Nederlands slavernijverleden

‘Sla, sla, geen gena’

Anderhalve eeuw geleden beëindigde Nederland de slavernij in Suriname en op de Antillen. In het debat over de grootschalige onderdrukking van de zwarte door de blanke ligt de nadruk vooral op slachtofferschap. Maar er was ook verzet.

Medium 02170609

Ergens boven in de Bazel, het prachtige jaren-twintiggebouw van het Amsterdamse Stads­archief, heeft het Nederlands Instituut voor Slavernijverleden en Erfenis (NinSee) twee kamers. De rondleiding die voorzitter Eddy Campbell geeft is dan ook snel klaar en voor een interview nemen we plaats in de gang. Tot vorig jaar was het instituut veel ruimer behuisd, maar sinds het rijk de jaarlijkse subsidie van 900.000 euro stopzette, zijn de meeste vaste medewerkers ontslagen en is alles flink ingekrompen. ‘De gemeente Amsterdam heeft nog een beetje geholpen’, zegt Campbell. ‘Maar we weten nog niet in wat voor vorm we verdergaan. Het belangrijkste is dat we een grote rol kunnen blijven spelen bij de organisatie van Keti Koti.’

Keti Koti, ‘de ketenen verbroken’, is de jaarlijkse herdenking van de afschaffing van de slavernij op Nederlands grondgebied. Dat was op 1 juli 1863, nu 150 jaar geleden. De gemeente Amsterdam stelde 750.000 euro beschikbaar voor projecten, debatten en tentoonstellingen rondom dit jubileum. Historisch gezien valt er overigens zeker iets af te dingen op de heroïsche bijklank van het woord ‘afschaffing’. Zo was Nederland het laatste westerse land dat de slavernij afschafte. In Suriname bleven de tienduizenden voormalige slaven bovendien nog tien jaar onder staatstoezicht staan. Zij moesten op de plantages blijven werken om de planters financieel te compenseren.

Voor Campbell en zijn medewerkers is het pijnlijk dat het NinSee juist in het jubileumjaar 2013 op sterven na dood is. In 2002 begon het instituut vol ambitie aan een missie die behalve voorlichting en onderzoek ook de herdenking en de verwerking van het slavernijverleden behelst. In de folder die werd uitgegeven bij de opening van het instituut sprak Campbell van ‘psychische en culturele vervreemding’ als gevolg van dat verleden. Sindsdien zijn de doelstellingen niet veranderd, zegt hij. ‘Het NinSee is belangrijk voor de identiteit van de nazaten van slaven in Nederland. Voor hen heeft ons instituut een ideologische waarde. Wij willen niet alleen educatie verzorgen en onderzoek doen, voor ons zit er aan het slavernijverleden ook een emotioneel aspect. De slavernij heeft namelijk diepe psychologische sporen nagelaten bij de nazaten van de slaafgemaakten.’

Campbells uitspraken doen denken aan de Verenigde Staten. Daar wordt al geruime tijd gepubliceerd over de psychologische gevolgen van het slavernijverleden. Een belangrijke woordvoerder in dat debat is de psychologe Joy DeGruy, die veel schreef over het onderwerp en in 2005 de term post traumatic slave syndrome introduceerde. DeGruy gaat ervan uit dat de slavernij en de langdurige racistische onderdrukking van Afro-Amerikanen voor een belangrijk deel hun maatschappelijke achterstand verklaren. Ze beschrijft een vorm van posttraumatische stress die van generatie op generatie wordt doorgegeven.

In Nederland heeft kinder- en jeugd­psychiater Glenn Helberg, voorzitter van het Overlegorgaan Caribische Nederlanders (OCaN), er zijn missie van gemaakt om allerlei taboes te doorbreken, van homoseksualiteit tot afwezige vaders. Op zijn spreekkamer in Amsterdam zet Helberg een gesuikerd amandeldrankje op tafel, naast een doos papieren zakdoekjes. ‘Nu drink je iets van mijn voor­ouders’, zegt hij. Op het bureau staan tussen stapels boeken en papieren een paar teddyberen.

