Slaapmiddel

Guus Houtzager, De rode steen. Uitg. De Bezige Bij, 189 blz., f 34,50
Mag je een boek negatief beoordelen enkel en alleen omdat het saai is? Mag je van een romanschrijver verlangen dat hij enige spanning weet op te wekken bij de lezer? Dat lijkt me wel, tot op zekere hoogte. Ik ben absoluut geen voorstander - sterker, ik ben een fervent tegenstander - van eenhapsliteratuur: lekker vlot geschreven boeken over lekkerbekkende onderwerpen, vlotte verhaaltjes vol Veronica-vermaak en opwindende anekdotes, maar een literaire roman dient op een of andere manier wel iets met de lezer te doen. Dat zit hem niet in een bloedstollende plot of knetterende confrontaties tussen personages, dat kan net zo goed (of beter) gebeuren op het niveau van de stijl, de compositie of het vertelprocede. Er zijn adembenemende boeken geschreven over schokkend saaie mensen, over de meest onaanzienlijke onderwerpen (zoals een stukje zeep - Ponge), maar ook een imposante verzameling slaapmiddelen-in-boekvorm.

De rode steen is zo'n boek. Het is het romandebuut van Guus Houtzager (1955), die eerder essays en verhalen publiceerde in onder meer Literair Paspoort en De Revisor. In 1990 debuteerde hij met een verhalenbundel, Het glazen oog.
Soms hoop je na de eerste twintig pagina’s van een roman dat het zo meteen wel leuker wordt. Of je houdt jezelf voor dat je er nog in moet komen. Dat gevoel roept De rode steen 189 pagina’s lang op. En dan is het boek uit. De roman vertelt twee verhalen, van twee hoofdpersonen. Het opvallende is dat ze, een man en een vrouw, niet van elkaars bestaan op de hoogte zijn. Laura Larousse en Dirk Gemelman zijn allebei net dertig maar komen over als vroeg-bejaarde slomo’s met een stevige midlife crisis. Hun bestaan kabbelt gemoedelijk voort, zonder dat er veel gebeurt waarover men naar huis zou willen schrijven.
Dirk is een luie academicus zonder werk, die tussen het mijmeren en zuchten door in een soort bandje speelt met enkele kameraden uit wie eveneens alle levenslust verdwenen lijkt. Dirk zeurt wat om zich heen over een verloren jeugdliefde, die met een nieuwe lover op IJsland zit. Laura woont samen met een vriendin, schildert (nondescript-figuratief) en geeft tekenlessen.
Op een dag verschijnt er zowel in het leven van Dirk als in dat van Laura een sieraad, een oosterse armband met een rode steen. Je zou nu zoiets verwachten als: ‘En vanaf die dag is alles anders.’ Of: 'En dan nemen de zaken een onverwachte wending.’ Of: 'En dan volgt een bloedstollende apotheose.’ Maar nee. Niks daarvan. Ondanks de belofte van de achterflap - 'voor de lezer is goed merkbaar hoe het bezit van de armband met de rode steen hen beinvloedt in hun kijk op de wereld, hun innerlijke ontwikkeling en hun omgang met anderen’. Er wordt iets halfslachtig magisch gesuggereerd, er lijkt een poging te worden gedaan een mysterie te evoceren, er wordt een oude pater geintroduceerd van wie iets onheilspellends verwacht zou kunnen worden, maar het wordt allemaal niets.
In De rode steen staat niet een zin die echt heel erg lelijk is, maar ook geen enkele mooie zin. Alles is zo keurig, zo overdacht, zo ingehouden, zo risicoloos, zo benepen, zo… truttig. De auteur vestigt in deze roman een nieuw record Zielloze Uitdrukkingen: hij 'besefte’ en zij 'realiseerde zich’ bijvoorbeeld. En niet alleen de stijl in De rode steen is ontzield, maar alles. Helaas, helaas.