Sinterklaas

Het sprak allemaal zo vanzelf. Je deed je eerste stappen, je zei je eerste woorden, je schreef je eerste zin, je ontdekte dat Sinterklaas niet bestond, je las je eerste boek, je kreeg je eerste zaadlozing, je schreef je eerste opstel, je ontdekte dat God niet bestond, je werd voor het eerst verliefd, je hield je eerste spreekbeurt…

Waarom sprak het zo vanzelf dat God niet bestond?
Ik kan me niet herinneren er diep over te hebben nagedacht. Je ging gewoon niet meer naar de kerk. Overbodig gedoe, vond je het. Achterhaald, zinledig. De wereld zonder God was veel uitdagender.
Ken ik mensen bij wie het niet zo is gegaan? Okee, sommigen van mijn beste vrienden zijn heidens opgevoed. Die tellen even niet mee. Maar bij al die anderen ging het net zo. Wie wel eens nadacht, wist dat God niet bestond.
Zal er ooit een moment komen dat ik Hem ga missen? Ik kan het me niet voorstellen. Ik kom best uit zonder God. Of zou een diepe crisis mij aan het twijfelen kunnen brengen?
Zo'n crisis als Lev Tolstoj had. Ook hij ontdeed zich jong van het geloof zijner vaderen. Alsof het om Sinterklaas ging. En dat gold voor iedereen in zijn geletterde kringen.
Tot hij, tegen de vijftig, wijs en beroemd, in een reddeloze crisis belandde. Iedere zin was uit het leven verdwenen. Zelfmoord was al wat restte.
Wat kan hij dat mooi opschrijven! Mijn biecht, zojuist verschenen bij uitgeverij Bijleveld, is een beauty van een boek. In kristalheldere redeneringen voert Tolstoj de lezer naar de enig mogelijke slotsom: dat het leven zinloos, ijdel en ellendig is. ‘Gelukkig is hij die niet is geboren.’
De 'mensen van mijn soort’, vervolgt hij, hebben daar vier oplossingen voor bedacht. Ze ontkennen de zinloosheid, ze nemen haar voor wat ze is, ze plegen zelfmoord, of ze doen alsof hun neus bloedt.
De laatste was ook Tolstojs oplossing: 'weten dat het leven dwaas is, een grap die met je wordt uitgehaald, maar desondanks leven, je wassen, aankleden, eten, praten en zelfs boeken schrijven’. Een oplossing die hem nu wanhopig maakt.
Maar wat dan? Tolstoj stort zich in een avontuurlijke redenering. Weg met de 'mensen van mijn soort’, zegt hij. Kijk naar de gewone mensen, die hebben geen moeite met de zin van het bestaan, die geloven gewoon in God.
Volgt een queeste door de wereld van het geloof. Waarin alles sneuvelt. De kerk, de leer, de rituelen, zij bevredigen niet. Wat blijft is het verlangen naar het geloof. 'Leef door God te zoeken, dan zal er geen leven zijn zonder God.’
Met een variant op een bekend gezegde luidt Tolstojs slotsom: Wie in zijn jeugd God niet loochent, heeft geen verstand; wie op zijn vijftigste God nog steeds loochent, heeft geen hart.
Ik ben nog geen vijftig, ik verkeer niet in een crisis. En ik was niet van plan mijn verstand verliezen.