MUZIEK Boudewijn Tarenskeen. Gemoedelijk en beklemmend

Sinistere waanbeelden

Wie een eeuw na Arnold Schönberg Erwartung boven zijn partituur schrijft, schept hooggespannen verwachtingen. Boudewijn Tarenskeen doet het. Met Wende Snijders als de neurotische Frau. ‘Wende slaat meedogenloos toe.’

WIE DOOR DE WERKENLIJST van Boudewijn Tarenskeen (1952) bladert, krijgt soms het gevoel een muziekencyclopedie te hebben opengeslagen. De Amsterdamse componist put namelijk graag inspiratie uit bestaande partituren. En niet de minste. Zo schiep hij met Mattheus Passie (2008) een eigenzinnige lezing van het door Johann Sebastian Bach getoonzette lijdensverhaal, baseerde hij zijn opera Parsifal (2003) op Richard Wagners legendarische Bühnenweihfestspiel en legde hij voor Elektra (1995) zijn oor te luisteren bij Richard Strauss. Ook voor zijn gloednieuwe kameropera Erwartung grijpt Tarenskeen terug op bestaande noten, die van Arnold Schönbergs gelijknamige monoloog voor sopraan en orkest. Eind januari zijn beide te beluisteren in de concertzaal: Schönbergs origineel in het Concertgebouw, Tarenskeens eigentijdse versie in het Muziekgebouw aan ’t IJ, waar het Nederlands Kamerorkest en zangeres Wende Snijders het werk in première brengen.
Gevraagd naar dat ongegeneerde grasduinen in de muziekgeschiedenis bekent Tarenskeen dat hij zichzelf graag een beetje pijnigt: ‘Het is een soort masochisme, denk ik. In de schaduw van zulke muzikale monumenten begin ik natuurlijk al met een achterstand.’ Een rake constatering. Want wie een dikke eeuw na Schönberg Erwartung boven zijn partituur schrijft, schept hooggespannen verwachtingen. En vragen. Waaronder de onvermijdelijke: 'Gaat hij dat beter doen dan?’
Ook opvallend: Tarenskeen neemt bij voorkeur theatrale genres als de opera of het oratorium als uitgangspunt. Een keuze die geheel in lijn ligt met zijn frequente samenwerking met toneelgezelschappen en theaterregisseurs. Zelf verklaart hij het een en ander aan de hand van de buitenmuzikale connotaties die besloten liggen in dergelijke muziek. 'Ik zou bijvoorbeeld nooit Weberns Symphonie op. 21 gebruiken. Dat is me veel te abstract. Mij is het juist te doen om muziek die een krachtig beeld oproept.’
Zo beschouwd is het niet verwonderlijk dat Erwartung al enige jaren op Tarenskeens verlanglijstje stond. Want in Schönbergs monodrama, geschreven in de nazomer van 1909, liggen die krachtige beelden voor het oprapen. Het werk wortelt stevig in het expressionisme, een stroming die rond de vorige eeuwwisseling opbloeide in de literatuur en de schilderkunst en uitblonk in extreme gevoelsuitingen. Exemplarisch zijn de neurotische zelfportretten van Egon Schiele, de panische Schreeuw van Edvard Munch of de beklemmende verzen van Georg Trakl. En men hoeft geen kunsthistoricus te zijn om te horen dat Schönberg in Erwartung uit datzelfde vaatje tapt.
Die duidelijke expressionistische toets heeft alles te maken met de revolutionaire klanktaal die hij in het stuk ontplooit. Want vooral op harmonisch gebied trad Schönberg ver buiten de gebaande paden. Het oude systeem van majeur- en mineurtoonladders, met zijn strenge spelregels voor de behandeling van dissonanten, was hem te benauwend. Dit omdat hij omwille van een grotere muzikale zeggingskracht nu juist streefde naar een harmonisch idioom waarin álle mogelijke tooncombinaties konden worden gevormd. Bij voorkeur de wat wrangere, want die hebben nu eenmaal een hoger expressief gehalte.
In die nieuwerwetse harmonie, vrije atonaliteit in jargon, bood enkel een innerlijk gevoelde Expressionslogik houvast. Gevoelsuitdrukking was immers wet. Of, zoals Schönberg tijdens het schrijven aan Erwartung berichtte aan zijn muzikale geestverwant Ferruccio Busoni: 'Mijn enige bewuste intentie is het nauwgezet verklanken van de stemming van de tekst.’

