…TERUGBLIK OP HET CP’86-VERBOD

Slag gewonnen, oorlog verloren

Tien jaar na het historische partijverbod van de extreem-rechtse CP’86 is niemand tevreden. De tegenstanders van toen voelen zich sinds Pim Fortuyn gesterkt in hun gelijk. De voorstanders behaalden een pyrrusoverwinning.

ZO HAD NIEMAND zich de definitieve afrekening met extreem-rechts voorgesteld. Talloze juridische processen, verhitte discussies in de politiek en op de opiniepagina’s, demonstraties voor en tegen extreem-rechts en massaal straatgeweld culmineerden eind jaren negentig in een anticlimax. De radicale CP’86 werd illegaal verklaard vanwege haar racistische uitspraken en bedreiging van politieke tegenstanders. Maar het verbod trof een partij die nog slechts op papier bestond. Het volledige bestuur op één man na had zich laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel. Een groot deel van de partij was al lang vertrokken om een nieuwe organisatie op te richten, Volksnationalisten Nederland, die overigens ook geen lang leven was beschoren. CP’86 had naar verluidt forse schulden. Geen partijlid was aanwezig bij de laatste rechtszaak, zelfs geen advocaat. Het was alles bij elkaar niet langer een actieve partij die op 18 november 1998 de genadeslag kreeg toegebracht. De rechter verbood op deze dag een lege huls.
Tussen het Nederland van toen en nu zit meer dan alleen een tijdsverschil van tien jaar. De aanslagen van 11 september 2001 en de opkomst van het fenomeen Fortuyn hebben definitief een einde gemaakt aan het antiracisme als grote gemeenschappelijke deler, aan extreem-rechts als volksvijand nummer één. Het historische partijverbod van CP’86 (zie kader) lijkt ingevoerd te zijn in een ander land. Toch zegt desgevraagd geen van de betrokkenen spijt te hebben van zijn toenmalige standpunt. ‘Ik denk dat een deel van wat zowel de Centrumdemocraten van Hans Janmaat als CP’86 beweerden en waarvoor ze ook veroordeeld zijn, nu meer geaccepteerd is dan toen’, laat Winnie Sorgdrager schriftelijk weten – de toenmalige minister van Justitie (D66) die aan de wieg stond van het CP’86-verbod wil alleen op papier reageren op vragen voor dit artikel. ‘Maar nog steeds zullen verreweg de meesten gebruik van geweld afkeuren en wellicht ook nu nog een reden vinden voor een verbod. Ik vind dat in elk geval wel.’ Ook Peter Rehwinkel, tegenwoordig burgemeester van Naarden, destijds PVDA-woordvoerder op dit onderwerp in de Tweede Kamer, is niet van mening veranderd. ‘Ik ben voor vrijheid van meningsuiting. Maar als je wettelijk grenzen stelt aan racisme en er is de mogelijkheid van een partijverbod, dan moet je daar ook helder in zijn.’

