Sla nooit een inbreker

In de provinciale pers stond het weinig opzienbarende, maar interessante verhaal over een campinghouder uit Zeist. Hij betrapte een inbreker en heeft dit ongure element, alvorens hem aan de politie over te leveren, een lel gegeven. Daarmee had de man (de campinghouder, niet de inbreker) een grens overschreden, meende de plaatselijke officier van justitie. Want voor bovenomschreven lel waren immers wellicht alternatieven voorhanden. ‘Had je kunnen vluchten? Had je een inbreker kunnen opsluiten of vastbinden? Dat speelt allemaal mee bij de beoordeling van de vraag of het geweld geoorloofd was.’

Waar ligt de grens van de zelfverdediging? Het is een probleem dat al eerder is aangesneden door de Utrechtse politiechef J. Wiarda, die de plaatselijke middenstand heeft aangeraden zich met een honkbalknuppel tegen eventuele overvallers te wapenen. De kwestie is dat de doorsnee-Nederlander, de honkballers onder ons uitgezonderd, niet geneigd is zich een honkbalknuppel aan te schaffen. Hij wordt midden in de nacht wakker van een verdacht rumoer in de huiskamer, schiet een decent kle dingstuk aan en treft daar een vreemde met de videorecorder onder de arm. Dat is een minder overzichtelijke situatie dan de Zeister officier van justitie en de Utrechtse oppersmeris veronderstellen. Inbreken is een rationele, koel- gecalculeerde handeling. Anders dan het verweer tegen een inbraak. De honderd kilo wegende kleerkasten onder ons hebben het wat gemakkelijker. Die laten de adrenaline vrijelijk stromen en plakken de ongewenste gast achter het behang. Maar de meesten van ons weten met criminele situaties doodgewoon geen raad. Zij zijn voornamelijk bang zelf een lel te krijgen en verzoeken de inbreker alstublieft zo snel mogelijk op te krassen, liefst zonder al te veel lawaai op de gang te maken, opdat de kinderen niet wakker worden.
De reactie op dit soort brutale ingrepen in het bestaan is onmeetbaar. Inclusief die gewraakte lel, waarvoor overigens alle begrip valt op te brengen.
De overheid heeft ons trouwens zelf decennia lang met onze bijbelse toorn gechanteerd. Dat was in die jaren dat het nog een hele toer was om het noodgedwongen aanschieten van ’s konings wapenrok te voorkomen. Dus afficheerde de soldaat in spe zich als een pacifist, die zich vervolgens door een militaire commissie de nieren moest laten proeven. Zo, was meneer pacifist? En wat zou meneer dan wel doen als zijn zuster door een dolle neger werd verkracht?
Mij heeft het antwoord altijd voor de hand gelegen: ‘Heren, ik heb geen zuster, en tegenover het andersgetinte volksdeel koestert u een kwalijk vooroordeel.’
Niettemin zit in de probleemstelling een kern van waarheid. In extreme situaties geplaatst reageren wij onvoorspelbaar, onmeetbaar en is elke vorm van rationele regelgeving tot mislukken gedoemd.
Gelukkig zijn er nog rechters in Nederland. Zij zijn alleszins in staat te beoordelen of er wel of geen reden is de criminele medemens in elkaar te timmeren. Daarnaast kennen wij echter een minder stabiele factor: oom Agent, die in zijn ondoorgrondelijke wijsheid in de zaak-Zeist besloot beide partijen, de inbreker en de campinghouder, in de cel te zetten. De inbreker stond trouwens eerder op straat dan de man die hem hardhandig in de kraag heeft gegrepen.