Helberg was destijds erg blij met het boek van DeGruy. ‘Zij is iemand aan de andere kant van de oceaan die dezelfde opvattingen heeft als ik. Opvallend, want toen ik het voor het eerst had over het collectieve trauma dat door de slavernij is veroorzaakt, werd ik aangevallen. DeGruy zegt in feite: ook na de afschaffing van de slavernij veranderde de situatie voor zwarte mensen niet. Zij bleven in een afhankelijke, minderwaardige positie ten opzichte van witte mensen.’

Voor Helberg zit de kern van het slavernijverleden en de doorwerking ervan in het heden in de ongelijke verhouding tussen wit en zwart. ‘Achter het kolonialisme en de slavernij zat een gedachtegang van minderwaardigheid van zwarte mensen. In de beeldvorming waren zwarten lelijk, lui en dom, hun godsdienst was een bijgeloof en in seksueel opzicht waren zij wilde dieren. Zo wordt er nog steeds gedacht, ook al zeggen mensen het niet altijd hardop.’

Volgens DeGruy heeft dat racisme een diepgaande invloed gehad op het zelfbeeld van zwarte mensen. Helberg: ‘Je zou het geïnternaliseerd racisme kunnen noemen, maar het gaat denk ik nog een stap verder. In de slavernij was er een voortdurende interactie tussen de witte meesters en de slaven. De witte man was altijd de baas. Als je geboren wordt in zo’n situatie, dan is dat jouw werkelijkheid: witte mensen zijn in jouw leefwereld superieur. Dat voorbeeld heb je altijd gehad en dat geef je natuurlijk ook weer door aan je kinderen.’

In de loop van de geschiedenis zijn zwarte mensen volgens Helberg steeds beschadigd. Dat proces gaat nog steeds door, niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. ‘Door de ontvoering uit Afrika vielen beschermingsstructuren weg die in Suriname en op Curaçao weer helemaal opnieuw opgebouwd moesten worden. Vervolgens zijn daar die structuren weer verwoest door binnenlandse migratie én door migratie naar Nederland. Zo stapel je trauma op trauma, de cultuur werd steeds verzwakt. Bovendien worden slachtoffers van een trauma in de loop van de tijd ook daders. Binnen sommige zwarte gezinnen zien we patronen terug die vroeger door de agressor, de witte man, werden gebruikt: fysiek en seksueel geweld, op elkaar neerkijken. Mensen zitten soms zo vast in hun slachtofferschap dat ze niet door hebben dat ze zelf ook daders geworden zijn.’

Al met al, zegt Helberg, belemmert het slavernijverleden zwarte mensen nog steeds: ‘Dat kan alleen doorbroken worden als iedereen zich bewust wordt van die denksystemen waar we nog steeds met z’n allen in vastzitten.’ Kom bij Helberg niet aan met opmerkingen over een slappe, slachtofferachtige houding, waarschuwt hij: ‘Daar heb ik een eenvoudig antwoord op: weet jij dan wel helemaal zeker dat je naar mij kijkt zonder dat je me op mijn groepskenmerken beoordeelt? Er is altijd veroordeling.’

Om half elf ’s avonds wrijft Helberg de slaap uit zijn ogen. Hij wijst naar het restje mierzoete amandelsiroop op tafel. ‘Wist je dat suikerziekte heel veel voorkomt onder zwarte mensen? Eerst werden we tot slaaf gemaakt voor de suiker – en nu zijn wij eraan verslaafd.’

