Tweegesprek over strafverzwaring, gevangenissen en Fred Teeven

‘Slachtoffers hebben niks aan zwaardere straffen’

PVV-leider Wilders vindt dat het kabinet haast moet maken met de invoering van minimumstraffen. Maar volgens oud-bajesklant Rein Gerritsen en victimoloog Jan van Dijk leidt harder straffen tot meer onveiligheid.

OOIT, tegen het einde van zijn detentieperiode, keek Rein Gerritsen rustig toe hoe iemand stikte tot de dood erop volgde. Hij ervoer geen enkele aandrang om de man in stervensnood de helpende hand toe te steken. Elk inlevingsvermogen in de ander was weg. ‘Dat is wat het verblijf in de isoleercel met mij had gedaan. En ik haatte dat’, zegt hij nu.
Gerritsen wekte zichzelf uit deze emotionele schijndood door zich in Utrecht op de studies filosofie, natuurkunde en theoretische psychologie te werpen. Als schrijver en wetenschapsfilosoof zet hij nu de kracht van het woord in als wapen tegen het gevangenissysteem: 'Gevangenissen zijn een mislukt sociaal experiment. Sterker nog, ze zijn zelf een criminogene factor van de eerste orde. In gevangenissen verliezen mensen na enige tijd hun menselijkheid, hun hoop om iets beters van hun leven te maken. Als levende tijdbommen worden ze weer de maatschappij in gestuurd. Gevangenissen zijn een leerschool voor de misdaad en een bron van zware psychiatrische problematiek.’
In 1981 - hij was 22 en studeerde aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen - was Gerritsen betrokken bij een zwaar auto-ongeluk. Daarbij verloor hij zijn moeder en halfbroer. De schuldgevoelens maakten hem psychotisch en hij raakte verzeild in het gewelddadige criminele circuit. Een veroordeling voor een gewapende bankoverval bracht hem tweeënhalf jaar in de cel, met psychiatrische dwangverpleging.
Hij ervoer daar dat een gevangenis allesbehalve een hotel is, anders dan de populaire beeldvorming het doet voorkomen. Dat geldt bovenal voor de isoleercel, waarin Gerritsen drie maanden doorbracht. Het systeem van de isoleercel is gegrondvest op de dehumanisering van de gevangene, door hem te ontdoen van alle macht over zichzelf en hem te onderwerpen aan willekeur. Zo zit de trekker van het toilet buiten de cel. Alleen een bewaker kan de wc doorspoelen, wanneer het hém goeddunkt. Gerritsen: 'De po dient dan als een machtsmiddel voor de gevangenisbewaarders, een middel dat ze willekeurig tegen de gedetineerden kunnen inzetten. Na het doen van de grote boodschap is de strekking van hun oekaze duidelijk. Zij bepalen wanneer jij weer stankvrij kunt gaan zitten. Schikt het hun niet, dan verrek je maar.’ Na zijn verblijf in de isoleer bleek Gerritsen een lange reeks fobieën en angsten te hebben ontwikkeld en werd hij officieel gediagnosticeerd als iemand met een 'antisociale persoonlijkheidsstoornis’. Gerritsen: 'Oftewel, ik was totaal afgestompt.’
Is dat nu de wraak die slachtoffers van een misdrijf de daders toewensen? Jan van Dijk, hoogleraar victimologie aan de Universiteit van Tilburg, betwijfelt dat ten zeerste. Ergernis over de rechteloosheid van slachtoffers motiveert hem al veertig jaar om zich in te zetten voor een verbetering van de positie van gedupeerden. Toch bevalt de trend naar een verhard strafklimaat in Nederland hem allerminst, hoezeer de voorvechters van harder en langer straffen ook zeggen daarmee recht te doen aan de slachtoffers. 'Dat is zo'n versimpeling. Ook veel strafrechtgeleerden denken dat aandacht voor het slachtoffer gelijk staat aan harder straffen. Dat ergert mij enorm. Men moet het de slachtoffers niet verwijten als rechtse politici beweren dat ze uit respect voor hen daders zwaarder willen straffen. Voor de meeste slachtoffers staat dat niet voorop.’

