Kristien Hemmerechts

Slachtoffer of demon?

Kristien Hemmerechts heeft van Michelle Martin, de ex-vrouw van Marc Dutroux, een beklagenswaardige figuur gemaakt. Feit en fictie gaan een ongelukkig huwelijk aan.

Medium fpmartin

Een goede schrijver heeft profetische gaven, vond Hugo Claus, al moet je wel meteen de omfloerst ironische manier waarop hij zoiets kon zeggen erbij denken. Hij deed deze uitspraak in interviews rond het verschijnen van zijn roman De geruchten in 1996, dat net samenviel met de arrestatie van Marc Dutroux en aanverwanten. Met terugwerkende kracht leek het alsof Claus in de beerput België tot op de bodem afdaalde, in zijn kenschets van het Vlaamse platteland waar het broeit en gist in vochtige kelderruimtes.

Het Kwaad blijft bij Claus een abstract fenomeen, ook in de opvolgende roman Onvoltooid verleden (1998). Hij maakt weliswaar een toespeling op de zaak van de ontvoerde meisjes, maar vertelt zelf een ander verhaal van misbruik en moord. Met zijn lyrische taal, en zijn fragmentarische manier van vertellen, onttrekt Claus zich sowieso aan een één-op-één-relatie tussen zijn werk en de werkelijkheid.

In de recensie van Onvoltooid verleden destijds, op deze plek, voorzag de bespreekster dat over twintig jaar de affaire-Dutroux veilig opgeborgen zou zijn in de geschiedenisboekjes, en dat Claus’ tweeluik over het kwaad onverminderd onrustbarend zou zijn. Weliswaar zijn er nog vier jaar te gaan, maar voorlopig wijst niks erop dat het chapiter Dutroux afgesloten raakt. En of Claus nog vaak ter hand wordt genomen? Nou ja, vást. Waarom ook niet.

Over de link tussen de laatste roman van Kristien Hemmerechts en de werkelijkheid hoeft intussen niet schimmig te worden gedaan. ‘Roman geïnspireerd op het leven van Michelle Martin, ex-vrouw van Marc Dutroux’ staat op het omslag. Het hoofdpersonage, de ik-vertelster, heet Odette, en de man aan wie ze gelieerd raakt wordt aangeduid als M., maar verder lijkt alles rechtstreeks onttrokken aan de feiten voor zover bekend. ‘De meest gehate vrouw van België. Zo noemen ze mij’, luiden de openingszinnen van de roman die de vorm heeft van één lange lamentatie.

In interviews hamert Hemmerechts erop haar research te hebben gedaan, en er niet zomaar op los te hebben gefabuleerd. Het maakt het rumoer in België er niet minder om, misschien wel meer. Het is het lot dat iedere schrijver wacht die zijn stof van nabij haalt, of in een open wond peurt. De Ierse schrijfster Emma Donoghue werd bij de publicatie van haar roman Room (2010) beticht van sensatiezucht, omdat ze garen gesponnen had van het Oostenrijkse Fritzl-drama. Desgevraagd antwoordde ze inderdaad geïntrigeerd te zijn geraakt door het bericht van de jongste zoon van Fritzls dochter Elisabeth, die hij in de kelder onder zijn huis opgesloten hield. Het jongetje belandde als vijfjarige plotsklaps in de buitenwereld nadat zijn doodzieke zus in het ziekenhuis de argwaan had gewekt van de dienstdoende arts. ‘Het idee van het ontvankelijke kind dat in de wereld belandt als een marsmannetje dat kennis maakt met de aarde, dat trof me’, lichtte Donoghue toe.

Donoghue’s roman, die voor de Man Booker Prize en de Europese Literatuurprijs werd genomineerd (en in het Nederlands werd vertaald als Kamer), heeft in letterlijke zin niet zoveel met het Fritzl-geval te maken. Hij laat zich lezen als het verhaal van moeder en kind, in extreme symbiose verbonden, eerder dan als een ontvoerings- en verkrachtingsdrama. Het feit dat voor het jongetje, Jack, de buitenwereld niet bestaat, maakt van de gevangenis ook zijn toevluchtsoord, het verlengde van de moederschoot. Donoghue koos hiermee een typisch literair uitgangspunt, geheel en al berustend op de verbeeldingskracht van de schrijver. Ze probeerde hiermee het ondenkbare binnen de muren van het voorstelbare te halen, zoals uiteindelijk iedere schrijver misschien wel daarmee bezig is, van Multatuli tot Mulisch, van Jelinek tot Dorrestein (Renate).

