregelmatige groepjes, meestal drie of vijf (ideale aantallen voor een stilleven), over de heuvels.
Het suizen van de automotor geeft een behaaglijk gevoel. We hebben zeker al elf keer geconstateerd dat we zo plezierig als in een postkoetsje over de stille B-wegen snorren.
De klapband vlak na Den Haag moet als slordig maar fortuinlijk startschot worden geïnterpreteerd. Niet van belang wanneer je eenmaal goed op weg bent. 'Mon dieu quel bonheur, mon dieu quel bonheur d'avoir un mari qui bricole, d'avoir un mari bricoleur!’ zong ik. 'Kwart over tien!’ klonk het naast mij. 'Volgens mij hadden we hier rechtsaf gemoeten.’
'Ze knipte stropdassen af.’ 'Ook de das van Mannie Kleinkramer?’ 'Ja.’ 'En van Jaap Frank?’ 'Die draagt geen das.’ 'Nee, die speelt fluit. Toch hadden we rechtsaf gemoeten. Kijk, weer een raaf!’
We halen het desondanks. Mooie massieve steen, alles goed te lezen: ’D'ailleurs c'est toujours les autres qui meurent’.
’s Avonds in La Fille de l'Ambassadeur eten we een crispy poulet d'antan, met appelen uit de as, regionale kost die ook Duchamp het liefst at.
Vooruit gaat het weer. In de buurt van Mayenne, of was het Alençon, valt het op dat de warme machine voorin als vanzelf de namen van Vera Ellen, Mary Noothoven-van Goor en Wilfred Hyde White neuriet. Wij reizigers springen er direct op in met Willem Duif, Miles Malleson en Ben de Cock.
Staan wat langer stil bij Alistair Sim: 'You’re joking Marygold and not in the best of taste!’ en 'After this little andantino that you played with such a brio…!’
Het landschap begon al iets zuidelijks te krijgen. Onder een plataan zitten een paar mannen een potje domino te spelen: 'Wonderful game sir, wonderful game!’
Wat verderop zien we door het raam van een dorpsschool het onmiskenbare uiterlijk van een ,abominable headmaster’.
VAN DE OVERKANT van de Dordogne kijken we voor het eerst naar ons kasteel. Gehuurd van een even vriendelijk als fortuinlijk Amsterdams echtpaar. We wandelen door het aangenaam holle kasteel, kijken in alle koude en lege, donkere kamers en dalen af tot in de hoge keldergewelven, waar in gotische letters 'Wir fürchten nichts sonst Gott’ op de muur staat geverfd. Welke oorlog was dit nu weer? Wat zou dit kasteel niet allemaal hebben gezien?
Maar voor dat soort flauwekul is geen tijd. Vloeren moeten stofvrij worden gemaakt ('It beats as it sweeps as it cleans!’) en scheerkwast en bibliotheek uitgepakt. Het kasteel ruikt naar oud hout en ’s morgens naar koffie.
Na de eerste nacht ruilen we onze immense eenpersoons kamers in voor een gezamenlijk slaapvertrek. Rondwarende rode gedaante laat niet met zich spotten. Hij heeft van Johan te Slaa gedroomd, ik van Ton Kuyl.
Gerard dronk ’s morgens thee, ik koffie ( 'Do you mean that I get all this at such a low premium!). Zo brachten we ook op verschillende wijze de rest van de dag door.
Vanaf half elf klinkt vanuit een open, hoog gelegen raam het ontstaan, letter voor letter, van zijn roman Eerste indrukken. Ik lees wat, keek naar de twee buizerds die boven de rivier cirkelen. Ruik aan de wijn die de vorige avond gemorst is.op tafel. Gemengd met de geur van ongerookte Gauloises, die in dezelfde keuken met twee sloffen tegelijk uit een boodschappennetje staken. Vanaf het terras zijn de wijngaarden zichtbaar. Daarachter coulissen van verre bossen. Het blijft opletten voor een stadsmens.
