De duurzaamheid van biomassa

Sjoemelhout uit Estland

Vaste biomassa, bijvoorbeeld in de vorm van houtpellets, is goed voor een derde van de Nederlandse groene energie. Maar is de ‘oogst’ van het hout dat bij ons wordt opgestookt wel echt duurzaam? Op onderzoek in Estland.

Houtkap in Haanja Nature Park, Estland © Liis Treimann / Äripäev / Scanpix

Kalev Järvik neemt een grote stap om de omgewoelde modder te ontwijken. Tussen verse bandensporen en verraderlijk uit de grond stekende boomstronken zigzagt hij verder, de kale heuvel op. Om hem heen is het bos een soort schaakbord; uit de glooiende vlaktes vol dennenbomen lijkt iemand zorgvuldig grote vierkanten te hebben weggevlakt. ‘Er gaat bijna geen dag voorbij dat ik geen oogsters hoor’, zegt hij.

Al tien jaar woont de timmerman in de Haanja-hooglanden, een natuurgebied in Zuid-Estland. Haanja Nature Park werd aangelegd om ‘het landschap, de flora en fauna en het culturele erfgoed’ van deze regio te beschermen, meldt het Estse staatsbosbeheer. Het park van zeventienduizend hectare is bestempeld als beschermd natuurgebied. Volgens reisgidsen is dit ‘eeuwenoude heilige boslandschap’ de ultieme bestemming voor stedelingen op zoek naar rust.

Toch mag hier flink gekapt worden. Terwijl de Europese vraag naar hout toenam, besloot de Estse overheid in 2015 de kaalkap van bomen in natuurgebieden als het Haanja Nature Park toe te staan. Een deel van dat gekapte hout wordt tot korrels (‘pellets’) geperst die onder de noemer houtige biomassa een ‘duurzame’ energiebron zijn voor West-Europa.

Inmiddels is het Estse bedrijf Graanul Invest een van de grootste private boseigenaren van het land en de op één na grootste producent van houtpellets voor biomassa wereldwijd. Ook delen van de Haanja-hooglanden zijn in Graanuls beheer. De 2,7 miljoen ton houtpellets die het bedrijf in 2019 uit Baltische en Amerikaanse bossen haalde, verdween grotendeels als brandstof in West-Europese energiecentrales. De Nederlandse markt was vorig jaar goed voor ruim een vierde van Graanuls omzet van 402 miljoen euro.

Vaste biomassa, zoals houtpellets, is dan ook goed voor bijna een derde van de Nederlandse groene energie. Zonder dat zou ons land nooit kunnen voldoen aan het Urgenda-vonnis en de Europese duurzaamheidsdoelen. Nederlandse bedrijven importeerden vorig jaar ruim een miljoen ton houtpellets, waarvan bijna de helft uit Estland en Letland. Sinds 2013 is ruim 3,5 miljard euro subsidie toegekend voor het bijstoken van biomassa in Nederlandse kolencentrales.

Drie jaar geleden deed platform voor onderzoeksjournalistiek Investico onderzoek naar de bezwaren tegen het gebruik van biomassa in kolencentrales. Deze keer deden we in samenwerking met radioprogramma Argos en journalisten uit acht Europese landen onderzoek naar het twistpunt dat nog steeds zorgt voor felle discussie. Is de ‘oogst’ van het hout dat bij ons wordt opgestookt wel echt duurzaam? We bezochten Estse bossen en doken in het doolhof van Nederlandse certificering om te achterhalen hoe precies de duurzaamheid van onze houtsnippers wordt gegarandeerd, en wat daarvan overblijft in de praktijk. Terwijl de Nederlandse overheid telkens stelt dat hier alleen resthout wordt verstookt, vonden wij in Estland dat onder die noemer wel degelijk hele bomen kunnen vallen, met veel extra CO2-uitstoot als gevolg.

