De Oekraïense stad Chernihiv na de Russische luchtaanval, 3 Maart 2022 © State Emergency Service of Ukraine / handout/AFP

Het officieel aangekondigde doel van de Russische oorlog met Oekraïne, die bij het krieken van de dag op 24 februari begon, was etnische Russen en Russischtaligen te beschermen tegen de genocide door toedoen van de neonazistische regering in Kiev. Officieel was het eigenlijk geen ʻoorlogʼ maar een ʻvredesoperatieʼ op verzoek van de zogenaamde ʻVolksrepublieken Donetsk en Loehanskʼ. Alle Russische massamedia, onder toezicht van de regering, volgen strikt de grove propagandistische lijn: Russische troepen voeren zogenaamd een regionale reddingsmissie uit in de Donbas, terwijl ze in de rest van Oekraïne alleen militaire objecten aanvallen.

Als er geen oorlog is, zouden er ook geen serieuze aantallen slachtoffers mogen vallen. Bij wijze van perverse ontkenning weigeren de Russische autoriteiten de lijken van gedode soldaten terug te nemen, zodat Oekraïne een beroep moet doen op het Internationale Rode Kruis voor hulp. Vrijwel alle Russische soldaten die in Oekraïne gevangen zijn genomen, beweren dat ze geen idee hadden waar ze heen gingen: officieel waren ze opgeroepen voor militaire oefeningen en waren ze geschokt toen ze erachter kwamen dat ze zich diep in Oekraïne bevonden.

Het lijkt erop dat de Blitzkrieg van Poetin dramatisch is mislukt, en dat Rusland nu wordt meegesleept in een langdurige uitputtende oorlog met grimmige gevolgen. Dit zou Poetins hysterische verwijzingen naar zijn gekoesterde kernwapenarsenaal kunnen verklaren, evenals zijn plotselinge verlangen om te onderhandelen met de mensen die hij steevast bestempelde als ʻneonaziʼs en drugsverslaafden op de Amerikaanse loonlijstʼ. Hij is blijkbaar het slachtoffer geworden van zijn eigen waanideeën en, erger nog, hij heeft niets geleerd van een gelijkaardige mislukking van de ʻRussische Lenteʼ en het ʻNovorossijaʼ-project in 2014, toen hij het zuiden van Oekraïne probeerde te veroveren.

Toen, net als nu, werd Poetin gedreven door hetzelfde verlangen om Oekraïne terug te brengen in de ʻlegitiemeʼ invloedssfeer van Rusland, gebaseerd op de valse overtuiging dat Oekraïne geen natie is, Oekraïners en Russen ʻéén volkʼ zijn, en dat de ʻGroot-Russischeʼ (dat wil zeggen imperiale) identiteit ondenkbaar is zonder de Oekraïense (ʻKlein-Russischeʼ) component. Oekraïneʼs eigen postkoloniale ambiguïteit heeft bijgedragen tot deze waanideeën, maar de voornaamste bron ervan was een zwaar gemythologiseerd zelfbeeld, dat in de achttiende en negentiende eeuw in Rusland werd ontwikkeld en bijna universeel werd overgenomen in de westerse academische wereld, media en popcultuur.

De kern van dat idee – dat uiteindelijk desastreus uitpakte voor Oekraïne – was een toe-eigening van de naam Rus (de middeleeuwse entiteit, waarvan Oekraïne de kern vormde) door het Moskouse tsarendom, tijdens het proces waarin het zichzelf opnieuw uitvond als Rus=Rusland. Hierdoor werd niet alleen de mythische geschiedenis een paar eeuwen langer, maar werden ook de aanspraken gelegitimeerd op de kerngebieden van het voormalige Rus, die destijds in handen waren van het Pools-Litouwse Gemenebest. En, wat cruciaal is: het bestaan zelf van de inwoners van die gebieden, Oekraïners en Wit-Russen, die sindsdien werden gedegradeerd tot regionale subgroepen en dialecten van de Groot-Russische natie, werd van zijn legitimiteit ontdaan.

Vervalste stambomen zijn een wijdverbreid fenomeen – veel naties kennen ‘verzonnen tradities’ van uiteenlopende aard, maar ze hadden niet allemaal zoʼn destructief, in feite etnocidaal effect op de ondergeschikte naties. De imperiale versie van de ‘Russische’ geschiedenis werd gepromoot door machtige imperiale instellingen en kreeg internationale erkenning als een ‘objectieve’, vermoedelijk ‘wetenschappelijke’ waarheid.