OP UITNODIGING van De Groene Amsterdammer treffen Van Dijk en Gerritsen elkaar in restaurant Schiller aan het Rembrandtplein in Amsterdam. Onderwerp van gesprek is het grimmiger wordende strafklimaat dat onder het kabinet-Rutte lijkt te ontstaan. De staatssecretaris van Justitie, Fred Teeven, zegt dat bekommernis met de slachtoffers van misdaden zijn diepste drijfveer is. Hoe respectabel Van Dijk en Gerritsen dat motief ook vinden, toch concluderen zij in hun gesprek dat slachtoffers niet geholpen zijn met de gebalde vuist van het kabinet.
Van Dijk hekelt om te beginnen het woord 'slachtoffer’: 'Een merkwaardig woord voor iemand die de dupe is van een misdaad. “Slachtoffer.” Een dier dat op het blok is gelegd om te worden geofferd. Waarom gebruiken we nu juist dát woord? In alle oude, niet-westerse talen ontbreekt de associatie met offeren totaal. In het Chinees wordt een gedupeerde van een misdaad aangeduid met de karakters voor de schade ontvangende partij. Die aanduiding lijkt me veel toepasselijker dan ons woord. Alle talen in het christelijke cultuurgebied duiden gedupeerden van een misdrijf, ramp of ongeluk aan als een slachtoffer. Het woord is in de zestiende, zeventiende eeuw in zwang geraakt, in de tijd dat in het christendom de nadruk kwam te liggen op de notie dat Jezus Christus stierf voor onze zonden. Ik word al veertig jaar geïntrigeerd door de vraag waarom slachtoffers zo'n ondergeschoven positie hebben. Een belangrijk deel van de verklaring zit ’m volgens mij in die christelijke slachtoffercultus. De filosoof René Girard heeft me tot dit inzicht gebracht. In navolging van Jezus is het slachtoffer iemand die zijn lijden moet aanvaarden en de dader moet vergeven. Die vergevingsmoraal zit diep verankerd in het christendom. Dat is de pracht en de schade ervan. Zij wekt enerzijds een unieke humanitaire gevoeligheid voor het lijden van de uitgestotene, de prostituee, de gevangene. Het tot inkeer brengen van de zondaar is een van de werken van barmhartigheid. De reclassering in Nederland kent dan ook een lange geschiedenis, gebaseerd op barmhartigheid, naastenliefde, vergeving. Veel reclasseringsverenigingen hadden een christelijk karakter. Des te schrijnender dat anderzijds niemand vanuit de kerken ooit op het idee is gekomen ook eens iets te organiseren voor slachtoffers. Die moesten kennelijk hun kruis zelf maar dragen.’
Overdrijft u niet? Kan de invloed van cultureel-religieus bepaald denken, in dit geval over het slachtoffer, zo groot zijn?
Jan van Dijk: 'Vergeet niet dat het canonieke recht een grote invloed heeft uitgeoefend op het statelijke recht. Het slachtoffer kreeg geen positie in het proces. Hij werd geacht passief te lijden en de dader te vergeven. Dat dit het geval is in het canonieke recht hebben we de laatste jaren op schrijnende wijze gezien door al die misbruikaffaires in de katholieke kerk. Onvoorstelbaar, als je nu terugleest hoe het interne proces er expliciet op was gericht de slachtoffers van seksueel misbruik monddood te maken. Dat was de functie van het proces in de kerk!’
Gerritsen: 'Volgens de katholieke zienswijze is de zonde hier niet zozeer dat iemand is mishandeld, als wel dat een priester in de verleiding is gekomen.’
