Zuid-Afrikaanse zieners

Slacht al het vee en ons volk zal vrij zijn

In Zuid-Afrika werd de hunkering naar een nieuw begin, nu in popliedjes te horen, vroeger door profeten vertolkt. Het zwarte Xhosa-volk had Nongqawuse, de witte Afrikaners hadden Siener van Rensburg. Hun apocalyptische visioenen waren niet mals.

Xhosa-vrouw bij haar huis langs de Mbashe-rivier bij Mvezo, geboorteplaats van Nelson Mandela. Zuid-Afrika, 20 maart © Branko de Lang / ANP

Het is te vroeg om hier al over die massale veeslachting van 1856 te beginnen, of over de iets latere vernietigingsvisioenen van een ongeletterde boerenzoon. Nee, we gaan van start met iets positiefs, met een liedje dat ruim 260 miljoen keer is bekeken op YouTube. Klik op de link. Een elektronische beat en kreten in een taal van ver weg. Een vrouwenstem, diep en vol, in de traditie van Nina Simone en Miriam Makeba. ‘Jerusalema ikhaya lami…’ zingt ze in het Zoeloe. De song is opgetuigd met goed geplaatste, bluesy herhalingen. Dit is moderne gospel, gecomponeerd door een jonge Zuid-Afrikaan die zich Master KG noemt en vertolkt door een zangeres die als Nomcebo door het leven gaat.

Op YouTube gaat het vooral om het bijbehorende filmpje, bevolkt door enthousiast dansende zwarte jongeren. Er zijn online-handleidingen voor hun ingenieuze danspassen. Ontelbare gezelschappen, onder wie een groep als monniken verklede Italianen, hebben inmiddels hun eigen interpretaties op het web gezet. De vrolijk schuddende bruine pijen doen ons even dat ellendige 2020 vergeten. Heel even. Want ‘Jerusalema’ is een bedrieglijk lied. Het heeft eenzelfde melancholiek akkoordenschema als ‘Angie’ en ‘House of the Rising Sun’. En de woorden zijn allesbehalve happy. ‘Mijn plaats is niet hier’, zingt Nomcebo. ‘Mijn koninkrijk is niet hier/ Red me! Kom met me mee!’

‘Jerusalema’ is een als popsong vermomde uiting van een zwart Zuid-Afrikaans verlangen naar een ontsnapping uit de eeuwige vicieuze cirkel van geweld, ziekte en armoede, met de joods-Palestijnse stad als metafoor voor vrede en een nieuwe wereld. Nomcebo schreef de woorden toen ze in een depressie verkeerde, zei ze in een interview.

Zwart is niet alleen in dat verlangen. Voor ‘Jerusalema’ hadden we ‘De la Rey’, een popsong in het Afrikaans die zanger Bok van Blerk veertien jaar geleden opnam, en die op YouTube ruim twee miljoen keer is bekeken. Het in driekwartsmaat gespeelde deuntje is er zo een dat als klittenband aan je brein blijft plakken. Afrikaners, jong en oud, zongen het refrein destijds luidkeels mee, de hand plechtig op het hart: ‘De la Rey, De la Rey, sal jy die boere kom lei.’ Het was meer dan een ode aan de onversaagde generaal Koos de la Rey, die naam maakte in de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902). Het was een roep om een leider, iemand die de Afrikaners naar Jeruzalem kan dirigeren.

‘Jerusalema’ en ‘De la Rey’ zijn uitingen van de Zuid-Afrikaanse hunkering naar verlossing. In deze eeuw zijn het popliedjes die die gevoelens vertolken, vroeger waren het zieners en profeten die de geknakte volkeren de weg wezen. De essentie is dezelfde; het draait om het idee van een beloofd land, waar alles beter is, waar geen ziektes heersen, waar schoon water is, genoeg te eten en de koeien onbekommerd kunnen grazen.

