Met de roman Alle pijn van de wereld heeft Arnold Karskens (1954), oprichter en voorzitter van de nieuwe omroep Ongehoord Nederland, twee jaar geleden afscheid genomen van het bestaan als oorlogsverslaggever. Het beeld van de oorlog in deze volgens de achterflap ‘autobiografische sleutelroman over oorlogsjournalistiek’ verschilt in essentie niet van dat in de vele tientallen oorlogsreportages die Karskens sinds de jaren tachtig heeft geschreven, uit alle delen van de wereld. In een oorlog à la Karskens overleven slechts de ergste cynici, de bad guys, door nietsontziend opportunisme en corruptie.

In de fictieve, smerige guerrillaoorlog van de roman, die aan Irak na 2003 doet denken, is iedereen slachtoffer, ook de (Nederlandse) militairen die net doen alsof ze vredestichters zijn. De lokale bevolking is het eerste slachtoffer van zowel het lokale conflict als de buitenlandse interventie: die wordt platgebombardeerd, ontvoerd, gemarteld. De hoofdpersoon, oorlogscorrespondent Dick Ricks, houdt het hoofd boven water te midden van combattanten die op zijn geld en zijn leven uit zijn, buitenlandse militairen die zijn berichtgeving over hun excessen censureren en collega-verslaggevers die zonder zelf risico’s te nemen zijn moeizaam vergaarde frontprimeurs jatten. Wat voor Ricks een dagelijks existentieel gevecht is, betekent voor zijn krant slechts handel.

De lezer die niet afhaakt in deze wat eentonige litanie vermoedt al snel dat het slecht gaat aflopen. Eenmaal terug op de redactie in Nederland schiet Dick Ricks de meeste van zijn collega’s dood en pleegt daarna zelfmoord. En wel op een manier die vermoedelijk moet aantonen dat er volgens de auteur nauwelijks nog verschil is tussen het strijdtoneel waaruit zijn personage is teruggekeerd en Nederland. Ook in ons land wonen namelijk ‘baarden’, oftewel islamistische moslims. Ricks loopt op zo’n groepje af en roept ‘stinkende kamelenneukers’. De verlossende dolkstoot laat niet lang op zich wachten.

Wat er ook autobiografisch is in deze roman, niet dit gewelddadige levenseinde dat, aldus de flaptekst, ‘de kern van een dodelijke drang’ blootlegt. In plaats daarvan heeft Karskens een eigen omroep opgericht die – zo heeft de minister besloten – per 1 januari tot het publieke bestel wordt toegelaten. Volgens berichtgeving in de NRC, eerder deze maand, hebben het Commissariaat voor de Media en de Raad voor Cultuur, die moeten adviseren over de toelating van nieuwe omroepen, nogal geworsteld met Ongehoord Nederland. Maar zorgen over de verspreiding van ‘desinformatie’ leverden – in de ogen van de minister en zijn adviseurs – kennelijk niet voldoende juridische gronden op om de nieuwe omroep te weigeren.

Ongehoord Nederland, kortweg ON geheten, oefent al op YouTube. In een soort talkshow geeft een blonde dame, voormalig pvv-Kamerlid, sarcastische commentaren over de Haagse politiek ten beste, en daarover worden dan weer Kamerleden van de pvv of Forum voor Democratie om commentaar gevraagd. Andere dames zijn gespecialiseerd in kritiek op de ‘mainstream media’ of ‘woke’, zoals de in hun visie dreigende verplichtstelling in het Nederlandse onderwijs van critical race theory. Opmerkelijk was vorig jaar ook het ‘Zwarte Pietenjournaal’, waarvoor ON een heuse stoomboot had ingehuurd, en waarin de kleinen werden getrakteerd op een interview door Zwarte Piet met de politicus Geert Wilders, die herinneringen ophaalde aan de gezellige Sinterklaasavonden van vroeger.