Van Dijk: 'Dat denken had zijn weerslag op het statelijke recht toen dat werd gecodificeerd. Het slachtoffer kreeg geen positie. In alle moderne strafrechtsystemen was er voor het slachtoffer lange tijd geen enkele rol weggelegd. Pas per 1 januari van dit jaar staat het woord “slachtoffer” in de Nederlandse wet. Daarvoor kwam het er helemaal niet in voor! Ik noemde het voorbeeld van de katholieke kerk, zonder daar verder demagogie mee te willen bedrijven. Een ander voorbeeld is dat van de Amish-sekte in de VS, afstammelingen van de doopsgezinden. Zij hebben de traditie dat wanneer ze slachtoffer zijn van een zwaar misdrijf, ze eigenlijk met de strafzaak niets te maken willen hebben. Ze zijn niet bereid tegen de verdachte te getuigen. Ook in het protestantisme zit die vergevingscultuur heel sterk. De verwaarlozing van het slachtoffer in het strafprocesrecht heeft daar volgens mij alles mee te maken.’
U loopt al veertig jaar tegen dit verschijnsel op. Ervaart u het als vechten tegen de bierkaai?
Van Dijk: 'Absoluut. Ook in Nederland heeft aandacht voor het leed van het slachtoffer lang de status gehad van iets goeiigs van een stelletje vrijwilligers. Iets van de Rotary, van de gegoede burger die een kopje thee gaat drinken bij de buurvrouw bij wie is ingebroken. Pas sinds een paar jaar wordt het slachtoffer iets serieuzer genomen en bestaat er in het strafproces enige aandacht voor hem. Dat neemt niet weg dat het respect voor het slachtoffer in de rechtszaal nog steeds niet overhoudt. De Moszkowiczen van dit land zijn in een proces bereid het slachtoffer onderuit te schoppen. In zedenmisdrijven is het bijna standaard om te beginnen met het verdacht maken van het slachtoffer. Ze zal het wel uitgelokt hebben, ze wilde maar wat graag. In die sfeer.
Terecht kritiseerde de gerenommeerde rechtbankverslaggever van Het Parool, Jacques van Veen, in de jaren zeventig rechters die daders neerbuigend behandelden en je en jij tegen hen zeiden. Dat gebeurt nu niet meer. Rechters stellen zich respectvoller op jegens verdachten. Maar daar staat tegenover dat slachtoffers zich nu afvragen waarom de rechter zoveel in zijn rechtszaal laat passeren. Het is een beetje doorgeslagen naar de andere kant. Verdachten die zich van alles permitteren, die liegen dat het gedrukt staat, die onbeschoft doen. En dan moet het slachtoffer ook nog eens zwijgen! Hij hoopt toch dat de rechter een wijze, oude figuur is die tegen de verdachte zegt: “Meneer, wat u nu beweert slaat nergens op, want u hebt net iets heel anders gezegd.” Voor het slachtoffer is het pijnlijk als dat niet gebeurt. Hij wil iemand die morele oordelen uitspreekt.’
Met al het gezag dat de rechter als hooggeplaatste heeft.
Gerritsen: 'Voor het slachtoffer is de morele erkenning van wat hem is aangedaan ongelooflijk belangrijk. Alleen is de rechter daar niet voor, althans niet in ons strafrecht. Hij heeft een louter juridisch oordeel te vellen, geen ethisch. Het proces is nu een procedurele en technische kwestie. De rechter past het protocol toe en dat is het. In het proces wordt geen recht gedaan aan de gevoelens van het slachtoffer en zeker niet aan de morele schade die hij heeft opgelopen. Daarop is ons strafrecht domweg niet ingericht. Ook in de nieuwe wet ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, ingegaan op 1 januari 2011, wordt de gedupeerde alleen in staat gesteld zijn verhaal te doen als ondersteuning van het bewijs.’