Dit verlangen schoot wortel in de negentiende eeuw, toen Zuid-Afrika een periode van ongekende turbulentie doormaakte, waarin alles en iedereen in beweging was en doortastend leiderschap ontbrak. Het was een periode die twee invloedrijke profeten voortbracht: de analfabete tiener Nongqawuse die haar Xhosa-volk opdracht gaf al het vee af te slachten en de oogsten te vernietigen, en een Afrikaner Raspoetin genaamd Nicolaas ‘Siener’ van Rensburg, een ongeletterde herder en beschermeling van generaal De la Rey. Beiden excelleerden in apocalyptische visioenen.

Een beknopte versie van het verhaal van Nongqawuse luidt als volgt. Het meisje was rond 1841 geboren bij de rivier Gxara in wat tegenwoordig de Oost-Kaap heet, maar wat destijds deel uitmaakte van het Xhosa-koninkrijk in het zuidoosten van Zuid-Afrika. Haar ouders waren bij schermutselingen met de Britse kolonisten omgekomen, een oom had zich daarna over haar ontfermd. Op een maartse dag in 1856 ging de vijftienjarige tiener de velden in om de gewassen te beoordelen en de gulzige vogels te verjagen. Daar ontmoette ze enkele mannen die zich aan haar voorstelden als boodschappers van de Xhosa-goden. Ze vertelden haar dat haar volk al het vee moest slachten en de oogsten vernietigen, omdat die door hekserij waren besmet. Ook die hekserij moest onmiddellijk worden beëindigd! Als ze dit deden zouden de doden herrijzen, terwijl gezond vee al stond te trappelen om de aarde te betreden. Sappige maïs zou alle monden voeden.

Niemand geloofde Nongqawuse toen ze de wederwaardigheden later in het dorp vertelde. De volgende dag ging ze weer naar het veld, en wederom ontmoette ze de boodschappers. Ze verwittigde haar oom, een ziener. Die nam poolshoogte en kwam, wellicht dankzij zijn intens religieuze beleving, eveneens in aanraking met geesten uit het verleden. Tevens zag hij ‘nieuwe mensen’, een zwart volk uit Rusland, dat de Xhosa zou bijstaan om de witte kolonisten eens en voor altijd de zee in te drijven.

Oom vervulde vervolgens de rol van tussenpersoon. Er werden bijeenkomsten met chiefs georganiseerd en de profetie verspreidde zich onder de Xhosa. Het volk viel weldra uiteen in ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’. Maar de aanhangers van de profeet en de ziener waren in de meerderheid. In tien maanden tijd werden een geschatte vierhonderdduizend koeien geslacht. De dag des oordeels, de dag waarop de doden zouden herrijzen en de vijand de zee in kon worden gejaagd, bleef evenwel uit. In plaats daarvan werden de Xhosa getroffen door hongersnood en slonk de bevolking in het door de Britten bezette deel, Brits-Kaffrarië, van 105.000 tot 27.000. Nongqawuse zou tot haar dood in 1898 het schandkleed ‘profeet die haar volk heeft vermoord’ dragen.

Het klinkt als een typisch geval van Afrikaans bijgeloof, een beetje dwaas, amusant als het niet zo tragisch was. Maar de motivatie achter de slachtpartij is minder naïef dan het lijkt. In het sublieme boek over deze kwestie, The Dead Will Arise (Indiana University Press, 1989), schrijft historicus Jeff Peires: ‘De veeslachting was een logische en rationele respons, misschien zelfs een onvermijdelijke respons, van een volk dat tot wanhoop was gedreven door druk en spanningen die we ons vandaag de dag nauwelijks kunnen voorstellen.’ Peires, die zich voor zijn onderzoek baseerde op een uitputtende verzameling geschreven bronnen en gesprekken met Xhosa-ouderen, zet in zijn boek geduldig de sociale, economische en politieke omstandigheden uiteen, die de Xhosa tot deze verkapte volkszelfmoord aanzetten.

Het begon in de Kaap, waar de Britten in 1806 na de Slag bij Blaauwberg de macht van de Bataafse Republiek hadden overgenomen. De witte boeren aldaar, afstammelingen van Nederlanders, Duitsers en Fransen, waren de binnenlanden ingetrokken en stuitten in het oosten op de Xhosa, een volk van landbouwers en veetelers met een rijke traditie van vertellingen en rituelen. Al snel vonden er schermutselingen plaats tussen de boerencommando’s en de Xhosa. Dergelijke conflicten waren gebruikelijk in deze verwarrende tijden, ze hadden vooral te maken met vee en grond. Iedereen streed om nieuwe levensruimte.