De magazine-achtige programma’s van Ongehoord Nederland zijn echter een recente vinding. Meer dan een jaar lang was de voornaamste manifestatie van ON op YouTube een wekelijks commentaar van oprichter Arnold Karskens. ‘Is Nederland nog te redden?’ vroeg hij zich daarin onder meer af. De voormalige oorlogsverslaggever leek de conflicten in den vreemde te hebben ingewisseld voor culture wars waarin Nederland verwikkeld is: ‘Christelijke feestdagen als Kerstmis en Pasen zullen winter- en lentefeest moeten heten. (…) Kerken en synagogen worden gesloopt. Uiteindelijk zullen de blanken en christenen moeten verdwijnen uit Europa. (…) De dictatuur van de migrant is een voldongen feit.’ Karskens deed enkele malen live verslag van betogingen tegen de coronamaatregelen en ook de ‘klimaatgekte’ kan steevast op zijn kritiek rekenen. Dat de mh17 is neergehaald met een door Russische militairen afgevuurde raket is volgens Karskens niet bewezen.

Het hele palet van de lunatic fringe komt bij Ongehoord Nederland voorbij. Karskens lijkt er vast van overtuigd dat de zogeheten ‘mainstream media’ en de gevestigde politieke partijen – behalve de pvv natuurlijk – betrokken zijn bij een gestroomlijnde poging om de Nederlandse burger een oor aan te naaien ten aanzien van de werkelijke gevaren die hem bedreigen en de aandacht af te leiden met verhalen over covid en het klimaat, waarvan ‘alternatieve wetenschappers’ al lang hebben ‘bewezen’ dat het verzinsels zijn.

Persoonlijk ben ik niet zo geïnteresseerd in dit soort samenzweringstheorieën, zelfs niet als tijdsbeeld of voor de grap. Maar bij Arnold Karskens ligt dat toch een beetje anders. Ik heb hem namelijk persoonlijk gekend en – ofschoon we nooit echt vrienden zijn geweest – ook als oorlogscorrespondent bewonderd en als mens een aardige jongen gevonden. Als iemand die je kent van het pad raakt, rijst onwillekeurig de vraag: hoe is dat zo gekomen? Is hij gek of ben ik het?

Het meest voor de hand ligt natuurlijk om hem dat zelf te vragen. Maar aan de telefoon vergast hij mij op een monoloog die neerkomt op een soort Ongehoord Nederland light: zijn omroep staat open voor iedere Nederlander die zich ongehoord voelt. In een volwassen democratie moet iedereen zijn zegje kunnen doen, mailde hij mij al voorafgaand aan het gesprek, en noemde als voorbeeld de gelovigen in graancirkels. Maar wegdromen bij graancirkels is toch nog wel even iets anders dan de gevaren van covid ontkennen of zeggen dat de zorgen over klimaatverandering onzin zijn, houd ik hem voor. Niet alle ideeën verdienen een platform, er zijn er ook die onoorbaar zijn.

Karskens’ argumenten zijn procedureel: alle ideeën verdienen een plaatsje onder de zon, ook ideeën die tot nu toe door de mainstream media geboycot werden, betoogt hij. En daar gaat ON dus verandering in brengen: ‘Let maar op: wij worden de grootste omroep van Nederland.’ Er is, meent hij, geen enkel licht tussen zijn werk voor de nieuwe omroep en zijn vroegere werk als oorlogscorrespondent. In beide gevallen was en is waarheidsvinding zijn doel en daarvoor is het nodig dat alle stemmen gehoord worden, of die nu bij de machtigen in politiek en media in de smaak vallen of niet.

Arnold Karskens met (l) de gouverneur Abdul Majid en ® de politiechef Mohammad van district Shorabak in Kandahar. Afghanistan, september 2005 © Arnold Karskens / ANP

Ik blijf na het telefoongesprek verward achter. Moet ik dat serieus nemen, dat het Karskens alleen te doen is om de vrijheid van meningsuiting en de democratie? Of is hij een opportunist die – nu zijn gevorderde leeftijd het moeilijker maakt als oorlogsverslaggever door het leven te gaan – gewetenloos gezocht heeft naar een gat in de markt en dat toevallig heeft gevonden bij xenofobe praatjes en allerlei complotten en alternatieve waarheden? Hoe kom ik daarachter, geen psycholoog of helderziende zijnde?