'Hoe zou het met Madame zijn?’ Soms hoor ik hem zijn stoel achteruit schuiven en een sigaret opsteken. Soms verlaat hij tijdens het werk zijn kamer en komt hij de trap van het bordes af naar het grote grasveld voor het kasteel. Onze lounge en leestafel, waar ik op dat moment toevallig laurierbladeren pluk of het juiste gebrek aan confit de canard-varianten bestudeer. Verbaasd over een gebeurtenis waar de plot hem heen voert en zo geamuseerd dat het gedeeld moet worden. Gebaren en stem van de in het boek figurerende materieschilder rollen over het gras. Aan de rand van het groen houdt onze tuinman, de oude Jacoutet, zich bezig met het wegjagen van onzichtbare adders. Dat doet hij elke dag, het irriteert mij wel eens wat. Ik houd van reptielen. Ons gesprek lijdt er niet onder.
Het Engelse meisje heeft 'Palais de Dance’ gezegd. Ja, ook die extra hoofdletter sprak ze uit. Anderhalve meter van de rijweg verwijderd, schuin voor het monument dat net is gebouwd. In de Parisien draaide Kiss me Deadly. Nachtelijke fietstochten naar de filmliga om nog voor La coquille et le clergyman begint een pijprokende man te zien pijproken. Hij verkocht de kaarten, zei nooit iets. Wat je net zo makkelijk bijblijft als 'Vandaar dit pak! ’, bekentenis van hoge functionaris van het woensdagse filmmuseum staand voor het doek waarop even later Freaks van Tod Browning wordt geprojecteerd. 'Hoe zou het met Wim Ponica zijn?’
Zo kom je vanzelf op Ton Kuyl en Gerard Hartkamp, vandaar op zwaardvis. Hij houdt van zwaardvis. Die aten we op Mallorca, in Puerto de Andraitx. Ik vertelde van Wim de goudvis, maar dat was op de Outer Hebrides, februari 1971.
Op de terugweg langs Ronny Scott’s in Londen, om Maynard Ferguson te horen: Hot Canary.
HET IS TIJD om naar Branne te gaan en inkopen te doen. Vooral de jeunes cacahouettes voor bij de eerste avondwijn niet vergeten. Op de terugweg het vertrouwde spelletje kaart. Ook Clicky Bonbon en de vader van Hermans zijn van de partij.
’s Avonds staren we in het keukenvuur. Jammer dat ik niet van schaken hou en het bovendien niet kan. Reinold belt op. Hij komt op bezoek. 'Met Tine?’ 'Nee, met Eva!’ Hebben we daar over La muerta de una cyclista gepraat? Met Lucia Bose, de vrouw van Luis Miquel Dominquin, in de hoofdrol? Wel over The Three Stooges, hoewel ik daar nog nauwelijks aan toe was.
Wereldser bezienswaardigheden dan golvende akkers vol wijn zijn er niet. Anders dan bij een vorig - of was het volgend? verblijf in Le Haut de Cagnes. Waar musea: Picasso, Léger, zelfs Escoffier. En de Fondation Maeght, waar Giacometti hangt en staat. In Cagnes ook het Musée Château, waar de diseuse Suzy Solidor zich zowel door Marie Laurenin als Foujita en nog vijfentwintig anderen heeft laten schilderen. Suzy is dood, maar haar kortgeknipte oude vriendinnen scharrelen nog om haar antiekwinkeltje, en op het terras daar tegenover schreeuwt papegaai Coco zijn 'Papaaa! ’ De zalmgrijze angorapoes heet Frützella.
De stenen trap van de buren was nog door Soutine op het doek gezet. Courgettes als dikke tennisballen, gevuld met fijngehakt alpenlam aten we er. We eten lamprei uit de rivier. Smaakt als een mixage van spiering en edelhert. Hij houdt al heel lang van citroenijs, weet ook waarom. Vroeger lustte hij geen spaghetti maar nu wel. Altijd soep, heel veel soep. Gebakken eieren, met spek. Meegebakken?