‘Fuck Vattenfall’, stond afgelopen voorjaar op de ramen het stadsdeelkantoor van Amsterdam-Oost gekladderd. ‘In verzet tegen biomassa’. Van Maastricht tot Zwolle komen burgers in actie tegen biomassacentrales bij hen in de buurt en ook in de wetenschap maken voor- en tegenstanders elkaar het leven zuur. Toch brengt het onderwerp ook mensen met uiteenlopende zorgen samen: GroenLinkse actievoerders en FvD-aanhangers vinden elkaar in hun weerstand tegen biomassa. Sommigen vrezen de uitstoot van fijnstof, anderen waarschuwen voor de afname van biodiversiteit. Het gebruik van biomassa wordt dan ook vaak gepresenteerd als een dilemma tussen klimaatwinst en natuurbehoud. Natuurlijk is het kappen van bomen soms slecht voor de biodiversiteit, zeggen voorstanders, maar je krijgt er wel groene energie voor terug.

Maar ook dat valt vies tegen, ontdekten we drie jaar geleden al. Bij grootschalige houtstook in omgebouwde kolencentrales kan het decennia duren voordat biomassa ‘groener’ is dan fossiele energie. Chemisch gezien is hout een veel minder efficiënte brandstof dan steenkool: bij het opwekken van dezelfde hoeveelheid energie komt vijftien procent meer CO2 vrij. Als je kolen vervangt door hout komt er dus zelfs meer CO2 uit de schoorsteen, die in de periode daarna door nieuw groeiende bomen moet worden gecompenseerd. Die tijdsduur, de ‘koolstofschuld’, wordt nergens meegenomen in de boekhouding: de houtkorrels tellen meteen als CO2-neutraal.

‘Maar we hebben helemaal geen decennia om klimaatverandering tegen te gaan’, zegt Michael Norton, directeur van de milieutak van de Europese wetenschapskoepel easac. ‘We moeten onze uitstoot nu terugbrengen. Elk CO2-molecuul heeft onmiddellijk impact.’ Dat was ook de centrale bevinding van ons onderzoek drie jaar geleden: biomassa mag op papier klimaatneutraal zijn, in veel gevallen leidt het tot decennia aan extra uitstoot.

Niet elke wetenschapper tilt daar even zwaar aan. We moeten ons niet blind staren op één boom, benadrukt professor Gert-Jan Nabuurs van de Wageningen Universiteit & Research. Het gaat om de CO2-opname van een heel gebied: ‘Je moet zorgen dat er in andere delen van het bos meer bijgroeit dan er gekapt wordt. Zo haal je materiaal uit het bos, maar heb je toch meer koolstofopname.’ Dat is niet het punt, werpt Norton tegen. Die bomen hadden alleen maar méér CO2 opgenomen als ze niet waren gekapt. ‘Het doet er niet toe of ergens anders bomen blijven staan. Het gaat erom hoeveel CO2 uit het bos verdwijnt en in de atmosfeer belandt.’

Alleen bij het gebruik van resthout, zoals zaagsel en snoeiafval, duurt het korter dan enkele decennia voordat biomassa CO2-winst oplevert ten opzichte van kolen en gas. Voorstanders van biomassa zeggen dan ook dat alleen dit soort hout in aanmerking komt voor Nederlandse centrales. Het helpt houtfabrieken zelfs om alles van een boom te gebruiken: van harde stammen worden planken gezaagd, minder goed hout is voor spaanplaten en wat overblijft kan naar de pelletmolen.

De Europese Unie stelt weliswaar geen eisen aan hout dat wordt gebruikt om biomassa van te maken, maar de Nederlandse overheid wel. Het ministerie van Economische Zaken kent de bezwaren rond de extra CO2-uitstoot en eist dat pellets die hier verstookt worden, voorzien zijn van een duurzaamheidscertificaat. Voormalig minister Henk Kamp beloofde dat Nederland de meest ‘uitgebreide criteria’ zou stellen aan de houtsnippers. Ook huidig minister Eric Wiebes zegt telkens ‘geen signalen’ te krijgen dat ‘met subsidie biomassa met een twijfelachtige herkomst’ wordt gebruikt: de duurzaamheidscriteria garanderen dat alleen ‘onvermijdelijke reststromen’ in de Nederlandse ovens belanden.

Het kan decennia duren eer biomassa ‘groener’ is dan fossiele energie

‘In 2013 sloten we het Energieakkoord. Zeven jaar later zijn we nog steeds aan het steggelen over biomassa.’ Hilde Stroot, programmadirecteur bij Greenpeace, noemt de bijstook van biomassa een ‘duivels dilemma’. De milieubeweging is geen fan van houtpellets, maar het ministerie van Economische Zaken wilde grote hoeveelheden gebruiken om de klimaatdoelen te halen. ‘We hebben toen afgesproken dat er een maximumhoeveelheid biomassa mag worden verstookt en alleen onder strenge duurzaamheidseisen.’ Over die eisen twisten Greenpeace en andere milieuorganisaties nu al jaren met de energiebedrijven.