Misschien door zijn geschriften. Karskens heeft door de jaren heen veel geschreven – talloze oorlogsreportages en blogs, en maar liefst zestien boeken. Zou het mogelijk zijn om aan de hand van deze omvangrijke productie na te gaan waar het omslagpunt lag, van originele vent naar excentrieke omhelzer van gekkigheid? Aan tekstanalyse is natuurlijk altijd een zekere mate van giswerk en subjectiviteit eigen. Maar het is beter dan niks.

Karskens ontpopt zich in zijn latere werk steeds meer als een wreker, iemand die als een soort vertolker van de ‘wrake Gods’ oorlogsmisdadigers ontmaskert

Ik ken Karskens van een eind jaren negentig mede door hem opgericht clubje van Nederlandse oorlogscorrespondenten. Ik geloof dat Karskens een soort belangenbehartiging van de beroepsgroep voor ogen had, maar voor de overige leden – een twintigtal schrijvende journalisten en fotografen – was het vooral een gezellige eetclub die eens per jaar bij elkaar kwam. Op zo’n avondje is de club ook weer uit elkaar gevallen, mede door Karskens’ toedoen: hij maakte bezwaar toen op de groepsfoto die we jaarlijks maakten iemand in beeld dreigde te komen die geen oorlogscorrespondent was. Toen hij daar later aan tafel mee geplaagd werd, stormde hij woedend naar buiten. Einde clubje.

Mijn aanwezigheid in het gezelschap had ik te danken aan het feit dat ik een aantal jaren regelmatig verslag had gedaan van de oorlogen in voormalig Joegoslavië. Net als veel andere verslaggevers in gewelddadige conflicten heb ik mijn portie aan gevaarlijke situaties wel gehad: de kogel die net langs ging, de granaat die gelukkig elders insloeg, de – liefst dronken – strijder van deze of gene militie die zijn dreigement tegen de journalist als ‘spion op hand van de tegenpartij’ gelukkig op het laatste moment niet waarmaakt. En natuurlijk het permanente besef van de nabijheid van de dood, die van jezelf en die van de lijken langs de weg.

Voor mij en veel andere leden van ons clubje was ‘oorlog’ iets waar we toevallig tegenaan waren gelopen, als een uitvloeisel van belangstelling voor een bepaalde regio of problematiek. Menigeen voelde bovendien een zekere verantwoordelijkheid voor het boven water krijgen van de waarheid. Soms kan dat alleen maar door eigen aanschouwing, in weerwil van eventuele gevaren of nadelen – een motivatie die je ook bij andere journalisten aantreft. Wat erg verschilt is de mate waarin een mens psychisch omgaat met gevaar en gruwel in een oorlog. Angst en afkeer zijn sterk individueel bepaald, en dat kan met de tijd per individu ook nog veranderen. Sommigen kunnen er in het geheel niet tegen, anderen laat de oorlog betrekkelijk onberoerd. Ik vond het heel erg anderen te zien lijden, en was ook regelmatig bang, maar ik sliep er achteraf niet slecht van, en evenmin werd ik verlamd door angst als ik weer ergens naartoe moest.