DE TEKST IN kwestie was afkomstig van Marie Pappenheim, een jonge geneeskundestudente die in Weense literaire kringen enige bekendheid had verworven met een viertal dichterlijke publicaties in Die Fackel. Het was de oprichter en uitgever van dit tijdschrift, Karl Kraus, die haar in de zomermaanden van 1909 voorstelde aan Schönberg. Die sloeg op zijn beurt spijkers met koppen: 'Schrijft u mij toch een operatekst, jufrouw!’ De rest is, wat men noemt, geschiedenis.
'Dat libretto, daar is natuurlijk wel het een en ander over te zeggen’, zegt Tarenskeen. 'Puur plotmatig gezien is het een vrij slap verhaal. Maar de psychologische dieptewerking, dat monomane, dat is ontzettend bijzonder. En het heeft natuurlijk van alles te maken met de psychoanalytische theorieën uit die tijd.’
In Erwartung hoeft men inderdaad niet lang te zoeken naar het gedachtegoed van een Sigmund Freud of een Josef Breuer. In het monodrama draait het namelijk om de verwarde binnenwereld van één enkel personage. Die Frau, zoals ze in de tekst wordt aangeduid, gaat in een naargeestig, maanverlicht woud op zoek naar haar minnaar. Dit omdat manlief niet is komen opdagen op hun nachtelijk rendez-vous. Haar speurtocht in het bos laat zich tegelijkertijd lezen als een verkenning van haar onderbewuste. Gaandeweg raakt Die Frau steeds verder verstrikt in een web van hysterische hersenspinsels, om zich uiteindelijk te verliezen in totale krankzinnigheid als ze op het gehavende lijk van haar geliefde stuit.
'Daarbij kun je je afvragen of zij haar geliefde niet zélf heeft vermoord’, zegt Tarenskeen. 'Daar kom je als toeschouwer namelijk niet helemaal achter. Pappenheims tekst zit vol met dat soort losse eindjes. Te meer omdat zij om de haverklap van stemming wisselt, wat natuurlijk erg goed past bij het beeld van een schizofrene vrouw.’ Schönbergs muziek volgt die psychotische hak-op-de-tak-structuur op de voet en laat zich beluisteren als een niet-aflatende stroom van onsamenhangende gedachten, kriskras heen en weer schietende emoties en plotselinge angstaanvallen. Zo kan het zomaar gebeuren dat een verstild arioso, vol herinnering aan vervlogen liefdesgeluk, plotseling wordt opgeblazen tot een spervuur van schetterend koper als sinistere waanbeelden de protagoniste de stuipen op het lijf jagen.
ONDANKS DIE op de spits gedreven contrasten wordt Schönbergs partituur bijeengehouden door een aantal karakteristieke klankschilderingen. De vele verwijzingen naar de maan bijvoorbeeld gaan telkens vergezeld van zilverachtige timbremengsels van harp, celesta en glockenspiel. De duistere schaduwen die zich ophouden tussen de knoestige boomstammen, krijgen een muzikaal beslag in krioelend laag hout.
Tarenskeen hanteert een soortgelijke strategie en begint zijn lezing van Erwartung met de introductie van enkele belangrijke leitmotiven. Tarenskeen: 'In de openingsmaten geef ik het publiek handvatten, die Wende Snijders bovendien uitdrukkelijk aankondigt: “Die Nacht!”, “Der Mond!”, “Der Schatten!”.’ Het orkest illustreert met beeldende instrumentaties, die ook in het verdere verloop blijven opduiken. Al worden ze gaandeweg verbasterd en met inmenging van enkele citaten aaneengeregen tot een onmiskenbare Schönberg-pastiche.