Van Dijk: 'Hij wordt als het ware gereduceerd tot werktuig voor de waarheidsconstructie. Tevergeefs zit hij te wachten op iemand met het gezag van een rechter, bij wie hij zijn verhaal kwijt kan en die dan een moreel oordeel velt. Zo'n oordeel vindt hij eigenlijk belangrijker dan de zwaarte van de straf. Ik ben voor de introductie van een soort driehoeksverhouding in het strafproces, met een gelijkwaardige rol voor het slachtoffer. Volwaardig spreekrecht in de rechtszaal behoort in een post-christelijke maatschappij tot de fundamentele mensenrechten. Dat blijkt ook uit een uitspraak van het Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Het moest oordelen over de Engelse rechters die het woord hadden ontnomen aan de ouders van James Bulger, de peuter uit Liverpool die door twee jongens van tien jaar oud is vermoord. Zij werden door het hof uitvoerig gehoord en deels in het gelijk gesteld.
Het slachtoffer is nu nog gedoemd betrekkelijk machteloos toe te kijken hoe het proces zich tussen rechter en verdachte voltrekt. De introductie van een driehoeksverhouding zou de humanisering van de strafrechtspleging een stuk verder brengen. De rechter kan dan de resocialisatiekansen van de verdachte afwegen tegen de resocialisatiekansen van de gedupeerde. Uit bevindingen met zo'n opzet elders blijkt dat ook de dader erbij gebaat kan zijn. Spreekrecht voor slachtoffers blijkt daar soms als uitkomst te hebben dat de rechter voor een schadevergoeding kiest en afziet van een vrijheidsstraf. De enige verliezer is dan de wrekende overheid.’

VERGELDING, een vorm van genoegdoening aan de maatschappij, is een van de doelen van het opleggen van een gevangenisstraf. De resocialisatie van de dader en het voorkomen van recidive zijn twee andere officiële doelen. Komt daar iets van terecht?
Gerritsen: 'Nee. Het is de bedoeling dat gedetineerden er beter uitkomen dan ze erin gingen. Nu, dat lukt een enkeling, en dat heeft-ie dan te danken aan de bijzondere betrokkenheid van een individuele bewaarder. Dat het nu nog niet faliekant misloopt met gevangenissen is dankzij de inzet en de integriteit van de personeelsleden die erin slagen in een ziekmakende omgeving toch hun menselijkheid en gezonde verstand te bewaren. De krachten die tegen hen werken zijn formidabel. Met het nieuwe kabinet zal hun inzet nog zwaarder onder druk komen te staan.
Dus moet de gevangenis in zijn huidige vorm blijven bestaan? Zeer beslist niet. Het perverse van het verhaal is dat hoe harder er binnen de gevangenis wraak op de daders wordt genomen, hoe meer zij óók slachtoffers worden. De Nederlandse gevangenis is het toneel van dagelijks fysiek en psychisch geweld, op grote schaal, ongewild, zonder dat iemand per se kwaad wil. Dat is het gevolg van het hele systeem. Wat voor een genoegdoening zou hieruit moeten volgen voor de slachtoffers zelf?’
Beschrijf dat eens.
Gerritsen: 'Een klein voorbeeld. Het standaardprotocol voor suïcidepogingen in justitiële jeugdinrichtingen. De betrokkene wordt opgelapt en krijgt daarna verplicht vijf dagen isoleercel. Dat zijn de regels, of die bewaarder het wil of niet. Het protocol staat hem niet toe met individuele omstandigheden rekening te houden. Het gaat om grotere en kleinere vernederingen en pesterijen, met als rode draad de dehumanisering van gevangenen. Dat is triest. Mensen kunnen hoorndol raken in de gevangenis. Bajesmaf. Ergens, verstopt in de coulissen, schuilt in het merendeel van de gevangenen een ouder probleem, wachtend op de gelegenheid zijn lelijke kop boven het maaiveld uit te steken.’
De samenleving wil wraak en de gevangenis moet die voltrekken.
Van Dijk: 'Nergens wordt wettelijk erkend dat wraak de primaire doelstelling is. Er wordt verhullend over gesproken. Dát is het grote bedrog. Zogenaamd is de gevangenis bedoeld om mensen te helpen bij hun terugkeer naar de maatschappij. Ook dat is een leugen. Dat weet iedereen die er rondloopt. Gevangenisstraf is gewoon een vorm van wrede leedtoevoeging. Dat is de kern, de rest is franje. Het systeem zoals het nu werkt is failliet. Al die rozige doelstellingen ten spijt is het gewoon een wreed systeem. Noem dat beestje bij de naam en erken dat wreedheid het echte doel van gevangenisstraf is, zou ik zeggen. Dan komt ook de irrationaliteit van het systeem tot uitdrukking.’
