Slachtoffers van voorspoed

Charles Dickens was de meester van de cliffhangers. Maar echt imponerend is hij door zijn suggestiviteit, zijn humor en het vermogen een fenomenale intrige uit te werken.

Charles Dickens in Londen, ca. 1865 © AKG / ANP

In A Handful of Dust (1934) van Evelyn Waugh raakt hoofdpersoon Tony Last verdwaald in de jungle van Brits-Guyana. Op sterven na dood wordt hij gevonden door een analfabete kluizenaar. Die lapt hem op, geeft hem te eten en te drinken en vraagt of hij hem in ruil voor zijn goede zorgen Dickens wil voorlezen. Tony doet dat maar wil op een gegeven moment wel weer naar huis. De analfabeet weigert hem te laten gaan. Hij gijzelt op literaire gronden. Ze weten allebei dat Tony het niet zal overleven als hij in z’n eentje de weg naar de bewoonde wereld zal gaan zoeken. En dus leest hij de rest van zijn leven Dickens voor aan de analfabeet.

Na het lezen van de net verschenen Nederlandse vertaling van Our Mutual Friend, mijn eerste Dickens, heb ik alle begrip gekregen voor deze analfabeet. En ik heb ineens ook wat minder medelijden met Tony Last, een van de beklagenswaardigste personages uit de wereldliteratuur: zijn vrouw bedriegt hem op alle mogelijke manieren, zijn zoon sterft en hij eindigt in gevangenschap. Maar hij mocht wel Dickens lezen!

Onze wederzijdse vriend is de laatste voltooide roman van Dickens (1812-1870). Deze 937 pagina’s tellende mastodont, vertaald door Peter Charles, is net wat minder dik dan Bleak House en David Copperfield en heeft het qua populariteit altijd moeten afleggen tegen die andere twee. Onder anderen Henry James was er destijds niet erg over te spreken. Hij begon zijn recensie van het boek met de volgende vernietigende zin: ‘Our Mutual Friend is, to our perception, the poorest of Mr. Dickens’s works.’ James vond de personages te karikaturaal oftewel te weinig menselijk en ze werden naar zijn smaak te zeer en te lollig belachelijk gemaakt.

Inderdaad zorgen alle geestigheden, die wat mij betreft alleen maar vermakelijk zijn, dat het even duurt voordat je met de personages gaat meeleven. Maar na zo’n tweehonderd pagina’s – en dan heb je er nog zevenhonderd te gaan, dus dat is vroeg genoeg – gebeurt dat wel degelijk. Voor mij lag het kantelpunt bij de scène waarin de boezemvrienden Mortimer en Eugene midden in de nacht aan de waterkant zitten. Eugene sluipt naar het huis waar een meisje bij het haardvuur zit te wachten op haar vader. Die zal nooit komen, want hij is verdronken in de rivier. En Eugene raakt, turend door het raam, in de ban van dit eenzame meisje.

Wat de boel enigszins ophoudt, is dat er nogal wat personages geïntroduceerd worden. Het duurt even voordat Dickens laat zien hoe ze allemaal met elkaar te maken krijgen. Maar als dat eenmaal is gebeurd, kun je als lezer alleen nog maar bewonderend toezien hoe de schrijver deze ingenieuze intrige uitwerkt. Het is moeilijk voorstelbaar dat de roman zo matig werd ontvangen door Dickens’ tijdgenoten.

Het boek was bijna onvoltooid gebleven. Dickens was ongeveer op drievierde toen hij samen met zijn minnares en haar moeder (waarom die ook meeging weet ik niet) betrokken raakte bij een treinongeluk. Dickens klom uit het treinstel, redde zijn minnares en ook haar moeder en bekommerde zich om de gewonde passagiers. Pas hierna dacht hij aan zijn personages, die zich nog altijd in de trein bevonden. Hij klom weer door het raam naar binnen en redde het manuscript.

Onze wederzijdse vriend gaat, net als de grote negentiende-eeuwse Russische romans, over zo’n beetje alle belangrijke thema’s in het leven. Toch is er één onderwerp dat vrijwel alle verhaallijnen in gang zet en draaiende houdt: geld. Aan het begin van de roman is er net een rijke vrek gestorven, die zijn rijkdom heeft vergaard met het vuilnis van Londen. Hij laat zijn vermogen na aan zijn zoon die in het buitenland woont, op voorwaarde dat die trouwt met een arm meisje dat hij nog nooit heeft ontmoet.

In het nawoord (niet opgenomen in de Nederlandse uitgave) verdedigde Dickens zich tegen lezers die dit ongeloofwaardig vonden. Volgens hem bestonden er in werkelijkheid honderden testamenten met nog veel opmerkelijkere bepalingen.

De zoon keert terug naar Engeland maar wordt al in het eerste hoofdstuk uit de Theems opgevist. De erfenis gaat daarom naar de oude knecht van de vrek, Mr. Boffin, die sindsdien ‘de gouden vuilnisman’ wordt genoemd. Mr. en Mrs. Boffin zijn ingoede mensen, die eigenlijk wel tevreden waren met hun eenvoudige leventje. Ze zitten aan hun ontbijt, schrijft Dickens, ‘als slachtoffers van voorspoed’.

