Sinterklaas

De God van mijn jeugd zag veel en met zijn gehoor was ook alles in orde. Hij overzag ‘mijn zitten en mijn opstaan’, psalmzong ik in de kerk, al begreep ik niet helemaal wat dat inhield. Maar dat God niet schroomde ook op de kleinigheden te letten, was me wel duidelijk gemaakt.

Niet met de hulp van bijbelverhalen. Die gaan nooit over trivialiteiten, ook niet als het over zonde gaat. Afgodendienst, jaloezie, overspel, moord, doodslag en machtsmisbruik, daarmee heb je het wel zo ongeveer gehad, wanneer het in de bijbel gaat over de menselijke zwakheden. Als gereformeerd jongetje stond ik van dat grote werk toch wat verder af.
Mijn kennis over Gods oren en ogen en hun gerichtheid op de kleine, alledaagse ondeugden, ontleende ik dan ook niet aan de bijbel, maar aan het christelijke kinderboek. Zo zag God opmerkelijk veel in de door mij hoog gewaardeerde serie Niek van de bovenmeester. Terwijl ook bij een andere favoriete schrijver, de bekende W. G. van der Hulst, God een tamelijk rechtstreekse aansluiting bleek te hebben op de betreffende gewetens, als dat in verband met de daden van de hoofdpersonen noodzakelijk was. Ook, of beter: juist bij het kleine vergrijp.
Rechtstreeks had God daardoor nog het meest te maken met gedrag. Met alledaagse en minder alledaagse gebeurtenissen, van schoolcijfers tot en met ziekte en zelfs dood, had hij ook wel wat van doen, maar toch minder direct. God gaf mensen immers lang niet altijd wat ze vroegen. Zijn wil was belangrijker dan de jouwe. We hoorden nogal wat bijbelverhalen waarin wanhopig maar vergeefs om Gods hulp werd gesmeekt. God was geen Sinterklaas.
Toch was het een Sinterklaasverhaal dat me het beeld van God opleverde, dat me nu, in retrospectief, het kenmerkendst lijkt voor de God van toen. Het ging over een heel arme jongen die zo dolgraag van Sinterklaas brandzalf wilde hebben voor de verbrande voet van zijn moeder. Helaas lukte hem dat steeds maar niet, tot op het allerlaatste moment, helemaal onder uit de zak, toch nog een potje zalf opdook. Grote vreugde derhalve en het verhaal eindigt met een tekening van de Sint die verder gaat met Piet en zak. Met op de achtergrond de maan die over de schouder van een wolk met een vrolijk en tegelijk bezorgd manegezicht meekijkt. Het is duidelijk: de maan heeft alles gezien en ziet nu dat het goed is.
Zo dacht ik over God. De maan, die alles ziet, schijnt het warmst en het vrolijkst als alles toch nog goed komt. Terwijl je tegelijk weet dat het zonder de inspanning van die jongen nooit gelukt was. Zo kijkt, zo dacht ik, God ook toe in ons leven, vergenoegd als de maan in dat verhaal, als het goed afloopt. Hij moet, net als de maan, haast wel iets met die afloop te maken hebben. Je vermoedt het, maar je weet niet hoe. Misschien ben ik wel in God blijven geloven, omdat ik nog steeds geen antwoord op die vraag kan geven.