Die duidelijke stilistische vingerwijzingen naar Schönberg leiden in Tarenskeens Erwartung echter niet tot een toenadering tot het origineel. Daarvoor liggen de zinspelingen er te dik boven op; zijn ze te anekdotisch, parodistisch bijna. Tarenskeen speelt dan ook een spel met de verwachting van het publiek. Hij stuurt bewust aan op een vervreemdende relativering, die nog eens extra wordt onderstreept door het frappante optreden van zangeres Wende Snijders.
Want Snijders mag dan exact dezelfde tekst vertolken als Die Frau, en gekleed gaan in eenzelfde 'zarte, weisse’ jurk, zij identificeert zich aanvankelijk niet met de protagoniste. Zij interpreteert niet, maar presenteert. Als een soort Mies Bouwman ('goedenavond lieve mensen’) neemt zij het publiek bij de hand en vertelt ze schijnbaar onbewogen over de psychopathologische narigheid die door Pappenheim en Schönberg aan de kaak werd gesteld. Daarbij trekt Snijders zo af en toe zelfs een luisterfragmentje uit de kast: 'Sie horcht in den Wald’, fluistert ze, waarop het orkest met klikkende applicatuur, krassende strijkstokken en fluisterkoren voor ruisend spookbos speelt.
Dat gewiekste gebruik van muzikale dramaturgie ziet Tarenskeen als een noodzakelijkheid om niet te verzuipen in de overdreven hysterie die aan elke maat van Erwartung kleeft. 'En aan het monodrama in het algemeen, want in de twintigste eeuw is het toch een behoorlijk ranzig en voyeuristisch genre geworden. Vrijwel alle monodrama’s worden gezongen door vrouwen en het lijkt een wereldwijde componistenafspraak dat die vrouwen gebukt gaan onder hevige neuroses. De componist projecteert zijn eigen angsten op die zangeres en kijkt ernaar. Hij gebruikt haar.’
Ook Tarenskeen gebruikt zijn zangeres. Zij het niet als prooi, maar als middel. Als theatraal contrapunt. Zo weet hij afstand te bewaren ten opzichte van de muzikale mastodont Schönberg en lukt het hem om stand te houden tegenover het monument Erwartung en de verpletterende traditie van laatromantiek en vroege atonaliteit die eraan ten grondslag ligt. Dat voortdurende conflict tussen verleden en heden wordt de toeschouwer ondubbelzinnig onder de neus gewreven in een tergend lang instrumentaal tussenspel. 'Een concertante vorm van hysterie’, aldus de componist, waarin hij in de vorm van een verkapt dubbel-hobo-concert aan de haal gaat met Schönbergs hyperexpressieve idioom.
Snijders wordt tijdens de interlude het zwijgen opgelegd, maar blijft gedurende de volle twintig minuten pontificaal voor het orkest staan. Als vleesgeworden kloof tussen het fin-de-siècle-Wenen en het nu. 'Met haar ongelooflijke podiumprésence kan Wende dat als geen ander’, zegt Tarenskeen, 'te meer omdat zij als bekend chansonnière en zangeres van lichte muziek een volslagen vreemde lijkt in de expressionistische heksenketel die achter haar klinkt.’
Tegelijkertijd vormt het tussenspel een essentieel omslagpunt in Tarenskeens theatrale concept. Want door te luisteren naar de concertante waanzin achter haar wordt Snijders alsnog meegezogen in de krankzinnige binnenwereld van Die Frau. In de schrijnende epiloog die volgt, wordt het podium ten slotte haar podium. Ze verruilt haar spreekstem voor een pregnante zanglijn, keert zich naar binnen en laat het publiek aan zijn lot over. Zo speelt Tarenskeen in zijn Erwartung andermaal een spel met de verwachting van zijn toehoorders, want zo gemoedelijk als de avond begon, zo beklemmend eindigt ze: 'Wende slaat meedogenloos toe.’

Boudewijn Tarenskeens Erwartung gaat op zaterdag 21 januari in première. 20.15 uur, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Zie www.aaaserie.nl