Tijdens een debat in De Balie in Amsterdam, Van slavernij tot tienermoeder?, waar Glenn Helberg aan meedoet, geeft hoogleraar Caribische geschiedenis Alex van Stipriaan een presentatie over de dagelijkse praktijk van de slavernij in Suriname en op de Nederlandse Antillen. Bij plaatjes van vreselijke lijfstraffen valt de zaal even stil. De hoogleraar benadrukt dat dit niet het hele beeld is: hij vertelt ook over mensen die bleven weglopen van de plantages, ondanks de zware straffen die daarop stonden. ‘Mensen namen hun lot in eigen handen en creëerden zo een vorm van autonomie. Zij toonden een enorme veerkracht.’

De opvattingen van DeGruy en Helberg zijn één manier om naar de slavernij te kijken. Volgens Van Stipriaan moet er juist ook aandacht zijn voor de verschillende manieren waarop slaven zich hebben verzet. Ook deze invalshoek is ontstaan in de Verenigde Staten. Niet alleen in de geschiedwetenschap, maar ook in de populaire cultuur wordt het beeld van slachtofferschap onderuit gehaald. En soms gaat dat er radicaal aan toe, zoals in de Tarantino-film Django Unchained.

Het is druk in de foyer van Podium Mozaïek in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer. Opvallend genoeg zijn het vanavond bijna alleen vrouwen die in de rij staan voor de garderobe of nog even snel een kopje koffie bestellen. Dat ligt misschien ook aan de titel van het toneelstuk dat zij gaan zien: Rebelse vrouwen, een productie van het NinSee en het Bijlmer Parktheater. Veel mensen lijken elkaar te kennen en begroeten elkaar uitbundig. Een blond meisje loopt de trap op naar de zitplaatsen en mompelt iets over dat ze zich ‘wel erg wit’ voelde tijdens het debat voorafgaand aan de voorstelling. ‘Ja’, lacht haar vriendin. ‘Nu ben jij een keer het witte chickie. Interessante ervaring toch?’

Rebelse vrouwen is een voorbeeld van een project over de slavernij dat de nadruk legt op het verzet van slaven en niet op het slachtofferschap. Halverwege het stuk staan vier vrouwen heupwiegend op het podium. Drie van hen dragen een hoofddoek en lange rok, de vierde draagt een trui met Katrien Duck erop. Op de maat van de muziek laten ze een dun stokje door de lucht zwiepen. ‘Sla, sla’, zingen ze, ‘voor deze vrouw, geen gena’.’ Drie van de vier personages leven in het verleden, als slavin op plantages in Suriname en op de Antillen, de vierde is een West-­Afrikaanse vrouw die anno 2013 naar Amsterdam wordt gelokt en in de prostitutie belandt.

Rebelse vrouwen wil geen soft beeld schetsen van de slavernij. Integendeel: lijfstraffen, vernederingen en seksueel geweld komen telkens terug en de plantagehouders zijn ongelooflijk wreed. Bij één vrouw wordt haar arm afgehakt als straf, een andere sterft na een zware mishandeling na een vluchtpoging. Maar het punt van het toneelstuk is dat de vrouwen zich niet onderwerpen aan hun op het oog uitzichtloze situatie. De éénarmige vrouw duwt de plantagehouder in een put omdat hij haar dochter lastigvalt; een huisslavin die gedwongen wordt om haar ‘meester’ naakt te bedienen brengt hem een vergiftigd kopje thee. Deze personages zijn niet zielig.

En dat is precies wat Aspha Bijnaar met het stuk wilde zeggen, vertelt ze aan de telefoon. Bijnaar werkt bij het NinSee en ontwikkelde het basisidee voor Rebelse vrouwen. ‘Bij het publiek bestaat nog steeds een zwart-witbeeld van de slavernij’, zegt ze. ‘De meeste boeken en studies die nu over het thema verschijnen zijn wel aardig genuanceerd, maar die nuance mis ik in de maatschappelijke debatten.’