Een voor een verdwenen de koeien, en het landschap oogde steeds kaler. Het wachten was nu op het teken

Maar met de bemoeienissen van de Britten en hun imperialistische aspiraties kregen die confrontaties een ander karakter, grimmiger en grootschaliger. Het eerste belangrijke gewapende treffen tussen de Xhosa en de Britten – de vierde zogeheten Frontieroorlog nadat er al drie met de boerencommando’s waren uitgevochten – vond plaats in 1811. Daarna zouden er nog vijf oorlogen volgen, totdat de Britten in 1879 de heerschappij over het hele gebied hadden. In de tussentijd waren er zo’n vierduizend settlers uit Engeland naar de regio verscheept om het iedereen in te peperen dat het ze menens was; Brits-Kaffrarië was meer dan een koloniale buitenpost, we are here to stay.

Mensen dansen op ‘Jerusalema’, Kaapstad, 24 september © Nardus Engelbrecht / AP ANP

De Britse bestuurders blonken uit in arrogantie, ze lieten zich niets gelegen liggen aan de aspiraties en tradities van de Xhosa. Het idee was: schrijf ze de Engelse wetten voor, beteugel de macht van de chiefs, breng de inboorlingen de christelijke beschaving bij en laat ze hard voor je werken. Kortom: breek ze. De militaire gouverneur Sir Harry Smith ging zelfs zo ver dat hij de Xhosa-chief Maqoma in het openbaar voor hem liet knielen, waarna hij zijn laars in de nek van de man plaatste en zei: ‘Dit is om je te leren dat ik ben gekomen om Xhosa-land te tonen dat ik hier chief en master ben.’

De oorlogen werden grimmiger. Xhosa gebruikten organen en schedels van gedode Britse soldaten voor tovenarij. De Britten deden qua wreedheden niet voor hen onder. Aan gevangennemen deden ze nauwelijks; de Xhosa werden als zwerfhonden afgemaakt en regelmatig onthoofd. Maar het frappantst, schrijft Jeff Peires in The Dead Will Arise, was dat de Britse militairen de Xhosa niet als mensen zagen. ‘Lieve moeder’, schreef een jonge soldaat in een brief naar huis, ‘het kost me absoluut geen moeite om een Xhosa te doden, terwijl ik nooit zonder erbarmen een hond zou kunnen doodschieten, maar voor deze Xhosa voelde ik niks.’

De Britten hadden vuurwapens, de Xhosa hadden daar geen antwoord op. Zij waren aangewezen op guerrillatactieken en gingen te rade bij hun profeten. Een van hen, ene Mlanjeni, beval hen om alle lichtgekleurde koeien uit de veestapel te verwijderen, want ‘zolang die bestaan, zal de natie sterven’. Ook had Mlanjeni voorspeld dat als de Xhosa-krijgers zich aan bepaalde geboden hielden, ze niet geraakt konden worden door de vijandelijke kogels. Het was een richtlijn die ontelbare levens eiste. Desondanks kostte het de Britten veel moeite om het uitgestrekte en bergachtige gebied onder controle te krijgen. Tijdens de Achtste Frontieroorlog, die van 1850 tot 1853 duurde, maakten ze gebruik van de tactiek van de verschroeide aarde om de Xhosa eronder te krijgen; de oogsten, de akkers, de onderkomens, alles werd platgebrand.

Dus toen Nongqawuse in 1856 haar visioenen kreeg was de situatie voor de Xhosa op zijn zachtst gezegd precair. In militair opzicht waren ze nagenoeg verslagen, ze hadden hun beste land en hun beste mannen verloren, en een groot deel van de veestapel was besmet met een dodelijke longziekte. Ze haatten de kolonisten, die hun land hadden afgepakt. En toen het nieuws hen bereikte dat een van de door hen verfoeide Britse commandanten was omgekomen bij gevechten ver weg, in de Krim, waren ze opgetogen over de macht van dat dappere volk, dat ze als ‘zwarte Russen’ omschreven. Zij zouden de Xhosa komen helpen om de kolonisten eens en voor altijd de zee in te drijven!