Wat Rehwinkel betreft was niet alleen CP’86, maar ook de iets meer salonfähige CD verboden. Met de opkomst van die partij begon de hele discussie over een partijverbod voor extreem-rechts begin jaren negentig. Het ging niet alleen om (vermeend) discriminerende uitspraken tegen de multiculturele samenleving en de komst van steeds meer migranten naar Nederland. Het Amsterdamse raadslid Yge Graman bekende tegenover een verborgen camera verantwoordelijk te zijn voor racistische brandstichtingen.
Pas later kwam het ‘kleinere broertje’ CP’86 in het vizier van politie en justitie. Die in 1986 opgerichte partij was een voortzetting van de failliet verklaarde Centrumpartij. Zij bestond uit enerzijds oudere leden van de Centrumpartij die niet met Janmaat door een deur konden, anderzijds jongere activisten, vaak openlijk nationaal-socialistisch. Veel succes heeft CP’86 nooit gehad. In 1990 behaalde zij in totaal vier zetels bij de gemeenteraadsverkiezingen, op haar hoogtepunt in 1994 negen. Tot de Tweede Kamer wist zij niet door te dringen.
Daarop probeerde de partij zich feller te profileren ten opzichte van de CD – rechtser dus. Van de twee richtingen binnen de partij gingen de jongere ‘neonazi’s’ de oudere garde van ‘stropdassen’ domineren. Zij gingen verder dan de geijkte pleidooien tegen multiculturalisme en immigratie. Zo dook een foto op van het Rotterdamse gemeenteraadslid Martijn Freling die de Hitlergroet bracht. Politieke tegenstanders – met name van GroenLinks – werden bedreigd. De partij raakte verstrikt in tal van rechtszaken.
Met ieder incident laaide de discussie over een partijverbod op – en voor incidenten zorgde de alsmaar verder radicaliserende CP’86 wel. Voorstanders van een verbod roerden zich binnen en buiten de Tweede Kamer. Directeur Marcel Zwamborn van het Landelijk Bureau ter Bestrijding van Rassendiscriminatie wierp in een opiniestuk de retorische vraag op wat zwaarder moest wegen, ‘het belang van extreem-rechtse partijen om hun ideeën te mogen verkondigen of het belang van de Nederlandse samenleving om van racistische bedreigingen verschoond te blijven’. Een partij die democratie ‘pervers’ vindt, zou daarin niet thuishoren. Een partijverbod had bovendien een ontmoedigend effect op mogelijke opvolgers en zou het ‘merk’ centrumpartij doen verdwijnen.
Tegenstanders van het verbod waren er ook – en niet alleen binnen extreem-rechts zelf. In een democratie is het de kiezer die oordeelt over een partij, luidde het bezwaar, niet de rechter. PVDA-senator en hoogleraar staatsrecht Erik Jurgens waarschuwde dat wie alleen al het spreken over verwerpelijke ideeën wil verbieden, het ‘democratisch proces van meningsvorming’ verstikt. Behalve principiële argumenten waren er ook praktische bezwaren. Minister van Binnenlandse Zaken Hans Dijkstal (VVD) wees de Tweede Kamer op het risico dat CP’86 ondergronds kon gaan. Oud-partijvoorzitter Henk Ruitenberg gooide in een vraaggesprek met Trouw olie op het vuur door te waarschuwen voor ‘Duitse toestanden’ – in steden als Solingen en Rostock hield in de jaren negentig de bevolking een klopjacht op buitenlanders. ‘Op het moment dat ze de partij verbieden, ben ik ervan overtuigd dat er aanslagen gepleegd gaan worden. En dat schrijf ik volledig op het conto van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en het ministerie van Justitie.’

Tot Duitse toestanden zou het niet komen in Nederland. Het dreigende partijverbod zorgde bovenal voor ruzie binnen extreem-rechtse gelederen. Een poging intern orde op zaken te stellen mislukte. De openlijke neonazi’s werden niet geroyeerd; zij waren het die uiteindelijk overbleven. Daarop ging het snel bergafwaarts met de partij. Na bedreiging van een wethouder mocht de Rotterdamse CP’86-fractie het stadhuis niet meer in. Drugs- en drankmisbruik zou aan de orde van de dag zijn. Een beschuldiging die op weinig subtiele wijze verwoord is in een nummer van de extreem-rechtse band Brigade M: ‘Nazileuzen in de raad, maar bruine dealers zijn een maat/ Martijn Freling, vlekkenkneus, snoof de partijkas in zijn neus’.
Uiteindelijk viel het doek. Na diverse veroordelingen van individuele leden achtte in 1997 de rechter de hele partijtop schuldig aan het aanzetten tot discriminatie, haat en deelname aan een criminele organisatie. Een jaar later volgde het definitieve partijverbod. De rechter oordeelde dat CP’86 niets anders beoogde ‘dan het oproepen en aanzetten tot, dan wel het bevorderen van discriminatie van allochtonen’.
Overigens is het de vraag in hoeverre een deel van het bewijs tegenwoordig als belastend zou gelden. Neem de zinsneden die justitie uit de tekst van een tv-spotje van CP’86 lichtte: ‘en het zijn niet alleen asielzoekers die naar Nederland komen’, ‘er is ook nog de gezinsvorming en niet te vergeten de illegalen’, ‘ze worden voorgetrokken bij van alles en nog wat’ en ‘begin onmiddellijk met een terugkeerbeleid’.
Of daarna ook de CD aan de beurt zou zijn geweest, blijft tot op de dag van vandaag onduidelijk. Janmaat vertrouwde het in elk geval niet. ‘Politiek links is er (…) op uit om alles dat rechts is te verbieden’, aldus de CD-leider eerder in een Kamerdebat. ‘Als het eenmaal met een kleine partij is gelukt, dan zal het ook proberen de wat grotere in zijn grip te krijgen.’ Maar in hetzelfde jaar waarin CP’86 verboden werd, verloor de CD haar Kamerzetels. De partij ging ter ziele zonder dat daar een rechter voor nodig was. Het was het definitieve einde van de zogenoemde ‘centrumstroming’, de eerste extreem-rechtse stroming in naoorlogs Nederland die electorale successen heeft geboekt.