En zoals ook de Duitse schrijver Michael Kumpfmüller dat deed, nadat hij in de krant het berichtje las over een jonge vrouw uit Frankfurt aan de Oder, Daniela J., die bij een nieuwe vriend introk nadat ze twee van haar kinderen thuis in een afgesloten kamer had achtergelaten. Ze kwamen om van de dorst. Kumpfmüller schreef op basis van dit gegeven de roman Durst (2003; in 2004 verschenen onder de titel Dorst). In een vervreemdende vertelstijl, met gedistantieerd perspectief – ‘Op een dag in de zomer rond het middaguur, toen het al erg warm was, waste een jonge vrouw aan de wastafel haar haar en dacht na over haar leven’ – worden de dertien dagen beschreven tussen het moment dat de vrouw haar zoontjes opsluit en de dag dat ze in aanwezigheid van de politie terugkeert.

Small hemmerechts omslag
Hemmerechts’ realistische verteltrant, die in haar andere werk zo sterk kan uitpakken, breekt haar in deze roman op

De kinderen spelen slechts op de achtergrond een rol, af en toe duiken ze op in de gedachten van de moeder. ‘Er was maar een enkel duidelijk, losstaand beeld, zonder merkbare beweging maar heel helder, de twee kinderen in hun kamer, achterin bij de radiatoren, alsof ze daar sliepen (het waren geen bewegende beelden), helemaal murw en alsof ze zich hadden overgegeven, in een schaduwrijk hoekje, zonder geluid.’

Zelf lijkt de vrouw in een soort trance te verkeren. ‘Ze had geen plan en wist niet waar ze heen moest, maar dat kon haar niets schelen, ook dat ze nu begon te huilen en dat ze zweette, het mollige meisje met haar belachelijke koffer, alsof ze zomaar uit haar leven wegliep.’ Kil en kaal wordt haar gang genoteerd, zonder dat er iets wordt verklaard of uitgelegd. Er is geen dader, er zijn geen slachtoffers. Er is alleen het bij de keel grijpende gegeven, uiterst deprimerend, van een anonieme vrouw, zomaar een stadsbewoonster, die bereid is haar kinderen op te offeren aan een vaag verlangen naar bevrijding.

Met De vrouw die de honden eten gaf heeft Kristien Hemmerechts het zichzelf in zekere zin moeilijker gemaakt. Ze is heel dicht bij huis gebleven, en heeft ijverig haar huiswerk gedaan. De vragen die ze wilde beantwoorden met haar boek zijn allemaal te herleiden naar de reële gebeurtenissen. Wie is of was Michelle Martin, waarom raakte ze verliefd op een monster, waarom was zij hem ter wille bij zijn perverse activiteiten, en – om ook nog eens aan te sluiten bij de grootste aanklacht van het toegestroomde volk, belust op wraak – waarom gaf ze wel de honden te eten, en niet Julie en Melissa? De meest gehate vrouw van België wilde ze, naar eigen zeggen, een stem geven. De feiten waren haar bouwstenen, op basis daarvan is ze aan het werk getogen.

Het risico van een dergelijke onderneming is dat de kitscherige uitkomst bij voorbaat al ingebakken lijkt. Het is een vergelijkbare kitsch als die van de vie romancée, en van het true crime-genre. De romantisering – letterlijk – is onvermijdelijk; het handelen moet worden gepsychologiseerd, een karakter verklaard. Niemand zit te wachten op abracadabra zo gauw het op de recapitulatie van ware misdaad aankomt, men wil een kop, een staart, en dan ook maar een kijkje in de horrorkelder waar die meisjes zitten te snakken naar eten en drinken. De schrijfster zal het er vast moeilijk mee gehad hebben, zoals ze ook in interviews verklaart (‘ik had het idee die meisjes opnieuw te vermoorden’), maar ja, het kwam met de opdracht die ze zichzelf gesteld had.