En precies toen kwam Nongqawuse met haar profetieën en geboden. Perfecte timing. Het massaal slachten van de toch al uitgedunde veestapel was het ultieme offer, dat zou leiden tot de wederopstanding van het ooit zo trotse en machtige Xhosa-volk. Een voor een verdwenen de koeien, en het landschap oogde steeds kaler. Het wachten was nu op het teken. De dag dat de zon rood brandend aan de hemel zou staan, gevolgd door een vernietigende storm, die samen met de verschroeiende zon zou afrekenen met de profetie-ontkenners, dat was de dag des oordeels. Daarna zouden de doden herrijzen, de blinden weer zien en de ouderen weer jong zijn. De zwarte Russen zouden de strijd met de Britten aanbinden. Het uiteindelijke doel, schrijft Peires, was dat ‘iedereen in een gelukzalige staat verkeerde’.

Toen die dag ondanks een aangekondigde datum niet aanbrak, bekend als de Grote Teleurstelling, werd dat door de volgelingen van de profeet uitgelegd als een teken dat de mensen zich niet aan de geboden hadden gehouden. Sommigen vroegen zich heimelijk af of het meisje er niet in was geluisd door snode Britten, die als goddelijke gezanten vermomde assistenten op haar af hadden gestuurd om de Xhosa te misleiden. Dergelijke overwegingen deden niets af aan de harde realiteit: het was gedaan met het onafhankelijke Xhosa-rijk. Het ooit zo trotse volk zat op de knieën. Zij die na de hongersnood en uittocht waren overgebleven waren in de woorden van gouverneur Sir George Grey ‘nuttige dienaren, consumenten van onze goederen, goed voor onze inkomsten’.

Nongqawuse ®, de profeet die haar Xhosa-volk opdracht gaf al het vee af te slachten en de oogsten te vernietigen, en Nonkosi, een andere profeet van dezelfde beweging © frontierpartisans.com

Zeven jaar na de veeslachting werd in 1864 op een boerderij bij het dorp Wolmaransstad Nicolaas van Rensburg geboren, een simpele Afrikaner die slechts één boek bezat, de bijbel, die hij met hulp van zijn moeder letter voor letter, woord voor woord tot zich nam. Van Rensburg groeide op in de Zuid-Afrikaansche Republiek, oftewel de Transvaal, een onafhankelijke staat die was gesticht door Afrikaners die weigerden om zich te onderwerpen aan het Britse bestuur in de Kaap. De Van Renburgs waren een van de Afrikaner gezinnen die tussen 1835 en 1846 met ossenwagens naar het noorden waren getrokken, hunkerend naar vrijheid. Nicolaas was een verlegen, in zichzelf gekeerde jongen. Zijn vader, een rauwe boer, achtte hem alleen geschikt om een beetje op de schapen te letten.

Net als de Xhosa hadden de Afrikaners zich verkeken op de Britse expansiedrang. Zeker toen bekend werd dat in de Transvaal belangrijke goud- en diamantvoorraden waren ontdekt, vonden de Britten dat het tijd was om zich ook hier eens flink met de gang van zaken te bemoeien. In 1899 werden de eerste schoten gelost in de Anglo-Boerenoorlog. De inmiddels 35-jarige Nicolaas van Rensburg werd opgeroepen om te dienen in de Boerencommando’s. Hij was een opmerkelijke soldaat. Volgens de getuigenissen beroerde hij nooit een vuurwapen, maar was hij wel veelvuldig aan het front te vinden. Zijn belangrijkste bijdragen waren zijn visioenen.