Een kort verslag van een nooit gebeurd incident eindigt: 'Alleen aan de leverworst kon je zien dat het later geworden was.’
Speciale voorliefde voor dikke groene Mexicaanse pepers gevuld met een zachte pâté van gordeldier of aardvarken, maar het liefst kaas. Het mooiste compliment dat hij geeft: 'Lekker! Wat is het?’
Hij liet eens een wel heel merkwaardig lichaamsdeel zien. Een los oppervlak, de zwevende huid van zijn handpalm. Daarvan losgeraakt toen hij, als een van de ernstigste gevallen, was getroffen door de Planta-ziekte. Hij houdt ervan - ik heb het alleen van horen zeggen - om in bad te gaan met het weekblad Donald Duck en een kleine portable radio. Die om zijn geringe volume op de smalle rand van het bad is geplaatst. Als het vrolijke weekblad tot gevolg had waar het voor is bedoeld, kon er wel eens een schaterlach komen. Met dubbel risico. De mogelijkheid dat de radio in het bad valt en het water dusdanig doet opspatten dat ook de Donald Duck onbruikbaar wordt.
Drie genoegens: Donald Duck, bad en radio in evenwicht houden is wellicht het grootste plezier van zo'n badpartij. Lachen met gevaar voor klein lijfsbehoud.
OP EEN MIDDAG rijden we naar het niet ver verwijderde Saint Emilion. Mondain oord, vergeleken met Branne. Om er op het terras een glas Tertre Roteboeuf te drinken. Daar vertelt hij het verhaal van twee andere mannen, ook op een terras in Frankrijk. Hoornik en Achterberg.
De zon schijnt, ze zwijgen. Er hangt een wolk in de lucht. Een gewone wolk, die zich onder hun ogen langzaam, als een pauw die zijn staart opzet, ontwikkelt tot de wolk aller wolken. Sprakeloos kijken ze toe. De stem van Achterberg verbreekt de stilte: 'Ed, die wolk is van mij. Daar blijf jij af!’
ALLE DAGEN op Château de Blagnac zijn hetzelfde, alleen anders gekleurd. Een enkele keer viel er een mes. Snel opgeraapt door Albert Melhado, Tante Beatrijs, Chanan Blok of Jacoutet. Reinold kwam en zag eruit als een woudloper-light. Met botaniseertas. Reinold vertrok, niet nadat hij was gepromoveerd op Tristan Derême, we hem hadden zien staan in het oude Café Moderne in Libourne, en hem gevraagd hadden of hij de oom van Kees Lekkerkerker kende. Virginia Mayo, Tonny Schifferstein, mijnheer Jurriaans, Jacoutet. Toen ik hem vertelde dat zijn uitspraak 'Het belang van de landbouw wordt onderschat’, om half drie in een huis waar 'Trek/ De Beer en Leeren ’ op de wc-trekker stond, mij nog steeds ontroerde, keek hij puzzled.
'Op een feest bij Wim Ket’, drong ik aan. Het verlangen om je een naam, een woord, een regel of een formulering te willen of kunnen herinneren heeft geen naam. Toch is het niet bestaande met het niet bestaande te verbinden.
Op een dag rijden we in de kleine auto ook inderdaad weg: 'Like two peas in a pod. ’ Het ijzeren hek door, naar beneden bijna de Dordogne in. Een laatste groet aan de verkoper van jonge pinda’s. 'Lekker bakkie, schipper! ’ Achterom kijkend nog net gezien hoe Jacoutet door een adder wordt gegrepen terwijl een ander serpent er met zijn vrouw vandoor gaat.
Naar Amsterdam, omdat het een nog steeds groeiende voldoening geeft door Holsbergen te zijn aangetroffen op de Willemsparkweg en daar als 'de laatsten der boulevardiers’ te zijn thuisgebracht.
Lodewijk en Frits. Hendrik Bottenburg en Carl Carvalho. Henk Dragline.