Er is ook een categorie verslaggevers die de eigenaardigheden van een oorlog als het ware omhelst en het gevoel heeft pas echt te leven in zo’n omgeving. Soms is dat verbonden met sympathie voor een bepaalde zaak, maar in andere gevallen is het verlangen naar oorlog een op zichzelf staand existentieel verlangen, zoals het dat, met name in vroeger eeuwen, ook voor militairen kon zijn. Karskens heeft dat psychische mechanisme bij zichzelf met prijzenswaardige eerlijkheid beschreven in zijn eerste, in 1995 verschenen boek Berichten van het front: ‘De onverzadigbare honger naar geweld en dood houdt aan. Dat is het vreemde van oorlog: het stoot je af, maar je krijgt er nooit genoeg van.’ Op een andere plaats maakt hij duidelijk dat zijn belangstelling niet in de eerste plaats de achterliggende problematiek betreft en evenmin voortkomt uit de wens de gevolgen van oorlog aan de kaak te stellen. ‘Morele verontwaardiging, over hoe erg de ellende is, is iets voor buitenstaanders’, schrijft hij. ‘Ik ervaar het gezicht van de dood als een opluchting: dit is de oorlog die ik zoek.’

Bij de verschijning van Berichten van het front was Karskens al bijna anderhalf decennium oorlogsverslaggever in tientallen gewapende conflicten op alle continenten. Karskens kan goed schrijven – zijn indrukken van het junglecommando van Ronnie Brunswijk in dit eerste boek zijn een kras staaltje van journalistieke ontluistering. In andere hoofdstukken wreekt zich enigszins de egocentrische benadering. Bijna steeds staat centraal hoe Karskens te midden van gevaar, smerigheid en ander ongerief overleeft en niet zelden door het oog van de naald kruipt.

De verslaggever Karskens lijdt, net als de mensen waarover hij schrijft, of dat nu onschuldige burgers, guerrillero’s of andere soldaten zijn. Van ironie is deze auteur gespeend, wat aan zijn werk iets eentonigs geeft. Zijn favoriete stijlfiguur is eerder sarcasme. Hij heeft een scherp oog voor leugenachtigheid, wreedheid, opportunisme en andere onaangename trekken van de deelnemers aan een conflict – ook bij de internationale vredestroepen die in de loop van de jaren negentig op steeds meer plaatsen in de wereld opduiken.

En niet te vergeten bij collega-journalisten die in oorlogsgebied Karskens’ pad kruisen. Hun veelal laffe, luie en parasitaire gedrag is een wederkerend thema. Hij veracht lounge lizzards, collega’s die de lobby van het hotel niet verlaten en dan de avonturen van vakgenoten die wel met gevaar voor eigen leven eropuit trekken als hun eigen bevindingen presenteren. Ook voor verslaggevers die embedded een oorlog verslaan, bijvoorbeeld onder de hoede van de Nederlandse troepen in Afghanistan (zoals ik gedaan heb, trouwens), heeft Karskens krachtig verwoorde minachting: zulke samenwerking, meent hij niet zonder goede argumenten, doet afbreuk aan de journalistieke onafhankelijkheid.

Berichten van het front bevat een curieuze, half serieus gepresenteerde anekdote over Karskens’ bereidheid zelf geweld te gebruiken. Wanneer een Spaanse journalist die net als Karskens in 1990 in Bagdad de Eerste Golfoorlog verslagen heeft in een interview het gedrag van Nederlandse journalisten ‘laf’ noemt en Karskens meent dat die uitspraak op hemzelf slaat, neemt hij zich voor de Spanjaard in elkaar te slaan wanneer die in Amsterdam is om de vertaling van zijn boek te promoten. ‘Ik neem me voor Alfonso Rojo finaal in elkaar te rammen. Slaan doe ik nooit, maar geweld toepassen op een oorlogsverslaggever is bij erekwesties toelaatbaar’, schrijft Karskens – zoals steeds in zijn werk zonder een spoor van ironie. Door tussenkomst van twee heren van de uitgeverij gaat de knokpartij overigens niet door.

Karskens’ tocht langs de slagvelden van deze wereld duurt zo’n drie decennia. Hij is een van de weinige journalisten ter wereld die zowel de Sovjet-Afghaanse oorlog hebben verslagen als de zojuist roemloos beëindigde westerse interventie in Afghanistan. De lezers van het gratis dagblad De Pers, dat van 2007 tot 2012 heeft bestaan, mochten op zeker moment zelfs bij stemming bepalen waar de wakkere oorlogscorrespondent nu weer naartoe moest gaan.