George Orwell besteedde ooit een paar alinea’s aan de vraag wie van de twee beter was: Dickens of Tolstoj

Net als Waugh’s kluizenaar in het oerwoud is deze Mr. Boffin analfabeet en laat hij zich door iemand voorlezen. Alleen: bij Waugh is de voorgelezene de boef en bij Dickens de voorlezer. Silas Wegg, een schurk met een houten been, is de kwaadaardigste van de aasgieren die het op Mr. Boffins geld hebben voorzien. Schitterend is de scène waarin Wegg samen met een handlanger Mr. Boffin bespioneert, die ’s avonds laat de vuilnisbelten afspeurt naar een ‘Hollandse veldfles’.

Ook alle andere verhaallijnen zijn op de een of andere manier verbonden met de erfenis. Je zou kunnen zeggen dat Dickens zeven of acht romans in één band heeft samengevoegd, ware het niet dat al die verhaallijnen vernuftig in elkaar grijpen. Wat Dickens’ proza daarnaast zo aantrekkelijk maakt, is dat hij ontzettend goed was in suggestief schrijven. Op de eerste pagina’s van veel hoofdstukken weet je niet precies hoe de vork in de steel zit. Telkens wordt langzaam duidelijk wat er aan de hand is. Dat begint al in het eerste hoofdstuk, waarin een vader en dochter op de Theems roeien en je je afvraagt wat ze daar midden in de nacht aan het doen zijn.

Wat bovendien bijdraagt aan het grote leesplezier, op heerlijk tergende wijze, is dat Dickens er ieder hoofdstuk in slaagt om je zo mee te slepen met de personages en het verhaal dat je voortdurend teleurgesteld bent dat er in een volgend hoofdstuk weer een andere verhaallijn wordt opgepakt. Hierbij spelen uiteraard ook de cliffhangers een rol, de techniek waar Dickens bekend om is geworden.

Met de term zelf had Dickens niets te maken. Die is (waarschijnlijk) ontstaan door een boek van Thomas Hardy, waarin een personage aan het einde van een hoofdstuk aan een klif hangt. Maar er valt veel voor te zeggen om Dickens toch de uitvinder van de cliffhanger te noemen. Sinds The Pickwick Papers publiceerde hij zijn boeken eerst in feuilletonvorm. Hierdoor kon hij de reactie van het publiek laten meewegen tijdens het schrijven van het vervolg. En om ervoor te zorgen dat zijn lezers nieuwsgierig bleven naar de rest van het verhaal maakte hij gebruik van cliffhangers.

Our Mutual Friend verscheen tussen mei 1864 en november 1865 in twintig verschillende delen. Het is wel interessant om te kijken bij welk hoofdstuk de negentiende-eeuwse lezer een maand moest wachten om verder te kunnen lezen. Dan zie je dat Dickens inderdaad soms echte cliffhangers aanbracht, maar soms helemaal niet.

Het zijn uiteindelijk ook niet die cliffhangers die Dickens zo’n imponerende schrijver maken. Ik denk dat de kern van zijn vakmanschap wordt gevormd door die al genoemde suggestiviteit, door de humor en de speelsheid waarmee hij vertelt en vooral door zijn vermogen om zo’n fenomenale intrige uit te denken en, met schijnbaar gemak, uit te werken.

De grootsheid van Dickens is dan ook vergelijkbaar met die van Tolstoj. George Orwell besteedde ooit een paar alinea’s aan de vraag wie van de twee beter was. Hij concludeerde dat het was alsof je een worst met een roos vergeleek. Zijn voorkeur ging uit naar Tolstoj, omdat zijn personages groeien. Ze proberen om betere mensen te worden, waardoor je meer over jezelf te weten zou komen. Terwijl Dickens’ personages volgens Orwell al helemaal afgerond zijn.

Orwell doelt denk ik vooral op Pierre uit Oorlog en vrede, wiens streven om een goed mens te zijn inderdaad aanstekelijk werkt. In Onze wederzijdse vriend is Bella Wilfer degene die het dichtst in de buurt komt van dit type personage. Zij is het arme meisje dat zo’n belangrijke rol speelt in het testament van de vrek. Terwijl de meeste personages in de roman tamelijk eenduidig goed of slecht zijn, ligt dat bij haar een stuk gecompliceerder. Ze is, kortom, het menselijkst.

Tolstoj schreef over graven en vorsten maar Dickens over een hele samenleving, van louche lijkenvissers tot aan de nouveaux riches. En sommige van die personages zijn misschien inderdaad wat karikaturaal, maar ze zijn stuk voor stuk meesterlijk.

Nota bene de eigenaardige Jenny Wren, die Henry James van alle personages nog wel het meest tegenstond, zorgt voor de ontroerendste passages. Met Eugene Wrayburn had ik bevriend willen zijn. Hij lijkt sterk op zijn naamgenoot uit de roman van Poesjkin. En dan is er ook nog Bradley Headstone, een brave leraar die verandert in een moordenaar. Dostojevski was door hem geïnspireerd toen hij Raskolnikov verzon.

Onze wederzijdse vriend is een bijzonder imponerende en barstensvolle roman. En het prettige is: je hoeft je niet te laten opsluiten door een analfabete kluizenaar om al dit moois tot je te nemen. Je kunt gewoon in je stoel gaan zitten en dit boek lezen.