Siener voorspelde onder meer de Russische Revolutie, aids, de komst van Nelson Mandela en Covid-19

Op 16 oktober, vijf dagen na het begin van de oorlog, had hij er al een: ‘Ik zie onze mannen over de donkere grond vluchten. Dan zie ik onze vrouwen en kinderen met honderden en duizenden op een kluitje. Ik kan de kinderen horen huilen. De vrouwen waren ook vol verdriet en wanhoop, en terwijl zij opgejaagd worden, zie ik onze huizen en akkers branden. Een vuurgloed van horizon tot horizon, alles onder de rook en vlammen… Het was verschrikkelijk.’

Deze profetie kan probleemloos worden uitgelegd als een voorspelling over het einde van de oorlog drie jaar later, nadat de Britten ook hier met succes de nietsontziende tactiek van de verschroeide aarde hadden toegepast. Ze brandden 67.000 Afrikaner boerderijen af en stopten 93.940 Afrikaner vrouwen en kinderen in concentratiekampen. De omstandigheden daar waren erbarmelijk en bijna 28.000 kampbewoners, vooral kinderen, overleefden het niet.

Nicolaas zwierf tijdens de oorlog tussen verschillende commando’s en kwam uiteindelijk onder de hoede van generaal De la Rey, de man van het lied van Bok van Blerk, die hem hoog inschatte. ‘Siener’ had ontelbare visioenen, waarvan er vele uitkwamen. Zo zag hij bijvoorbeeld het spookbeeld van zijn eigen familie die gevangen werd genomen. En ziedaar, twee van zijn dochters zouden overlijden in een concentratiekamp. Minstens zo luguber was een latere droom waarin generaal De la Rey zijn opwachting maakte in een met bloemen opgetuigd rijtuig. Ook nummer vijftien verscheen in die droom. Iets meer dan een maand later, op 15 september 1914 werd De la Rey bij een wegversperring abusievelijk door de politie doodgeschoten. Siener had hem gewaarschuwd.

In totaal deed Siener van Rensburg zo’n zevenhonderd voorspellingen, die in de loop van de jaren door zijn dochter Anna met pen in een boek werden opgetekend. Met een beetje goede wil en veel fantasie kun je stellen dat hij onder meer de Russische Revolutie, de Tweede Wereldoorlog, de ramp bij Tsjernobyl, aids, de komst van Nelson Mandela, het einde van de Nationale Partij, het einde van de witte heerschappij in Zuid-Afrika, het einde van het communisme, de geboorte van de Europese Unie, Saddam Hoesseins inval in Koeweit, Robert Mugabe’s rampzalige leiderschap in Zimbabwe en zelfs Covid-19 voorspelde.

Siener verpakte zijn vaag geformuleerde visioenen in de bombastische taal van het Oude Testament, met apocalyptische beelden vol kleuren, die ontleend leken aan de Openbaring van Johannes. Mogelijk waren zijn visioenen te danken aan epileptische hallucinaties. Hij beschreef de toestand in zijn brein tijdens die momenten als ‘wolken en een soort mist, gevolgd door een geleidelijk verdwijnen van de waas, waarna ik met grotere helderheid kon zien’.

Nicolaas ‘Siener’ van Rensburg © Wikipedia

‘Jerusalema’ en ‘De la Rey’ leken in eerste instantie liedjes van verschillen planeten. Bij nadere beschouwing bleken ze in elkaars verlengde te liggen. Dat geldt ook voor Nongqawuse en Siener van Rensburg. Beiden zijn vertegenwoordigers van het millennialisme, een van oorsprong joods-apocalyptische stroming die een duizendjarig vredesrijk belooft. Dergelijke bewegingen vinden vruchtbare bodem bij groepen wier sociale structuren door traumatische gebeurtenissen blijvend beschadigd zijn. Dat de Xhosa-maatschappij door de komst van de Britse kolonisten en militairen en negen oorlogen volledig ontregeld was, lijdt geen twijfel. Voor de Afrikaners gold na de verloren Anglo-Boerenoorlog iets vergelijkbaars. Zij bleven berooid en ontredderd achter, zonder duidelijke leiders. In 1914 deed een groep van zogenaamde ‘Bittereinders’ nog een poging tot opstand, waar ook Siener van Rensburg bij betrokken was. Maar die werd in de kiem gesmoord. Het was een soort Brits natrappen, waarmee de geestelijke en materiële malaise compleet was.