Alternatieve stemmen konden deze kennis niet ondermijnen, omdat ze eenvoudigweg niet werden gehoord, en zelfs niet mochten opkomen. Ze werden in diskrediet gebracht en weggehoond voordat ze ook maar in overweging werden genomen; het discours van de normaliteit maakte er iets afwijkends van. De befaamde Canadese historicus Orest Subtelny herinnert zich bitter hoe ‘tot ver in de jaren tachtig de Oekraïense geschiedenis door veel Noord-Amerikaanse historici niet alleen als een perifeer, maar zelfs als een intellectueel verdacht specialisatiegebied werd beschouwd’, omdat de veronderstelling heerste dat ‘een historicus van Oekraïne bijna per definitie een Oekraïense nationalist was’.

Dit imperiale idee overleefde de ineenstorting van de Sovjet-Unie en het ontstaan van de grotendeels onbekende nieuwe staat – het onafhankelijke Oekraïne. ‘A Nowhere Nation’. ‘A Nasty New Ukraine’ en ‘The Unwanted Step-Child of Soviet Perestroika’ waren populaire kopteksten in gerenommeerde westerse media die naar die gebeurtenis verwezen. De mythe werd weliswaar uitgedaagd en geleidelijk uitgehold door nieuwe feiten en ontdekkingen, maar ze was zó diep verankerd en geïnstitutionaliseerd dat we haar giftige overblijfselen en discursieve mijnenvelden nog steeds tegenkomen.

In het Rusland van Poetin werd de mythe weer boven water gehaald, nieuw leven ingeblazen en opgewaardeerd tot staatsideologie. Poetins essay ‘Over de historische eenheid van Russen en Oekraïners’ uit 2021 gaf blijk van zowel de grote ideologische betekenis van die mythe als Poetins persoonlijke obsessie met Oekraïne als het middelpunt ervan.

Oekraïne werd gezien als deel van de Russische identiteit, zodat de overname ervan niet (alleen) een kwestie was van herstel van het rijk, maar (vooral) van herstel van het Russische onvolledige ‘zelf’. Alle andere factoren die vaak worden aangevoerd om de Russische agressie te verklaren zijn aanvullend maar niet doorslaggevend.

Wat opvalt in deze obsessie is de volledige veronachtzaming van de eigen opvattingen en verlangens van de Oekraïners. Een van de redenen hiervoor zou het voor alle dictators typische wantrouwen in opiniepeilingen kunnen zijn en, meer in het algemeen, in de onafhankelijke kracht van mensen. Mensen zijn voor hen slechts subjecten, een plooibaar materiaal, gemanipuleerd door de strak gecontroleerde massamedia en in bedwang gehouden door selectieve repressie.

Maar er zou een diepere reden voor een dergelijke veronachtzaming kunnen zijn – een neurotische ontkenning van de ongemakkelijke werkelijkheid. Poetin gelooft, zoals veel autoritaire heersers, dat hij het volk kent, dat hij hun ware gedachten en hun wil veel beter begrijpt dan zij zelf. Hij is ervan overtuigd dat hij de echte Oekraïners net zo goed kent als de echte Russen, ongeacht het feit dat zij alleen in zijn verbeelding bestaan. Al degenen die niet aan zijn denkbeeldige ideaalbeeld voldoen, zijn geen ware Russen maar ‘volksverraders’ en ‘buitenlandse agenten’, en het zijn zeker geen ware Oekraïners maar ‘neonazi’s’, ‘Amerikaanse marionetten’ en, zoals we net hebben geleerd, ‘drugsverslaafden’.

In 2014 verwoordde een van Poetins geopolitieke goeroes, Aleksandr Doegin, deze manicheïstische dialectiek op spectaculaire wijze. Omdat hij zo geschokt was door het verzet van de Oekraïners in de Donbas, schreef hij op het Russische equivalent van Facebook: ‘Ik kan niet geloven dat dit Oekraïners zijn. Oekraïners zijn prachtige Slavische mensen. En dit is een ras van klootzakken die uit de rioolputten zijn gekomen… We zouden Oekraïne moeten zuiveren van deze idioten. De genocide op deze idioten is noodzakelijk en onvermijdelijk…’

Vandaag de dag, nadat het Russische leger op veel sterker en beter gecoördineerd verzet is gestuit dan in 2014, en veel zwaardere verliezen heeft geleden, hanteert Poetin vrijwel dezelfde uitleg: dit zijn niet de ware Oekraïners van mijn verbeelding, van de imperiale mythe waar ik me aan verbonden heb. Dit zijn – Banderieten (nakomelingen van WOII-fascist Stepan Bandera, red.) neonazi’s, bastaarden die het aardige, Rusland-liefhebbende Oekraïense volk in gijzeling houden, en de broederlijke Oekraïense soldaten tegen ons laten vechten. Als de werkelijkheid niet overeenkomt met de fantasie van dictators, dan is dat jammer voor de werkelijkheid.

