Slachtofferkitsch

Inlichtingen: Toneelgroep Wederzijds, 020-6824854.
Wijk aan Zee - de badplaats die ik als kind zo goed kende, was in de winter altijd al een wild-westdorp. Er is nauwelijks iets veranderd. In januari stroomt de wereldpers nog steeds naar dit gat voor het zoveelste Hoogoven Schaak Toernooi. Het Badhotel heet nu Laat Alle Plannen Varen. En het nonnenklooster in de Voorstraat is een AZC, Asiel Zoekers Centrum. De jongste inwoners, hun begeleiders en enkele van hun ouders zijn vandaag naar de naburige sporthal gewandeld. Daar speelt de voorstelling Transit, voor hen gemaakt door Toneelgroep Wederzijds. Het publiek is aanvankelijk klein. Twee acteurs gaan met trommel en bel naar het AZC in de Voorstraat. Dat werkt. Een kwartier later zitten we met een kleine veertig mensen in de immense sporthal.

Binnen de ploeg acteurs en actrices lopen de witte en gekleurde culturen dwars door elkaar. Ik hoor een oude Wederzijds-tekst uit een oud Wederzijds-stuk, Mirad, een jongen uit Bosnie, toen gesproken, nu gezongen - leidmotief in de voorstelling. Citaat: >f13<‘Maar ik ben geen vluchteling/ want ik ben niet gevlucht/ ik ben weggewaaid/ als een blad van een boom/ Er is in ons land een verschrikkelijke wind opgestoken/ een wind vol vuur en verkrachting/ En op een dag / op een dag die ik me niet meer herinner/ die ik me niet meer durf te herinneren/ ben ik weggewaaid/ Wie zou er uit zichzelf vluchten?’
Ander citaat: 'Willkomen, bienvenue, strangers!’ Ook gezongen. De tekst eindigt, anders dan in de film Cabaret (waarin deze woordjes de opening zijn van de master of ceremonies): 'Blijf alsjeblieft hier!’ De blik op de gezichten van de acteurs spreekt boekdelen. Tegendelen, beter gezegd. Ze zingen wel dat de strangers hier mogen blijven, ze menen het niet echt.
Dan komen de 'nummers’ van de voorstelling. Een asielzoeker loopt rond met zijn briefje: hij zoekt 'Voorstraat, Wijk aan Zee’. Het klinkt uit zijn mond als 'Veurstrat, Wioekanzie’. Fietsers, wandelaars, schaatsers - ze negeren de zoeker. Arme asielvrager! De Nederlandse les in het asielzoekerscentrum wordt vertoond als een bijna fascistoide marteling. Tijd voor een lied. Weer die tekst: 'Maar ik ben geen vluchteling/ want ik ben niet gevlucht.’ De tafels waarop eenvoudig eetgerei wordt uitgestald, worden omgebouwd tot stapelbedden, waarin de asielzoekers mogen rusten. De twee partners die eerder in de voorstelling een ritueel huwelijk sloten, ontmoeten elkaar opnieuw. Alle acteurs staan op de tafels, front zaal. Mensen herkennen elkaar, vliegen in elkaars armen, tranen stromen, muziek!
Wat vind ik hiervan? Ik wandel naar het strand en schreeuw eventjes hard naar de branding. Daarna: het denkbare antwoord I. Transit is duidelijk niet voor mij gemaakt. De Hollander-cliches zijn niet aan mij besteed. Over de anekdotes die asielzoekers betreffen, heb ik zo mijn gedachten, maar geen echt oordeel. De kinderen en ouders uit het asielzoekerscentrum reageren enthousiast. Wat zal ik, kaaskop, nu dan gaan zeuren?
U dringt aan? Dan volgt antwoord II. Ik zag vorig jaar een door Anne van Delft gecreeerde voorstelling waarin jonge mensen uit verre culturen, waar ze noodgedwongen uit weg moesten vluchten, over die culturen en over hun vlucht vertellen. Verhalen uit een ander land heette die voorstelling. Ze had niks belerends, er was geen sprake van opgeklopt amusement. Tijdens Transit heb ik steeds aan die avond moeten terugdenken.
U blijft aandringen? Oke: Antwoord III begint met een gewetensvraag. Vind ik van de voorstelling Transit iets als kunstcriticus? Jawel! Zelden zoveel slachtofferkitsch bij elkaar gezien. Ik voelde me vies, na afloop. Een vreselijk ingewikkeld probleem was teruggebracht tot de anekdotiek van de bittertafel. De produktie valt voor mij in de categorie: politiek correct. Alles klopt, op zichzelf. De acteurs boetseren eerst de cliches over asielzoekers & Nederlanders bij elkaar, daar gaan ze vervolgens hard tegenin spelen. Nou en? Mijn reactie: Bah!