bijzonder hoogleraar beleid en organisatie van het beroepsonderwijs, Universiteit van Amsterdam

Sjoerd Karsten

De Aziatische uitdaging stelt ons in de nabije toekomst voor een aantal belangrijke maatschappelijke keuzes, ook op het terrein van het onderwijs. Lange tijd is er te gemakkelijk vanuit gegaan dat alleen de rijkste landen op het westelijk halfrond in staat zouden zijn om een duur en goed functionerend onderwijsstelsel in stand te houden. Daardoor zouden zij op de wereldmarkt hun hoge lonen structuur kunnen handhaven. De gedachte was dat de arbeidsintensieve productie gemakkelijk aan de zogenoemde lage lonen landen overgelaten kon worden, terwijl de kennisintensieve producten en diensten met hoge lonen in het Westen zouden blijven. Op die manier hoefden zij de concurrentie niet op basis van arbeidskosten aan te gaan. Men kon zich namelijk niet voorstellen dat de landen die enige decennia geleden achter lagen in hun ontwikkeling, op grote schaal hoog en goed opgeleide arbeidskrachten zouden kunnen leveren.

Aanvankelijk waren het alleen de kleine Aziatische landen of stadstaten, zoals Singapore, Hongkong en Taiwan, die vrijwel alle Westerse landen overtroffen in schoolprestaties op het terrein van wiskunde en natuurwetenschappen. Deze landen waren te klein om de grote Amerikaanse en Europese landen maar enigszins te bedreigen. Ondertussen hebben zich nieuwe Aziatische tijgers op het wereldtoneel gemeld, waaronder de immens grote landen China en India. Deze landen leveren bij elkaar al meer dan een miljoen hoogopgeleide ingenieurs per jaar af, tegenover ‘slechts’ 60.000 in de Verenigde Staten. Over het prestatieniveau van China kunnen we nog moeilijk oordelen omdat harde gegevens ontbreken. Onlangs heeft Shanghai meegedaan aan de driejaarlijkse internationale vergelijkingen van schoolprestaties van 15-jarigen (PISA) en het blijkt dat de resultaten 'indrukwekkend’ zijn.

Uit de beperkte en voorzichtige deelname van China aan deze internationale metingen blijkt zowel haar zwakte als sterkte. Ronduit zwak is dat de kwaliteit van het Chinese onderwijs (en dit geldt ook voor India) behoorlijk scheef verdeeld is en de autoriteiten bang zijn dat dit aan het licht komt. Tegelijkertijd kent China een moordende competitie met een sterk meritocratisch karakter, maar ook met veel bevoordeling van de rijken en andere bevoorrechte groepen. In die strijd om de 'betere’ plaatsen komt ook haar sterkte naar voren, namelijk dat Chinese leerlingen en studenten er veel meer voor over hebben (tijd, energie en ook financiële middelen) om te 'excelleren’ dan veel van hun Westerse leeftijdgenoten. De honger naar onderwijs is in China en andere Aziatische landen heel tastbaar aanwezig. Terwijl in het Westen de klachten over 'overbelasting’ en 'prestatiedruk’ groeien en de onderwijsresultaten aan de top en ook gemiddeld beslist niet beter worden, is in Azië een tegenovergestelde beweging aan de gang.

Daarom staan we in veel Westerse landen voor de keuze. Willen we meedoen aan deze internationale uitdaging? Dit heeft wel als consequentie dat ons onderwijs aan de top behoorlijk moet verbeteren, en dat (flinke) individuele financiële bijdragen bijna onvermijdelijk worden om alles te bekostigen. Dit kan leiden tot 'eilanden van excellentie in een zee van relatieve onwetendheid’(Esping-Andersen, 2002). Of kiezen we meer voor een egalitaire weg ('een rustige vijver met wat rimpels’) waar er geen 'Harvard’ is, maar een breed fundament met weinig 'achterblijvers’. Het eerste scenario lijkt aantrekkelijk voor blijvende groei. Maar hoe lang houden we dit vol in de wereldwijde race? Dat is onzeker. Voor diegenen die meer in het tweede scenario geloven, blijft de vraag hoe lang we een dergelijk kostbaar onderwijsstelsel blijvend kunnen, en ook willen, betalen uit algemene middelen. In mijn ogen is dit een zodanige fundamentele keuze, dat allerlei andere problemen in het onderwijs van ondergeschikt belang zijn.


Meer lezen: Esping-Andersen, G. (2002). Why we need a new welfare state. Oxford: Oxford University Press


Bekijk ook de pagina van Sjoerd Karsten bij de UvA