Maar inmiddels stelde Karskens pogingen in het werk zich tot een gezaghebbende stem in Nederlandse aangelegenheden te ontwikkelen. Als deskundige trad hij op in hoorzittingen van zowel het Nederlandse als het Belgische parlement. Zijn adviezen om militair vooral uit de buurt te blijven van Irak en Afghanistan werden in Den Haag en Brussel niet opgevolgd. Hij dook op in menig talkshow op radio en tv – nimmer verlegen om een krachtig verwoorde visie. Hij legde gevallen van excessief geweld door Nederlandse militairen in Irak en in Afghanistan tegen de burgerbevolking bloot, wat hem er in politiek Den Haag of bij Defensie niet populairder op maakte.

Maar populair zijn bij de autoriteiten is ook niet de taak van de journalist, betoogde Karskens met kracht. Als je aan het begin van deze eeuw naar hem luisterde, leek het of hij als een last man standing bezig was de eer van de Nederlandse oorlogsjournalistiek hoog te houden. In 2001 verscheen Pleisters op de ogen – een vlot geschreven geschiedenis van Nederlandse oorlogsverslaggeving, van de Tachtigjarige Oorlog tot en met het Kosovo-conflict, zonder wetenschappelijke pretentie maar vol smakelijke details en anekdotes. Zoals vaak bij verslaggeving heet van de naald gaat er ook bij oorlogsreporters al eeuwen veel mis: achteraf gezien belangrijke feiten worden over het hoofd gezien of verzwegen, kennis van de omstandigheden schiet schromelijk tekort, informatie uit de tweede hand wordt gepresenteerd als eigen waarneming en geruchten als feiten.

In het bijzonder stoort Karskens zich aan de partijdigheid en het politiek engagement, die volgens hem schering en inslag zijn bij Nederlandse oorlogsverslaggevers en het zicht op de feiten vertroebelen – vandaar de titel Pleisters op de ogen. Maar zijn genoemde tekortkomingen genoeg reden om, zoals Karskens doet, meteen al aan het begin van het boek de Nederlandse oorlogsverslaggeving als één grote mislukking neer te zetten?

Aan het front wordt Karskens’ houding gekenmerkt door een volkomen gebrek aan engagement voor een van de oorlogspartijen. In 2003 is hij, wederom, de enige Nederlandse journalist in Bagdad, wanneer de Amerikanen voor de tweede keer ten strijde trekken tegen Saddam Hoessein. In het boek Onze man in Bagdad doet hij zakelijk verslag van dit avontuur, maar zonder in te gaan op de grote leugen rond deze ook door de Nederlandse regering gesteunde actie – de Amerikaanse bewering dat Saddam beschikte over massavernietigingswapens. Een politieke evaluatie is niet Karskens’ werk.

Het slagveld ligt nu dichterbij. Oorlogs­verslaggever Karskens duikt niet meer voor kruisraketten weg onder een hotelbed in Bagdad. Hij staat op het Malieveld

Een van de weinige plaatsen waar Karskens reflecteert op zijn opmerkelijke carrière zijn de columns die hij tussen 2002 en 2007 schreef voor het veteranenblad Checkpoint, later gebundeld onder de titel AK-47: Oorlog is goed voor slechte mensen. ‘Het gevoel dat je de dood kon aanraken, vergt veel van een mens’, lezen we in het voorwoord. ‘Het maakt je moe, rusteloos, argwanend en voor anderen niet altijd een prettig persoon.’ De laatste column is de merkwaardigste. ‘Mijn geloof in oorlog’, heet het hooggestemde stuk waarin hij vertelt op het slagveld zowel de heilige geest als Jezus te hebben ontmoet – eerstgenoemde in de vorm van een oude man in het Bosnische Travnik, de tweede als een oude man met een baard in Hebron, op de Westelijke Jordaanoever. Sinds deze ontmoetingen, schrijft Karskens, wederom zonder een spoor van ironie, gelooft hij ‘dat oorlogsverslaggeving en mystiek een onlosmakelijke eenheid vormen’.

