25 september 1927 – 14 april 2013

Sir Colin Davis

De grand old man Sir Colin Davis tuinierde en breide zijn eigen vesten. Maar op de bok liet hij orkesten branden om de schoonheid weg te slepen voor de poorten van de hel.

In de levensbeschrijvingen van de Britse dirigent Sir Colin Davis ettert een intrigerend midlife-keerpunt. In 1964 scheidt hij van zijn eerste vrouw, orkesten vinden hem een agressieve, onberekenbare dwingeland. Hij is zo klaar met alles dat hij in 1965 terugtreedt als muzikaal directeur van het Londense Sadler’s Wells, de huidige English National Opera. Vijf jaar nadat hij als Mozart-dirigent met slaande trom is doorgebroken neemt de ex-klarinettist Davis, als dirigent autodidact omdat hij als niet-pianist geen toegang kreeg tot de directieklassen, een gedwongen adempauze. Na een periode van zelfreflectie met Hermann Hesse, Hermann Broch en Nikos Kazantzakis als zijn spirituele gidsen – Davis is een fanatieke lezer – herrijst hij met vallen en opstaan als mensenmens.

De oude Colin Davis was de mildheid zelve, geridderd en gelouterd door een levensreis langs plaatsen van betekenis: BBC Symphony, Covent Garden, Boston Symphony, New York Philharmonic, Staatskapelle Dresden, Symphonieorchester des Bayrischen Rundfunks, London Symphony Orchestra. Geen reus op alle fronten, maar als Sibelius- en Berlioz-vertolker met uitroepteken overweldigend humaan. Zoals Davis in de laatste symfonieën van Sibelius het verlies articuleert van jeugd en levenskracht, het mild laat kolken van de nukkige berusting in een voorland van verval en dood – voor die nuances moet je veel gelezen en geweten hebben. Er waren weinig dirigenten die zo’n psychologisch diepgaand klankgevoel ontwikkelden. Je moet al terug naar Furtwängler, die andere lezer, om er de intellectuele wortels van te vinden; bewust geworden weemoed.

Zo was Sir Colin Davis, grand old man die nog begreep waar het in de muziek om ging. Nabestaanden roemden zijn menselijkheid, zijn dienstbaarheid aan kunst en musici. ‘He cared deeply for the health and welfare of his musicians’, schreef een lid van het London Symphony Orchestra, ‘always showing warmth and interest for our wellbeing’. Zijn vaderlijke goedertierenheid ging ver. Toen Davis bij zijn aantreden als chef-dirigent van het London Symphony Orchestra een lege bedrijfskas aantrof, bood hij het orkest een royale privé-donatie aan die alleen publiek mocht worden gemaakt wanneer dat anderen zou inspireren zijn voorbeeld te volgen.

Hij rookte pijp, redderde in zijn tuin, breide zijn eigen vesten – geleerd van zijn zusters. Poeslief. Maar op de bok liet hij orkesten branden met een vuur dat twijfels opriep over de dekkingsgraad van zijn katharsis. In de herboren Davis bleven woeste krachten werkzaam die zijn nieuwe ik, gokte ik plat, met massieve tegenkrachten in bedwang moest houden. Hij was de brandweerman die wel de vlammen, niet de brandhaard van zijn ondergrondse veenbrand bluste.

Hij kon mild zijn. In Haydns Londense symfonieën – met het Concertgebouworkest – hoor je hem blindelings blijmoedig de muziek volgen, volgens hem de enige methode: ‘Alles wat je hoeft te doen is leren luisteren.’ In ontvankelijkheid was hij goed; niet voor Mahler, waar hij niks aan vond, en niet voor de Russen, die zo overdreven waren, wel voor de nieuwe muziek die hij in zijn bbc-jaren ijverig cultiveerde en zou blijven dienen tot op hoge leeftijd. Zijn laatste optreden met het Koninklijk Concertgebouworkest in 2009, op een leeftijd waarop andere maestro’s alleen nog Beethoven en Bruckner dirigeren, was gewijd aan de St John Passion van James MacMillan, een afschuwelijk stuk waarin hij met zen-achtige deemoed had besloten te geloven. Het geheim van zijn vertrouwen fascineerde Davis; het trof hem dat hij, ketter en vrijdenker, het Credo uit Beethovens Missa Solemnis kon dirigeren met een religiositeit die stand hield tot de laatste maat, zonder zich leugenaar te voelen. Hij had er geen andere verklaring voor dan die dat in de parallelle realiteit van de muziek het ik week voor het wij van onze collectieve dromen; vrede, veiligheid, communie. Zijn zelfgeconstrueerde zelfbeeld hielp. ‘The less ego you have, the more influence you have as a conductor. And the result is that you can concentrate on the only things that really matter: the music and the people who are playing it. You are of no account whatsoever.’

Dat is vast waar. Maar zijn beste opname beschrijft een innerlijke spanning met de kracht van een persoonlijk drama. Ik hoor daar een ten diepste autobiografisch document. Davis’ ongeëvenaarde Philips-registratie van Berlioz’ Troyens (1969) vertolkt een wilde worsteling met angst, agressie, liefde en dood die de dirigent op de bok als kunstenaar herkende in de parallelle realiteit van Berlioz’ Vergilius-tragedie. In die antieke wereld deelt hij vijf uur lang uit alle macht in de heldhaftige bereidheid van Berlioz’ heldinnen om te sterven voor hun eer, in de muziek geworden schoonheid van hun ethos, gloeiend met de kracht van laatste woorden. Interessant was dat bij Davis thuis in Londen een geraamte stond, waar hij tegen bezoekende journalisten over grapte: ‘Just a reminder.’ Met de waarschuwende dood, die als stok achter de deur gebiedt het uiterste te geven, kan een mens een leven toe. Maar voor orkesten kan hij lastig zijn. De dwingeland die Davis was wilde tot voor de poorten van de hel de schoonheid redden. Dat kan niet. De mensen, die alles verpesten, maken als musici ook alles goed. Dat is wat maestro’s leren inzien.

In 2000 nam Davis Les Troyens nogmaals op. Hij nam wel meer opnieuw op. Alleen kan zo’n Troyens maar één keer. Davis’ tweede Troyens-versie was, hoe geslaagd ook, geen schim van de eerste. De grote zangers van Poging Eén waren geschiedenis, en van hun erfgenamen gloeide niemand meer als in die grote dagen, toen de mens zich aan zijn rol durfde te verliezen, net als de dirigent die hen in een parallelle wereld wenend van moord en brand geleidde naar hun parallelle dood. Dat het theorie is geef ik toe, maar er is altijd één moment, dat nooit meer terugkomt.