‘Vorig jaar bleek dat de energiebedrijven al begonnen waren met pellets verstoken, terwijl de discussies nog liepen’, zegt Stroot. ‘Steeds stellen de bedrijven de eisen naar beneden bij.’ Dus stapte Greenpeace naar de rechter. Die verwees de partijen naar een geschillencommissie, die ook geen eindoordeel velde. ‘Wij geloven ondertussen niet meer dat dit goed komt’, zegt Stroot.

De ruzies zijn complex, maar gaan vooral over de keurmerken die de duurzaamheid van de biomassa moeten aantonen. Het meest gerenommeerde keurmerk voor hout is fsc, maar de regels daarvoor dateren van voor het biomassatijdperk en zeggen niets over de CO2-uitstoot van het geoogste hout. Bovendien staat fsc kaalkap van stukken bos toe. Dat kan goed zijn voor het bosbeheer, maar als je al dat hout tot pellets vermaalt, zou dat leiden tot een enorme CO2-uitstoot.

De overheid vindt fsc dus niet voldoende. Momenteel is het Sustainable Biomass Program (sbp) het enige keurmerk dat volgens de Nederlandse overheid de duurzaamheid van bos tot energiecentrale garandeert. sbp werd opgericht door een aantal grote Europese energiebedrijven, zoals rwe, Vattenfall en het Britse Drax, met als expliciet doel om aan de duurzaamheidseisen van Europese overheden te kunnen voldoen. Voor de Nederlandse markt ontwikkelde sbp zelfs een aparte standaard. Alle pellets die in Nederlandse kolencentrales worden verstookt, moeten in principe voorzien zijn van dat sbp-stickertje.

Maar soms ook niet. Omdat er afgelopen jaar niet genoeg van dat hout was, riep minister Wiebes in 2019 een uitzonderingsregel in het leven. In plaats van de energiebedrijven te vertellen dat zij minder hout mochten verstoken, stond hij ze toe om ook hout met slechts een fsc- of het minder strenge pefc-keurmerk te gebruiken.

Pelletfabriek Graanul Invest in Osula, Estland © Liis Treimann / Äripäev / Scanpix

Wat voor hout eindigt in de Nederlandse kolencentrales? Die vraag is het begin van een absurde zoektocht. Energiebedrijven rwe en Uniper willen ons niet vertellen welke certificaten de door hen ingekochte houtsnippers dragen, maar verwijzen naar een rapport van onderzoeksbureau CE Delft over de certificering van de in 2019 verstookte pellets. De onderzoekers bekeken de duurzaamheidspapieren van de energiebedrijven en vinkten af welke keurmerken ze tegenkwamen. Wat er precies in de bossen gebeurt, hebben ze niet onderzocht.

Ook de overheid controleert niet ter plaatse, zegt een woordvoerder van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, die namens de overheid de biomassasubsidies uitkeert. De controle is uitbesteed aan private auditbureaus, die weer gecontroleerd worden door een raad en een toezichthouder.

Eén percentage in het rapport springt niettemin in het oog: slechts veertig procent van de vorig jaar in onze kolencentrales opgestookte biomassa hoefde aan de extra strenge Nederlandse eisen te voldoen. Hiervan zou het overgrote deel (87 procent) ook daadwerkelijk voldoen aan die regels. Maar bij welke leveranciers het hout precies vandaan komt, staat niet in het rapport.

En als slechts veertig procent van de biomassa in Nederlandse centrales voldeed aan de strenge Nederlandse norm, hoe zit het dan met de overige zestig procent? Dat is bijna vijfhonderdduizend ton geïmporteerd hout. Het gaat om afval, schrijft CE Delft. Of meer specifiek: ‘secundaire residuen uit de agro-food en houtindustrie en tertiaire residuen zoals houtafval’.