Over slavinnen die in opstand kwamen is volgens Bijnaar in de Nederlandse geschiedschrijving nog maar weinig bekend. Samen met Karin Lurvink van de Vrije Universiteit is zij daarom de archieven in gedoken. ‘We keken bijvoorbeeld naar politieverhoren, ooggetuigenverslagen en autobiografische teksten van plantagehouders. Zo stuitten we op het verhaal van de vrouw die de plantagehouder had vergiftigd en die werd berecht, maar we kwamen ook vechtpartijen tegen, vrouwen die wegliepen van de plantages, werkweigering. Ook het verhaal van de vrouw die haar meester de waterput in duwt, is gebaseerd op een historische bron.’ Met Rebelse vrouwen wil Bijnaar laten zien dat vrouwen zelf handelden en de controle over hun leven probeerden terug te nemen. Ook wil ze laten zien dat de vrouwen niet altijd heldinnen waren: ‘Soms werden ze gedwongen om elkaar te verraden. Het waren mensen van vlees en bloed.’

Na afloop van het toneelstuk wordt in de foyer flink nagepraat. ‘Ik vond het prachtig om te zien, je hoort eigenlijk nooit dat die vrouwen zich zo verweerd hebben’, zegt een oudere dame terwijl ze een sjaal om haar schouders slaat. ‘Persoonlijk denk ik dat de generatie van mijn zoon meer bezig is met het slavernijverleden dan mijn generatie. Die jongens zijn nog echt boos, ze krijgen in het dagelijks leven zoveel te maken met racisme.’

Een jonge vrouw zegt: ‘De slavernij is nog niet erg lang geleden, en ik besef wel dat dit met mijn familie is gebeurd. Maar hoe heftig je zoiets vindt, is erg persoonlijk. De één voelt zich er meer verbonden mee dan de ander. Voor mij gaat dit stuk over de emancipatie van zwarte vrouwen.’ Een studente met een afrokapsel vindt al die aandacht voor het slavernijverleden soms een beetje ergerlijk: ‘Het moet altijd meteen over slavernij gaan als er over zwarte mensen wordt gepraat. Alsof we verder niets zijn! Black people don’t begin and end with slavery.’ Toch vindt ze het stuk inspirerend: ‘Het geeft kracht om te weten dat deze vrouwen, onze voorouders, zich zo verzet hebben. Als zwarte vrouwen in Nederland staan wij op hun schouders.’

Glenn Helberg wil niet spreken van verzet. In De Balie zei hij geërgerd: ‘Verzet? Dat waren gewoon overlevingsstrategieën. Autonomie, het lot in eigen handen nemen – als je het zo zegt, lijkt het wel alsof het fijn was om in slavernij te leven.’


De Nederlandse slavenhandel

De Nederlandse slavenhandel kwam op gang in de eerste helft van de zeventiende eeuw, toen de West-Indische Compagnie inhaakte op de driehoekshandel tussen Europa, West-Afrika en het Caribisch gebied. Nederlandse schepen vervoerden zeshonderdduizend Afrikaanse slaven naar de West. Van hen stierf naar schatting veertien procent al tijdens de overtocht. Minder dan de helft van de overlevenden kwam terecht in de Nederlandse koloniën, de rest werd doorverkocht via een veilingsysteem.

De economie van de plantagekolonie Suriname was gericht op de productie van vooral suiker voor de Europese markt en dreef volledig op onvrije arbeid. In totaal werden 215.000 Afrikanen Suriname binnengebracht. Hoewel de zes Nederlandse Antillen geen typische plantagekoloniën waren, werkten ook hier veel slaven, bijvoorbeeld in de landbouw en in de havens. Daarnaast groeide Curaçao uit tot een doorvoermarkt voor de slavenhandel naar Latijns-Amerika.

Dat de slavernij op Nederlands grondgebied nog tot 1863 bleef bestaan komt onder meer door het ontbreken van een brede abolitie­beweging. Pas toen de plantages niet meer winstgevend waren, ontstond er politieke ruimte voor afschaffing. Bij Keti Koti op 1 juli 1863 leefden er in Suriname 33.000 mensen in slavernij. Op de Antillen lag dat aantal rond de twaalfduizend.