In dergelijke situaties is een profeet, de zonderling, de outcast, de visionair, de aangewezen persoon om oude tradities te combineren met nieuwe interpretaties die orde in de chaos moeten brengen. Zowel de Xhosa als de Afrikaners vielen terug op de irrationaliteit en kwamen met een laatste stuiptrekking, een wanhoopsoffensief dat, ongeacht de uitkomst, onvermijdelijk afstevende op een nieuw begin. Het idee was dat de apocalyps, de totale vernietiging, aantrekkelijker is dan een voortdurend lijden en onderworpen zijn.

Bijna 95 jaar na zijn dood speelt Siener van Rensburg nog immer een belangrijke rol in de Afrikaner psyche. Iedereen kent zijn naam, en met name in conservatieve, rechtse kringen worden zijn breedvoerige voorspellingen nauwkeurig ontleed en in het huidige tijdsgewricht gepast. Nog altijd heerst de hoop op een wederopstanding van de Afrikaner natie, waar sinds de verkiezingen van 1994 en het einde van de apartheid weinig meer van over is. Siener beschouwde zijn volk als ‘uitverkoren’, net als de Israëlieten.

Hij voorspelde zware tijden, met onderlinge heibel en een ‘geweldige maar kortstondige storm’. Er zal een emmer bloed omvallen, waarna de vlag in dit bloed zal worden gedrenkt, orakelde hij. Maar uiteindelijk gloort de vrijheid. ‘En die bloedvlag zal wapperen over een vrij volk’, sprak hij. Vanzelfsprekend doet Siener het ook goed op sociale media. Op Facebook zijn diverse Siener-fora met duizenden leden, waar mensen vragen stellen zoals ‘Kan Siener alsjeblieft zeggen of het land rustiger zal worden, of dat er nog ergere dingen te wachten staan?’ Daarop komen dan 82 reacties, voornamelijk van mensen die zeggen dat het allemaal nog veel erger gaat worden voordat het beter wordt. Veel bidden, luidt het devies.

Nee, dan Nongqawuse. Ook haar naam leeft voort. Maar haar plek in de geschiedenis is die van een zwarte bladzijde. Natuurlijk, het verhaal is fascinerend, en het is gebruikt in diverse literaire werken, waaronder Zakes Mda’s The Heart of Redness uit 2000. Op het internet circuleert een enkele foto van haar. In de Oost-Kaap bij de rivier Gxarha is een vallei naar haar vernoemd. En regelmatig is het tijd voor een herinterpretatie. Zo wordt in feministische hoek de theorie geopperd dat Nongqawuse als weeskind seksueel was misbruikt, en dat ze daarom via een van haar geboden ‘een einde aan incest, overspel en hekserij’ eiste. In de Xhosa-cultuur valt haar naam regelmatig in versjes, met regels als: ‘O! Nongqawuse!/ De dochter van Mhlakaza/ Zij vermoordde onze natie/ Zij vertelde de mensen, ja alle mensen/ Dat de doden uit hun graven zouden herrijzen/ Dat ze vreugde en rijkdom zouden brengen/ Maar ze vertelde leugens.’

In tegenstelling tot Siener is haar erfenis niet kneedbaar. Haar visioenen lenen zich niet voor herinterpretaties. Zoals Peires tegen het einde van het boek opmerkt: ‘Onafhankelijk Xhosa-land was dood; Nongqawuse en Sir George Grey hadden de Xhosa voorgoed omgevormd tot Zuid-Afrikanen.’

Maar… ze hadden daarmee ook de basis gelegd voor de toekomst van het land. De armoede, de onderdrukking, de verbittering en de trauma’s vormden een ideale bodem voor de zwarte vrijheidsstrijd die begin twintigste eeuw aanving, met het voormalige Brits-Kaffrarië als belangrijkste broedplaats. In 1994 zou dit culmineren in de inauguratie van de beroemdste Xhosa aller tijden, president Nelson Mandela.