Het mag om een ander tijdperk gaan, het principiële dilemma rond het partijverbod staat een decennium later nog steeds. ‘Je kunt zeggen: als je een partij verbiedt, doe je de democratie geweld aan. Maar precies datzelfde kun je zeggen over het níet verbieden van een antidemocratische partij’, zegt Jaap van Donselaar, deskundige op het gebied van extreem-rechts en verbonden aan de Universiteit Leiden. Een aantal van de pragmatischere argumenten zijn wel ontkracht. De CP’86-leden werden geen martelaren van het vrije woord. En een explosie van geweld bleef uit rond het verbod. Veeleer was sprake van een implosie. Jaap van Donselaar: ‘De vraag hoe aan dreigende repressie het hoofd kan worden geboden, heeft gedurende tientallen jaren in extreem-rechtse gelederen als splijtzwam gefungeerd. Het hing als een zwaard van Damocles boven hun organisaties. Net als Janmaat waren de nakomelingen van CP’86 veel banger voor een verbod dan nodig is.’
En de opkomst van nieuwe, gewelddadige extreem-rechtse structuren als Blood & Honour dan, is dat geen gevolg van het partijverbod? Van Donselaar meent van niet: ‘Het ontstaan daarvan valt juist samen met het gedoogbeleid ten aanzien van extreem-rechts dat we de laatste vijf jaar zien. De aandacht van de overheid is uitgegaan naar radicale moslims, en veel minder naar extreem-rechts.’
De positieve effecten van het CP’86-verbod in de praktijk zijn echter teniet gedaan door de historische ontwikkelingen die elkaar sindsdien in rap tempo hebben opgevolgd. ‘Tegen wat daarna loskwam, was het verbieden van een partij niet opgewassen’, blikt Hans Dijkstal terug. In het Nederland van na Pim Fortuyn wordt een partij niet snel aangepakt wegens racisme. Dat vindt Dijkstal ‘zorgelijk’. ‘We aanvaarden dingen in dit land die duidelijk discriminerend zijn, soms zelfs racistisch. Ook in de Tweede Kamer. En ja, dan doel ik op de PVV. Daartegen moet veel helderder stelling genomen worden. Ik vind ook dat discriminerende uitspraken weer meer voor de rechter moeten komen. Dat gebeurt nu veel te weinig.’
Advocaat Wim Anker is de omgekeerde mening toegedaan. Hij stond samen met zijn broer, advocaat Hans Anker, de leden van CP’86 in tal van strafprocessen bij. ‘Een verboden-verklaring hebben wij altijd als een zinloze actie gezien’, meldt hij. ‘Het is een cosmetische procedure die qua nettoresultaat niets oplevert voor de samenleving. Men kan wel een partij verbieden, maar het gedachtegoed wordt daarmee niet bestreden.’ Oud-bestuurslid van CP’86 Tim Mudde sprak enige tijd geleden op het extreem-rechtse internetforum Stormfront over het partijverbod als een ‘momentopname’, net als de vervolging wegen racisme van Janmaat. ‘Tegenwoordig wordt Janmaat zelfs semi-opgehemeld als de man die de problemen van de multicultuur bespreekbaar wilde maken.’ Het verbod was volgens hem ‘een paniekactie van toenmalig minister Winnie Sorgdrager op het hysterische geschreeuw van AFA (Anti-Fascistische Aktie, een radicaal-linkse actiegroep – red.) en hun politieke vriendjes in GroenLinks, SP, en PVDA. Toen de partij in 1998 daadwerkelijk verboden werd, was ze op sterven na dood door het zooitje ongeregeld dat zich meester had gemaakt van de partij.’