Deze mystieke omslag is geen tijdelijk fenomeen. In 2019 herhaalt hij in een interview met Trouw dat hij in Herat Jezus is tegengekomen en dat Jezus hem zelfs een brief heeft geschreven, die Karskens helaas is kwijtgeraakt. Zijn kijk op het verschijnsel oorlog is door deze ontmoetingen veranderd, schrijft hij in 2007: ‘Sindsdien geloof ik (…) niet meer in toeval. Zelfs de meest chaotische oorlogstoestand kent een mathematische samenhang. Zelfs splinters van exploderende granaten ontwerpen (sic) zich aan natuurkundige, of moet ik zeggen goddelijke wetten. Wat betekent dat iedere ontmoeting, ieder lot, is voorbestemd.’

Arnold Karskens, Thierry Baudet (FvD) en Zwarte Piet. Den Haag, december 2020 © David van Dam / de Beeldunie

Zou het toeval zijn dat Karskens zich in zijn latere werk steeds meer ontpopt als een wreker, iemand die als een soort vertolker van de ‘wrake Gods’ oorlogsmisdadigers uit heden en verleden probeert te ontmaskeren en zo mogelijk te laten bestraffen? Dezelfde man die pijnlijk voorzichtig is met het uitspreken van oordelen in zijn frontreportages trekt in toenemende mate fors van leer in de Nederlandse verhoudingen. Hij speelt als journalist een rol in de ontmaskering en latere veroordeling van twee Nederlandse zakenlieden die goed geld hebben verdiend aan oorlogen: Frans van Anraat, leverancier van chemicaliën voor de fabricage van gifgassen in het Irak van Saddam Hoessein, en Guus Kouwenhoven, financier van Charles Taylor, een warlord in de Liberiaanse Burgeroorlog. Ook gaat hij voor het boek De zaak-Zorreguieta op zoek naar ‘slachtoffers’ van de vader van Máxima tijdens de Argentijnse dictatuur in de jaren zeventig.

En hij richt de Stichting Onderzoek Oorlogsmisdaden op, met hemzelf als ‘nazi-jager’. Doel van de stichting is om Nederlanders die tijdens de Duitse bezetting hebben gecollaboreerd en misdaden hebben begaan maar na de oorlog aan strafvervolging of het uitzitten van hun straf ontsnapt zijn alsnog voor de rechter of achter de tralies te brengen. Karskens, zelf zoon van een verzetsstrijder, meent namelijk dat Nederland na de oorlog veel te laks is geweest bij de strafvervolging van oorlogsmisdadigers. Het enthousiasme voor strenge bestraffing nam na 1945 snel af – verreweg de meeste langgestraften kwamen in de jaren vijftig weer vrij.

Hoezeer zulke lankmoedigheid Karskens een gruwel is – ook al zijn de meeste voor opsporing in aanmerking komende misdadigers al hoogbejaard of overleden – blijkt uit zijn laatst verschenen boek, Voor verraders zou geen plaats zijn. De rancuneuze sfeer van dit werk komt al naar voren uit de keuze van de foto op de omslag: vermetel kijkende heren met gleufhoed dwingen in 1945 een vrouw over straat te lopen met een bord waarop ‘Moffenhoer’ gekrijt staat. Maar veelzeggender is misschien nog wel de titel van het boek, die verwijst naar een verbroken belofte – dat de helden worden beloond en verraders gestraft. Dat is niet gebeurd – eerder het tegendeel.

En het gaat door: in Trouw vertelde Karskens dat hij in een dossier van de Politieke Opsporingsdienst van na de oorlog familienamen tegenkwam van hedendaagse politici en nos-medewerkers met wie hij nu een conflict heeft. De mystieke gedachte dat niets toevallig is en achter elke misstand een groter verband schuilt, lijkt bij hem definitief post te hebben gevat.