Het maakt van De vrouw die de honden eten gaf een merkwaardig platte roman die vooral zijn belang ontleent aan het feit dat hij is geïnspireerd op et cetera. Hannah Arendts theorie over de banaliteit van het kwaad, waaraan Hemmerechts ook het motto ontleent van haar roman, krijgt hier wel een erg banaal gezicht. Op z’n best zou literatuur inzicht kunnen verschaffen dat op een andere manier niet verkregen kan worden, los van feiten en psychologie. Hemmerechts komt feiten noch psychologie te boven. Haar Odette is een beklagenswaardige figuur, type slachtoffer-van-loverboy, die valt voor de foute man omdat ze thuis liefde tekortkomt. En dus treffen we haar vanaf de eerste bladzijden aan slepend met emmertjes sop, gebukt gaand onder de tirannie van haar moeder, verlangend naar een papegaai als huisdier en genoegen nemend met een hond. ‘Eerst regelde mijn moeder alles, daarna zei M me wat ik moest doen.’ Op school leest ze Le petit prince. Ze had gehoopt dat het met M ook zo zou gaan: hem stapje voor stapje te temmen, zoals de prins de vos temt. Haar seksuele pleziertjes met M zouden op iets ambigu’s moeten duiden, maar komen vooral heel erg over alsof ze uit de koker van Kristien Hemmerechts komen. Feit en fictie gaan een ongelukkig huwelijk aan. In haar interpretatie van handelingen en motieven is Hemmerechts tegelijkertijd slaafs en opzichtig. ‘Ik mocht niet denken aan de meisjes in de kelder. Dat was uitgesloten. Absoluut uitgesloten. Positieve gedachten. Zo stond het in de brochure over borstvoeding. Stress vermijden. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Maar ik wilde het proberen. Ik moest het proberen.’ Vooral het feit dat een moeder van jonge kinderen dit andere jonge kinderen aandoet, lijkt ze met alle macht recht te willen breien. En dus worden we getrakteerd op een overkill aan treurig huisvrouwenleven, met kapotte waterleidingen, drukke kinderen, de behoefte aan slaap, hoofdpijn en gebrek aan spierkracht. ‘Wat die journalisten ook niet beseffen, of niet weten, of niet willen weten, is dat het leidingwater in het huis afgesloten was. Om iedereen eten en drinken te geven, had ik bij mij thuis een jerrycan met water moeten vullen en meezeulen naar daar. Ik ben Hercules niet!’

Hemmerechts’ realistische verteltrant, die in haar andere werk zo sterk kan uitpakken, breekt haar in deze roman op. Odette zeurt maar door, eentonig in haar zelfbeklag, dagelijks in wat ze te melden heeft, pathetisch in haar zwakte. Het vermenselijken van het kwaad wordt in deze roman het verexcuseren van het kwaad. ‘Ik had geen keus. Hij zou zich wreken. Ik wist waartoe hij in staat was. Ik wilde onder de paraplu van zijn bescherming schuilen en blijven schuilen. Zolang hij mij nodig had zou hij mij niet uit de weg ruimen. Ik moest hem ervan overtuigen dat hij op mij kon rekenen en dat ik hem blindelings gehoorzaamde.’

Het feit dat haar monoloog ondertussen wel betrekking heeft op iets wat écht is gebeurd, iets waar nabestaanden nu nog iedere dag mee opstaan en naar bed gaan, geeft het geheel een tacky kantje. Hoe Hemmerechts haar heldin zich voor haar daden laat verontschuldigen, is het dieptepunt, op het smakeloze af, zo hol zijn de bewoordingen: ‘Ik vind het verschrikkelijk voor die ouders dat ze hun kinderen kwijt zijn. Dat is het ergste wat een mens kan overkomen. Ik ben ook moeder, ik lijd voor hen. Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hen denk.’

Wat maakt deze roman duidelijk? Wat levert hij op? Geen idee eerlijk gezegd.


Kristien Hemmerechts. De vrouw die de honden eten gaf
De Geus, 248 blz., € 19,95

beeld: Michelle Martin tijdens de rechtszaak in Arlon, 8 juni 2004. credits: AFP / ANP