Groen

Sjors en anderen

Vroeger hadden we katten, heel veel katten, halfwild. Nu eens waren het er veel, een maand later kon er zomaar nog slechts één over zijn, omdat de rest overreden was of weggelopen. Twee maanden later waren er ineens weer negen. Niet te volgen, beter niet aan hechten ook. De hond ging niet dood, werd niet overreden, liep niet weg, daar had je minstens tien jaar plezier van. Ik weet nog precies wanneer een ommekeer plaatsvond in mijn kijk op katten. Vrienden hadden er drie, en de oudste ging dood. Ze hadden verdriet. Ik zei: ‘Nou, dan neem je toch een nieuwe?’ De verwijten die ik toen naar mijn hoofd kreeg waren zo heftig dat ik begreep dat een kat net zoiets als een hond kon zijn. Ik zag in dat er mensen waren die zich hechten aan zo’n beest.
Later kwam er een periode dat mensen die op vakantie gingen hun kat bij mij stalden, want ik was altijd thuis. Dat was een moeilijke periode. Een kattenbak is zo’n beetje het smerigste wat er bestaat en de verzekering ‘Nee, ’s nachts gaat-ie gewoon lekker slapen, je hebt geen last van hem’ betekende dat ze de godganse nacht klagelijk schreeuwend aan mijn potdichte slaapkamerdeur gingen krabben. Waardoor ik meteen de leugenachtigheid van de baasjes, die zeiden dat de katten thuis nooit in bed kwamen, doorzag. Ik heb meerdere katten dwars door de gang geschopt. Ook had ik dan last van woede: de baasjes lekker katloos op vakantie en ik zat thuis, in de stank en ellende. Urenlang kon ik met zwarte ogen naar die haarballen staren, gerieflijk uitgestrekt op mijn witte bank. Onverdraaglijk was dat. Ik verhardde, zei botweg nee als mensen me vroegen logeeradres te zijn, en Sjors, Cassie, Jip en Pavlov werden elders ondergebracht. Alleen Sjors leeft nu nog, waar hij woont weet ik even niet, hij mocht namelijk niet mee naar het nieuwe huis, want daar zou hij alles stuk krabben en vuil maken. En hoewel Sjors ook een keer door de gang gevlogen is, wil ik daar niet aan denken, want medelijden is een akelige emotie.