Gerritsen: 'Charles Dickens heeft dat al prachtig laten zien. Het huis van bewaring is een gevaarlijke omgeving voor iedereen, voor het personeel en de gevangenen. In huizen van bewaring en in politiecellen vinden de meeste zelfmoorden plaats. Daarna begint de gevangenisperiode. Daar komen dan mensen terecht die zo verstoord zijn in hun denken, zo verknipt dat ze geweld normaal vinden en het tonen van emoties abnormaal. “Gedraag je eens normaal, joh”, zegt de bewaker tegen een agressieve crimineel. “Maar ik doe normaal!” zal diens reactie zijn. Je wordt afgemaakt als je in die kring gevoelens toont. In de gevangenis zijn gevoelens niet toegestaan.’
Van Dijk: 'We hebben nu een staatssecretaris van Justitie die zegt dat hij de politiek is ingegaan om de positie van de slachtoffers te verbeteren. Ik twijfel niet aan de oprechtheid van zijn motieven. Maar op de website van het ministerie staat bij Teeven: “Slachtoffers worden beschermd en de daders achter slot en grendel.” Hij koppelt het een direct aan het ander. Op deze wijze bindt hij de slachtoffers voor zijn karretje. Ik vraag me ten zeerste af of hij de werkelijke belangen en noden van de slachtoffers onderkent.’

TEEVEN ZAL oprecht menen dat hogere straffen als vanzelf genoegdoening schenken aan slachtoffers.
Gerritsen: 'Teeven zal vooral het vertrouwen in de rechtsstaat bij de Telegraaf-lezer willen herstellen, om het wat badinerend uit te drukken. Kijk eens hoeveel reacties zijn uitspraak oproept - dat de Nederlandse gevangenissen soberder moeten, met kleinere cellen. Dat gaat nergens over. Gevangenissen draaien al jaren op een sober regime. Het is al lang niet meer één in één cel, of twee in één cel. Het is soms zelfs vier in één cel. Zelfs de broodvoorziening aan gevangenen is gehalveerd.’
Van Dijk: 'Als gebaar aan de achterban zou ik Teevens uitspraken nog wel kunnen begrijpen. Maar ik ben bang dat er ook een ernstig misverstand aan ten grondslag ligt. Dat hij écht denkt dat hij voor slachtoffers opkomt als meer daders langer vastzitten, in een soberder gevangenis. Dat is niet waar. Slachtoffers hebben er behoefte aan met respect behandeld te worden, aan het woord te komen, een moreel oordeel van de rechter te horen. Voor slachtoffers van zware misdrijven kan het ook belangrijk zijn in de gevangenis een ontmoeting te hebben met de dader. Dat is voor de dader ook nuttig. Maar dan moet dat wel goed worden georganiseerd, en dat kost geld. Geld dat er waarschijnlijk niet is als je de straffen langer maakt.’
Gerritsen: 'In enkele inrichtingen wordt met succes geëxperimenteerd met zulke slachtoffer-dadergesprekken én met betalen van schadevergoeding aan de slachtoffers, met geld dat gevangenen zelf in werkplaatsen verdienen. Maar dan moeten die verdiensten wel iets voorstellen.’
Van Dijk: 'Het uur der waarheid is de volgende begroting van het ministerie. Daar zal blijken of de belofte om meer aandacht aan slachtoffers te schenken meer is dan een loos praatje. Er wordt nu maar veertig miljoen voor slachtoffers uitgetrokken. Dat is minder dan één procent van de justitiebegroting. Ik ben benieuwd of daar geld bij komt. Dat is de lakmoesproef voor Teeven.’