Slachtofferlijk gejammer filmlezen

Tarantino’s films zijn extreem gewelddadig, maar dat geweld is eigenlijk niet het punt. Het probleem is dat stupide gebabbel en het gejammer van neergeschoten spelers
ALS HET WAAR IS dat wij ons voorstellingen van geweld maken uit een primordiale angst voor gevaar, dan is de menselijke verbeelding altijd al een angstig ding geweest.

Van de dichter Marsyas wordt verteld dat hij levend werd gevild, waarna zijn stem veranderde in een schreeuw van bloed op de wind. Over Orpheus zegt Ovidius dat zijn ledematen op verschillende plaatsen verspreid lagen, terwijl de rivier het afgehakte hoofd en de lier (die, o wonder, nog steeds een lied zong) met zich meevoerde.
Sinds Walter Scott weten we alles van publieke executies (druk bezocht door joelende, honende en griezelende toeschouwers), waarbij men met het simpelweg vierendelen geen genoegen kon nemen. De ongelukkige boef werd vervolgens nog eens gehangen of onthoofd, en als de beul had geweten hoe hij allebei had moeten doen, zou hij dit voor een extra applausje graag gedaan hebben. Homo homini lupus. Er is net een chip uitgevonden die beelden van geweld elimineert. Wat doet zo'n chip als de BBC weer eens een ouderwets-complete Hamlet uitzendt?
‘Akelig ziet het er hier uit’, zegt de binnentredende Ambassadeur, vier lijken tellend. 'En ik kwam vertellen dat ik Rosencrantz en Guildenstern heb laten vermoorden. Is er nog iemand over om mij te bedanken?’
Dit soort dingen heb ik altijd kunnen aanzien zonder er beroerd van te worden en toch, een tijdlang heb ik gedacht dat ik misschien wel was geboren met zoiets als een ingebouwde geweldchip. Het heeft me moeite gekost om erachter te komen wat het nu precies was, die automatische neurotransmissie tussen mijn hoofd en mijn maag waardoor het mij bij sommige beelden zwart wordt voor de ogen. Ik heb dat sterk bij films van het genre dat ik toevallig net deze week, bladerend in de VPRO-gids, omschreven zie met de term 'noveau violence’.
Het is al een opluchting als iets een naam heeft. Op het gevaar af dat ik een of andere onbegrijpelijke postmoderne plank missla, zou ik Nouvelle Violence willen voorstellen.
MEESTERS VAN DIT genre, filmers als Roger Avary (Killing Zoe) en Quentin Tarantino (Reservoir Dogs, Pulp Fiction) worden door mijn kinderen in de video gestopt en zoals ik een waakzaam oor openhoud voor de soms ineens uit het souterrain opklinkende rapteksten ('Shoot us, loot us, to get some respect we had to tear this motherfucker up what the fuck’), zo houd ik een waakzaam oog open voor de video. Tarantino is in de mode, dus ik kijk naar Pulp Fiction. De ijzersterke pastiche die middelbare scholieren daarin zien, die zie ik niet, maar bij dit soort films, uit twintig andere films bij elkaar geveegd, kun je tenminste nog begrijpen hoe een of andere Parijse salonfilosoof er iets onverstaanbaars over kan hebben gemompeld.
Aardig is dat Tarantino Amsterdam zo goed kent, die poel des verderfs die hij conform alle Franse en Amerikaanse cliches voor een drugsparadijs houdt. Je ziet het vaker dat een regisseur die het in Hollywood niet redt, naar Europa komt, waar de mensen minder ongeduldig zijn, waar ze meer tijd hebben voor filosofie en waar een lange geschiedenis van modernisme in de kunst ze er eerder toe zal brengen een krakkemikkig maaksel vol losse schroeven en bouten te accepteren.
Tarantino’s brallerige Ezechiel-tekst tussen de pulp komt er een beetje verminkt uit, maar verleent aan zijn wankele epos desondanks een treurnis van Waste Land- allure. De kritische houding van een filmer tegenover zijn eigen medium vind ik al heel wat, dus een week later kijk ik mee naar Reservoir Dogs.