De oorlog is dus niet alleen iets van verre streken, de oorlog is ook hier, in Nederland. Dat was ook al duidelijk bij de verschijning van Karskens’ interviewbundel Journalist te koop, in 2016. Vijftien jaar na Pleisters op de ogen bleek zijn afkeer van het journalistieke bedrijf onder oorlogsomstandigheden zich te hebben uitgebreid tot bijna de hele Nederlandse journalistiek. Het werk is geënt op een boek van de Duitse samenzweringstheoreticus Udo Ulfkotte, Gekaufte Journalisten. Aan hem ontleent Karskens de hypothese dat geheime diensten als de aivd of mivd aanzienlijke invloed uitoefenen op het Nederlandse journaille.

Afgezien van wat meestal al bekende anekdotes over het onhandige optreden van de bvd in de jaren van de Koude Oorlog bevat Journalist te koop geen bewijzen voor deze stelling. Het boek is meer een opeenstapeling van weinig vleiende opinies over de Nederlandse journalistiek, die Karskens’ op voorhand getrokken conclusie van een journalistiek in de greep van geheime diensten moeten bevestigen. Het boek is Karskens’ intrede in de wereld der complottheorieën. Rechtse gespreksgenoten als Joost Niemöller, Jan Roos of Annabel Nanninga zijn maar al te graag bereid de interviewer in zijn donkerste vermoedens aan te moedigen, om over een gepatenteerd warhoofd als Stan van Houcke nog maar te zwijgen.

Als je het boek nu ter hand neemt, valt trouwens op hoe de rechtse websites die door sommige van Karskens’ gespreksgenoten in 2015 als de toekomst van de journalistiek werden gezien (GeenStijl, The Post Online, De Dagelijkse Standaard) zich in de zes jaar sindsdien nauwelijks hebben ontwikkeld: in plaats van zelf nieuws te genereren, houden ze zich voornamelijk bezig met smalend commentaar op door de veel versmade mainstream media geproduceerde berichten. De programma’s die Ongehoord Nederland op YouTube zet, dragen datzelfde karakter. De nieuw-rechtse journalistiek blijkt voornamelijk reactief, is eerder een middel van agitatie dan een instrument van informatie.

N a Journalist te koop raakt Karskens als journalist steeds meer in extreem-rechts vaarwater. In 2016 publiceert hij Help: Er staat een terrorist in mijn keuken, een kennelijk serieus bedoelde handleiding hoe je moet handelen als je als gewone Nederlander slachtoffer wordt van een terroristische aanslag in eigen land. In 2018 levert hij een bijdrage aan de bij de extreem-rechtse uitgeverij De Blauwe Tijger verschenen bundel Nepnieuws explosie. De samenstellers daarvan leek het er voornamelijk om te doen twijfel te zaaien over de rol van Rusland bij de verspreiding van fake news en het neerschieten van de mh17. Karskens’ bijdrage is een kritiek op het NOS Journaal, dat hij vooringenomenheid op vele gebieden en ‘navo-propaganda’ verwijt.

Onder de noemer ‘Zwartboek NOS Journaal’ heeft hij deze lijn voortgezet – voor de camera van ON en op zijn tegenwoordig ‘The Karskens Times’ hetende weblog. Vorig jaar plaatste hij daarop een uitvoerige bijdrage waaruit moest blijken dat het Journaal in de berichtgeving stelselmatig ‘blanken’ discrimineert en zwarte mensen voortrekt. Dat zou onder meer blijken uit de berichtgeving over de dood van George Floyd in de VS, en het verzwijgen van Amerikaanse academische studies over gewelddadigheid onder zwarte Amerikanen. Ook de berichtgeving van het Journaal over Donald Trump zou racistisch getint zijn, omdat Trump blank, christen en conservatief is. Kritiek heeft Karskens eveneens op de coronaberichtgeving en op de manier waarop wordt bericht over rechtse activisten in het algemeen. Hij deed in 2019 aangifte tegen het Journaal wegens misbruik van overheidsgelden.