In één opzicht oordelen de betrokkenen van toen eendrachtig over het partijverbod: het is uitgedraaid op een teleurstelling. Extreem-rechts voelt zich door Pim Fortuyn, Geert Wilders en Rita Verdonk alleen maar gesterkt in zijn verontwaardiging over het verbod. Tegelijkertijd is van eerherstel geen sprake. ‘De partijen van Domela Nieuwenhuis en Soekarno werden ooit ook verboden en voor hen zijn talloze standbeelden opgericht’, zei Martijn Freling in 1996 nog hoopvol tegenover De Groene Amsterdammer. Het mocht niet zo zijn.
Ook de voorstanders van een verbod zijn ontevreden. Het begon al vóór het verbod. Het heeft allemaal te lang geduurd, meent PVDA’er Rehwinkel. ‘Als overheid moet je niet de indruk wekken dat je aan het zwabberen bent, aan het uitstellen. Precies dat gebeurde er in de discussie over het partijverbod. Het werd een jarenlang slepende zaak, het kabinet liep om de hete brij heen. Dat maakt geen krachtige indruk naar extreem-rechts toe.’ Toen het partijverbod eenmaal een feit was, ging het in zekere zin weer te snel, stelt Willem Wagenaar van de Anne Frank Stichting. ‘Het partijverbod heeft extreem-rechts wel degelijk een aantal jaren lamgeslagen. Maar het had voor de Hoge Raad of het Europese Hof moeten komen. Nu ligt er een jurisprudentie van niks.’
De afgelopen jaren is het besef doorgedrongen dat antiracisten de slag hebben gewonnen, maar de oorlog verloren. Volgens politicoloog Meindert Fennema was de publieke stemming in Nederland al vóór het partijverbod aan het omslaan. In een interview met het extreem-rechtse Radio Rapaille – ‘dé nationalistische radio voor de Heel-Nederlandse aktivist’ – zegt hij: ‘Ze moesten het afmaken. Maar als ze er af hadden gekund zonder gezichtsverlies – de linkse kerk dus, om in jullie termen te spreken – dan hadden ze dat gedaan.’
Zoals vaker is de juridisering van het politieke debat een teken van zwakte gebleken. Aanvankelijk was de reactie op de terugkeer van extreem-rechts in de Nederlandse politiek eind jaren zeventig, begin jaren tachtig massaal en radicaal. De weerstand tegen de Nederlandse Volksunie en de Centrumpartij was enorm. Volgens sommige commentatoren werd met terugwerkende kracht gepoogd de meegaande houding van de Nederlanders tijdens de Duitse bezetting goed te maken. Toen na de jaren tachtig hun maatschappelijk draagvlak afnam, zochten antiracisten steeds meer hun heil bij de rechter. Dat zou wel eens als een boemerang terug kunnen komen, waarschuwde een bestuurslid van het Komitee Utrecht tegen Racisme en Fascisme in mei 1995 in een discussiestuk. Bovendien werd met die strategie de status quo bevestigd: ‘Met een verwijzing naar het verderfelijke extreem-rechts profileert politiek Den Haag zichzelf als de neutrale, fatsoenlijke middenpolitiek. Het eventuele verbieden van de CP’86 geeft de regering de kans haar eigen migranten- en vluchtelingenbeleid als “sober doch humaan” te verkopen.’
Rond dezelfde tijd wees filosoof Ger Groot op het nationalistische element in het Nederlandse naoorlogse antifascisme: ‘Elke gemeenschap zoekt naar groepen of individuen tegen wie ze zich kan afzetten, om zich in die gemeenschappelijke afkeer één en verbonden te kunnen voelen.’ Tot in de jaren negentig trof die gemeenschappelijke afkeer extreem-rechts. Nu is er een nieuw nationalisme. En inderdaad: tegen zo’n ideologische aardverschuiving helpt geen verbod.

………………………………………………………………………………………….
TWAALF PARTIJEN, DERTIEN ONGELUKKEN
De naoorlogse geschiedenis van extreem-rechts in Nederland is er een van ruzies en splitsingen – en veel afkortingen. De Nederlandse Volksunie (NVU) verricht in de jaren zeventig pionierswerk. Als eerste partij maakt zij de terugkeer van etnische minderheden naar het land van herkomst tot speerpunt. De radicaliteit waarmee deze boodschap wordt uitgedragen, stuit echter op bezwaren en mede hierom wordt in 1980 de ‘bravere’ Centrumpartij opgericht. Twee jaar later weet die inderdaad tot de Tweede Kamer door te dringen. Ruzies leiden echter tot het vertrek van Hans Janmaat en de oprichting door hem van de Centrumdemocraten (CD). De Centrumpartij gaat later vanwege geldproblemen verder onder een nieuwe naam: CP’86.
In de aanloop naar het partijverbod organiseren leden van deze partij zich in een nieuw verband: Volksnationalisten Nederland (VNN). Dit gaat vervolgens op in de Nieuwe Nationale Partij (NNP). Ook dat wordt geen succes. Tegenwoordig zijn de diverse overgebleven splinterpartijen weinig populair in extreem-rechtse kringen. Zij hebben plaatsgemaakt voor informele, losser georganiseerde clubjes van gelijkgestemden.