[aanhef]Wat Poetin niet begrijpt[aanhef], en wat de imperiale mythe hem uiteindelijk onmogelijk maakt te begrijpen, is dat de Oekraïners niet in de Russische negentiende eeuw leven, maar in de Europese eenentwintigste eeuw; dat zij in de eerste plaats verenigd worden door de toekomst en niet, zoals de Russen, door het nostalgische verleden; dat zij een politieke natie vormen waarin alle categorieën die de heer Poetin zo dierbaar zijn – zoals ‘bloed en bodem’, ‘etniciteit’, ‘geloof’, ‘Slavische broederschap’ – niet de voornaamste bepalende factoren zijn voor nationale loyaliteit en saamhorigheid. In feite zijn die factoren voor hun burgerlijk patriottisme net zo irrelevant als de categorieën vrijheid en waardigheid voor Poetins antiburgerlijke étatisme.

Het onafhankelijke Oekraïne werd in 1991 geboren als een burgernatie met een Oekraïense etnisch-culturele en linguïstische kern, maar met uitgebreide, in de grondwet verankerde minderheidsrechten, met universeel burgerschap voor alle inwoners van haar grondgebied en zonder vermeldingen van ‘etniciteit’ in hun paspoorten of andere officiële documenten. In het land waar verschillende etnische groepen, hoofdzakelijk Oekraïners en Russen, zich eeuwenlang vermengden en hybride identiteiten creëerden door onderlinge huwelijken, migratie en assimilatie, zijn er geen duidelijke grenzen tussen de groepen, en is zelfs het begrip ‘etnische groep’ zelf vaag en aanvechtbaar.

De standaardindeling in ʻOekraïnersʼ en ʻRussenʼ, die bij volkstellingen wordt gehanteerd, wordt ondermijnd door subtielere vragen die een breder scala van mogelijke zelfdefinities bieden: ʻeven Oekraïens als Russischʼ, ʻmeer Oekraïens dan Russischʼ, ʻmeer Russisch dan Oekraïensʼ. Iedere subgroep blijkt een aanzienlijk aantal zelfverklaarde leden te hebben; hetzelfde geldt voor de talen.
In een land waar de meeste mensen zowel Oekraïens als Russisch spreken, en vaak van de ene taal op de andere overschakelen, afhankelijk van de situatie of het besproken onderwerp, is de notie Russischtaligen en Oekraïenstaligen eveneens uiterst vaag en dubbelzinnig. Alle Oekraïense presidenten, tot Volodymyr Zelensky aan toe, spraken in het openbaar vrij goed Oekraïens, maar gaven privé vaak gewoontegetrouw de voorkeur aan Russisch (met als enige uitzondering Viktor Joesjtsjenko, wiens Amerikaanse vrouw uit de Oekraïense diaspora het Russisch eenvoudigweg niet machtig was).

Het is hoogst onduidelijk welke mensen Poetin denkt te ʻbeschermenʼ nu de meeste slachtoffers van zijn aanval in het zuidoosten van Oekraïne precies de spreekwoordelijke ʻRussischtaligenʼ zijn om wie hij zich zo veel zegt te bekommeren. En wie zijn dan de Oekraïense soldaten die tegen zijn leger vechten en minstens even goed Russisch als Oekraïens spreken, en hem voor het merendeel in het Russisch vervloeken om het leed dat hij hun moederland heeft aangedaan?

Men kan de Russisch-Oekraïense oorlog lezen als een botsing van beschavingen, van politieke systemen, van waarden, van verleden en toekomst, maar ook als een botsing van werkelijkheid en virtualiteit, van de echte wereld waarin de Oekraïners leven en van het imperiale delirium waarin Poetin hen naast de Russen zou willen doen versterven. De mensen die overal in Oekraïne tegen zijn troepen vechten, zijn inderdaad niet de ware Oekraïners van zijn morbide verbeelding, en zij zullen dat waarschijnlijk ook nooit worden – omdat ze echt zijn.

Dit stuk verscheen eerder op Raam op Rusland. Het werd vertaald door Menno Grootveld