Omdat dit materiaal niet direct uit bossen komt, gelden er minder duurzaamheidseisen voor. CE Delft kreeg inzicht in het papierwerk van de leveringen, maar daarin staat slechts dat het om pellets, diermeel of iets anders gaat. Ook wanneer we de keurmerken Green Gold Label en Better Biomass Program, die certificaten uitgeven voor dit type biomassa, om toelichting vragen, komen we niet verder dan dat het zaagsel, snoeiafval of sloophout betreft. Heeft Greenpeace enig zicht op waar deze enorme hoeveelheid afval vandaan komt? ‘Nope, nada’, zegt beleidsmedewerker Wolfgang Richert.

Bijna vijfhonderdduizend ton geïmporteerd houtafval, en niemand kan ons vertellen waar het precies vandaan komt… De Nederlandse duurzaamheidseisen moeten transparantie en betrouwbaarheid garanderen, maar in feite vertroebelen ze het zicht op wat er in de praktijk gebeurt en bieden ze de verantwoordelijke instanties de kans om naar elkaar te wijzen.

Vijfhonderdduizend ton houtafval; niemand weet waar het vandaan komt

‘Dit kun je toch geen bos meer noemen’, zegt Siim Kuresoo, campagneleider bij de milieuorganisatie Estonian Fund for Nature. Hij staat op een gekapt stuk land, in het zuiden van het Haanja Nature Park nabij het dorpje Vakari. We zien een eenzame rij bomen, bandensporen, in de verte klinken machines. Op een bord staat de naam van de eigenaar: Valga Puu, een dochterbedrijf van Graanul Invest.

Dit is een Natura 2000-gebied, door de EU in het leven geroepen om bijzondere leef- en natuurgebieden te beschermen. Valga Puu begon hier met kappen in 2016 met toestemming van de Estse overheid. Het bedrijf krijgt dit jaar zo’n zestigduizend euro subsidie uit Brussel voor het beheren van dit soort natuurgebieden.

Tussen 2014 en 2019 verdubbelde de jaarlijkse afname van bosoppervlak in Estland, blijkt uit onze analyse van gegevens van dataplatform Global Forest Watch en de Universiteit van Maryland, Google en Nasa. In Natura 2000-gebieden werd de afname zelfs ruim drie keer zo groot. Binnenkort beslist de Estse regering of kaalkap in nog meer natuurparken wordt toegestaan.

Kaalkap voor biomassa mag, ook van Brussel, maar moet wel binnen de perken blijven. Zo mag het alleen in bepaalde gebieden; maximaal een hectare per keer; door altijd een paar bomen te laten staan, en pas wanneer de omringende percelen hersteld zijn. Kuresoo wijst naar een perceel rechts. Daar zien we begroeiing: hoog gras, dunne sprieten van maximaal een meter hoog die uit de grond steken, veel frambozenstruiken. ‘Dit is volgens de wet voldoende’, zegt hij, ‘maar hier stond eerst een bos van zeventig jaar oud. Daar zat veel meer koolstof in opgeslagen en het duurt zo’n zeventig jaar voordat de verloren CO2 weer is opgenomen. Maar klimaatverandering gebeurt nu.’

De bosbeheerder ziet dat anders. ‘Kaalkap in gebieden kleiner dan een hectare is de meest verstandige manier om een bos te beheren’, zegt Valga Puu-directeur Andres Olesk. Niks mis met kaalkap, in zijn ogen. Wel 84 procent van het hout dat moederbedrijf Graanul uit de eigen bossen haalde kwam uit kaalkap, blijkt uit de duurzaamheidsrapportage van het bedrijf van afgelopen jaar. Als ook het hout wordt meegerekend dat Graanul van andere leveranciers koopt, komt nog steeds meer dan de helft van zijn grondstof voor houtkorrels van bomen ‘die niet voldoen aan de eisen van de houtzaag- en multiplexindustrie’.

Het rapport is duidelijk over wat voor boomstammen het betreft: alles met een kronkel, beschadiging of stukjes metaal komt in aanmerking voor de pelletmolen. ‘Zelfs bomen die te dik zijn om in de zaagmachines te passen worden als resthout aangemerkt’, zegt campagneleider Kuresoo. Graanul-directeur Raul Kirjanen benadrukt dat ‘goed’ hout gebruikt wordt voor meubels of papier. ‘En veel hout is alleen voor de energiemarkt geschikt: verrotte, verdorde en te dunne bomen en boomsoorten die nauwelijks voor andere toepassingen worden gebruikt, zoals witte elzen en wilgen.’ Hele bomen dus, die tijdens kaalkap ook tegen de grond gaan en tot pellets worden vermalen.