Mijn eerste poging om die film te zien mislukt. Tien minuten kijk ik in stijgende ontzetting naar een vent die jammerend, kreunend en auwauwau-roepend speelt dat hij met kapotgeschoten ingewanden ligt dood te bloeden. Ja, ik weet wel dat hij dit speelt, daarover kan geen twijfel bestaan. Ongeveer vijf minuten slaag ik er nog in mijzelf met gedachten aan rode inkt in bedwang te houden. Dan gaat het mis. Niets aan te doen. Ik zie niets meer, behalve: slordig bebloede ingewanden. Kapotgeschoten. Waarom? Hoe? Waarvoor? Geen idee. Ik word ziek en het rond de video verzamelde tienervolkje zet het toestel uit, want dat krijgt het nu benauwd van mij.
Zo iemand wil ik niet zijn. Nu zal ik die chip in mijn binnenste eens leren besturen, in plaats van dat die mij bestuurt. Ik wacht tot er niemand thuis is, zet de video weer aan en wapen mij met pen en papier. Wat is er mis met deze Tarantino? Verschillende dingen die hij doet in die films zijn wel leuk, een ander woord weet ik er niet voor. Zo speelt hij in Reservoir Dogs een haast geestig spelletje met de conventies van een gangsterverhaal. Met geen mogelijkheid zijn de good guys van de bad guys te onderscheiden. Je moet al een sterk geheugen voor acteursgezichten hebben (heb ik niet) om in dit verhaal een personage van welk willekeurig ander personage dan ook te onderscheiden, maar die anonimiteit is in het scenario structureel: niet voor niets kennen ze elkaar alleen bij hun codenamen.
Het clichegegeven van De Verklikker bestaat uit twee infiltrerende agenten. De tweede dient geen duidelijk doel, maar wordt aanleiding tot een martelscene waaruit blijkt dat Tarantino Stanley Kubricks A Clockwork Orange heeft gezien zonder Kubricks gevoel voor stilering of beeldesthetiek. Reservoir Dogs is een afstotelijk lelijke film, maar laten we zeggen dat ook die lelijkheid een functie heeft. In een van de gangsters leeft zelfs nog een zweempje mens. Van het begin tot het eind blijft hij zich bekommeren om zijn direct al zo akelig kapotgeschoten medebendelid, die er in zijn panische ellende in geslaagd is hem zijn echte naam te ontfutselen: Larry. Aangrijpend is de slotscene, waarin Larry - zelf intussen ook badend in zijn bloed - ontdekt dat degene voor wie hij zich heeft laten neerschieten de geheime infiltrant is.
Twee zielen wonen er in Larry’s borst op dit verschrikkelijke moment, dat is duidelijk, en de ene wil zich van de andere scheiden. Larry’s haastig opgevatte maar oprechte vriendschap voor die kameraad in (langdurige) stervensnood worstelt met het monster van zijn woede om De Verklikker, en met zijn laatste krachten zet hij de loop van een pistool tegen het hoofd van zijn verraderlijke vriend. Een einde, Shakespeare waardig.
WAT IS HIER NU precies zo onverdraaglijk aan?
Een verhaaltechnisch kleinigheidje. Anders dan conventionele gangsters zijn de personages van Tarantino enorm spraakzaam. Ergens in Reservoir Dogs wordt een oor afgesneden. Maar het daadwerkelijke snijden, dat zie je niet. Even flitst het door je heen dat die ene die ander dat oor ook wel gewoon van het hoofd gekletst kan hebben. De dialogen bestaan hoofdzakelijk uit kletspraat en een heleboel slachtofferlijk gejammer.
Het nieuwe van Nouvelle Violence zit hem in dat stupide gejammer. En tegelijk is dat het smakeloze ervan. Een film lang is de neergeschoten man in Reservoir Dogs ermee bezig zijn allerakeligst sterven tot een soort conclusie te brengen. Het geweld is niet het punt. Het probleem is dat het slachtoffer maar blijft jammeren. Hij houdt niet op met medelijden te wekken. Abject. Onwaardig.
Ik denk dat hier ergens de reden ligt waarom het Nieuwe Geweld zo geschikt is om afstomping van de verbeelding te bevorderen. Het is niet de bedoeling dat je je inlaat met de aangereikte beelden. Het is beter dat die beelden je gevoelens ongemoeid laten, want ze zouden alleen maar bespottelijke, abjecte gevoelens van mensonwaardigheid veroorzaken. Die acteur is acteur. Dat bloed is ketchup. Lachen.
Lachen is bij Reservoir Dogs de begrijpelijke vluchtreactie. Maar ik blijf zitten met het gevoel dat die belachelijkheid eigenlijk helemaal niet zo was bedoeld.