Nog altijd tilt hij niet al te zwaar aan geweld tegen journalisten. ‘If you can’t stand the heat, get out of the kitchen’, was zijn reactie op het initiatief Persveilig van journalistenvakbond nvj en het Genootschap van Hoofdredacteuren, bedoeld om een halt toe te roepen aan de steeds frequentere agressie tegen journalisten bij de uitoefening van hun beroep. Journalisten hebben het geweld in belangrijke mate aan zichzelf te wijten, schreef Karskens in een bijdrage voor vakblad Villamedia. ‘De journalistieke tak van de npo, commentatoren en schrijvende journalisten moeten duidelijker de stem vertolken van behoudende denkbeelden en rechtse politieke partijen eerlijker aan het woord laten’, meende hij. ‘Met stenen gooiende gekken houd je altijd. Scheldpartijen zijn inherent aan het vak. Nu wentelen journo’s zich te snel in een huilie-huilie-slachtofferrol.’

Wie hier een ‘slachtoffer van het vak’ is, valt echter nog te bezien, denk ik aan het eind van mijn lezing van Karskens’ verzamelde werken. Journalistiek is een vreemd beroep. Aan de ene kant kom je nergens zonder een zekere mate van verwatenheid – het is nogal wat, te pretenderen dat je de wijsheid en de feiten in pacht hebt, en dat de mediaconsumenten dus naar je moeten luisteren. Aan de andere kant komt enige bescheidenheid vaak goed van pas. In veel gevallen heeft de ware verslaggever, zeker zo eentje als Karskens, die probeerde zonder vooringenomenheid en met gevaar voor eigen leven de feiten te laten spreken, namelijk meer kennis en inzicht dan degenen die de macht hebben en de besluiten nemen. Vaak luistert de politicus of ambtenaar echter in het geheel niet naar de journalist. Niet iedere journalist kan daar goed tegen. Een enkeling, zoals Karskens, vermoedt een complot.

En het zou allemaal nog tot daaraan toe zijn wanneer de journalist stinkend rijk zou worden van zijn superieure onafhankelijkheid. Het tegendeel is echter het geval. Vooral freelance verslaggevers, zoals Karskens, hebben vaak moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, afhankelijk als zij zijn van incidentele afnemers en bladen die het in deze tijd van grote veranderingen in de mediawereld zelf moeilijk hebben. Je krijgt ook de indruk dat de belangstelling voor oorlogen de afgelopen jaren wat is afgenomen. Aan het begin van de eeuw was de interesse groter, toen de wereld nog maakbaar leek – in Afghanistan, Irak, Kosovo, de Arabische Lente. Maar de eindeloze, hopeloze oorlogen in Afghanistan, Irak, Libië en Syrië trokken de afgelopen jaren nauwelijks nog jonge, ondernemende oorlogscorrespondenten, om over een nieuwe oorlog als die in Ethiopië nog maar te zwijgen.

Het slagveld ligt nu dichterbij. Oorlogsverslaggever Karskens staat niet langer tussen de boeren van Kasjmir en duikt niet meer voor kruisraketten weg onder een hotelbed in Bagdad. Hij staat op het Malieveld of het Museumplein tussen demonstranten die zich – onder andere door hem – hebben laten wijsmaken dat het coronavirus geen bedreiging vormt. Zij steken hun duim naar hem op: jij bent onze man! Als hij geluk heeft, belandt de verslaggever die ooit in Bagdad in de loop van een raketwerper keek in een Amsterdams politiebusje omdat hij zich niet wilde verwijderen, en dat ondanks het duidelijk zichtbaar dragen van de politieperskaart. Zo gaat in Nederland de persvrijheid te gronde, moppert hij dan voor de camera. Eens te meer heeft Arnold Karskens de oorlog die hij zocht gevonden.