‘In de sovjettijd werden de bossen totaal niet beheerd’, zegt Marku Lamp, topambtenaar van het Estse ministerie van Milieu. ‘Daarom hebben we veel hout van lage kwaliteit en nu dus de kans om dit hout te verkopen.’ Zo’n dertig procent van het bos is volgens hem alleen geschikt als energiebron. Maar hout met een ‘lage kwaliteit’ slaat niet minder koolstof op, zegt boswetenschapper Gert-Jan Nabuurs. ‘Wat uit economisch oogpunt een lage kwaliteit heeft, kan ecologisch wel degelijk veel waarde hebben.’ Maar als je het bos goed beheert, zegt hij, vergroot dat zowel de economische als de ecologische kwaliteit. ‘Biomassa kan bijdragen aan duurzaam bosbeheer, maar zeg niet dat het ook helpt tegen klimaatverandering’, zegt Michael Norton van de Europese wetenschapskoepel. ‘Als je hout kapt om het te verbranden, komt er hoe dan ook veel CO2 vrij. Of je het nu resthout noemt of niet.’

Dat klinkt anders dan de ‘onvermijdelijke reststromen’ waar minister Wiebes het steeds over heeft. De Nederlandse eisen zijn de strengste van Europa. Kunnen de bomen van deze kaalgekapte stukken Estlands bos niettemin in Nederlandse energiecentrales terechtkomen?

Ja dat kan, het blijkt bij navraag in Estland zelfs waarschijnlijk. Het ‘resthout’ dat Valga Puu kapt in het Haanja Nature Park wordt vervoerd naar de dichtstbijzijnde pelletfabriek van Graanul, zegt directeur Olesk van het dochterbedrijf. Die fabriek draagt het door Nederland goedgekeurde sbp-keurmerk. Heeft Graanul dan een aparte handelsstroom om de ‘extra duurzame’ pellets voor Nederland apart te houden van de rest? Nee hoor, antwoordt Mihkel Jugaste, hoofd certificering en kwaliteit bij de pelletgigant. Graanul heeft ervoor gekozen ‘alle biomassa te laten voldoen aan de hoogste criteria’, zodat de pellets ‘vrijelijk gemengd’ kunnen worden. Er zijn dus geen belemmeringen dat dit hout in Nederlandse centrales komt, alle certificaten ten spijt.

In Estland worden grote stukken bos kaalgekapt en gelden boomstammen als resthout. Volgens minister Wiebes is dat allemaal volgens de Nederlandse regels. Hij bevestigt in reactie op Kamervragen dat er in Natura 2000-gebieden soms gekapt mag worden en overheidsorganisatie rvo stelt dat kaalkap gewoon ‘een oogstmethode’ is. Net als boswetenschapper Nabuurs benadrukt de minister steeds dat het niet om individuele bomen gaat, maar om het hele bos. ‘Het bos waaruit houtpellets komen moet minstens evenveel CO2 opnemen als eraan onttrokken wordt.’ In Estse bossen was dat lange tijd het geval, maar het einde lijkt in zicht.

Het Nationaal Energie- en Klimaatplan dat Estland vorig jaar indiende bij de Europese Commissie voorspelt namelijk dat er na 2030 meer hout uit de Estse bossen zal worden gehaald dan ze aan extra CO2 kunnen opnemen: ‘De vervanging van oude bossen door nieuwere zal leiden tot een afname van het bosbestand.’ Maar dan nog, reageert Wiebes: ‘Het is op de eerste plaats aan de Estlandse overheid om de activiteiten van Graanul Invest te reguleren in lijn met Europese en Estlandse regels.’

Afgelopen maand werd de nieuwe Estlandse minister van Milieu beëdigd. Hij gaf toe dat klimaatverandering ongetwijfeld plaatsvindt, maar heeft twijfels ‘in hoeverre het veroorzaakt wordt door mensen’.


Dit verhaal is onderdeel van het project Money to Burn, een internationaal onderzoek door een team van zestien Europese journalisten en acht redacties, geleid door het Nederlandse onderzoeksjournalistieke platform Argos en gefinancierd door Investigative Journalism for Europe. Lees meer over het project op vpro.nl/money