De biografie

Slakken sluimerend onder haar borsten

Over leven en werk van de aan gene zijde van de moraal opererende lesbienne, slakkensmokkelaar en thrillerauteur Patricia Highsmith.

Patricia Highsmith werd op 19 januari 1921 in Forth Worth (Texas) geboren. Negen dagen eerder was haar moeder gescheiden van haar vader, Bernhard Plangman. Deze vader adviseerde de moeder van Patricia, toen zij in de zomer van 1920 ontdekte dat zij zwanger was, het kind te laten aborteren. Vijf maanden voor de geboorte van Pat, zoals zij genoemd zou worden, dronk de moeder een flinke hoeveelheid terpentijn om een abortus op te wekken. Maar de terpentijn deed z’n werk niet en de moeder zou later vaak tegen Patricia zeggen: ‘Het is grappig dat je de geur van terpentijn zo adoreert.’
Moeder Mary trouwde in 1924 met Stanley Highsmith. Later zou Patricia deze verbintenis karakteriseren als een ‘kleine hel’.
In 1925 werd Patricia ernstig ziek: Spaanse griep. Over de hele wereld stierven veertig miljoen mensen aan deze interessante voorloper van de vogelgriep, maar het kleine meisje genas. Toen ze zes jaar was, verhuisde ze met haar moeder en stiefvader naar New York. Ze kon, weggerukt uit haar vertrouwde omgeving, niet wennen op school. Toen ze eindelijk in New York haar draai gevonden had, keerde haar moeder met haar terug naar Forth Worth. Haar stiefvader berustte daar niet in en wist de moeder over te halen weer met hem mee te gaan naar New York. Patricia werd achtergelaten bij haar grootmoeder. Dat heeft ze haar moeder nimmer vergeven.
Vijf jaar later keerde ze ook zelf terug in New York voor een vierjarige Bachelor of Arts-cursus in Engelse literatuur. Edgar Allan Poe en Joseph Conrad waren haar favoriete schrijvers. Vooral de laatste heeft Highsmith, niet qua stijl, maar wel wat de thematiek betreft sterk beïnvloed. Van Conrad nam ze de broeierige vijandschap van twee mannen over die tevens een vorm van lotsverbondenheid kan zijn (‘the secret sharer’). Highsmith voegde daar een dimensie aan toe. Bij haar laat zich tevens een ondertoon van kleffe genegenheid bij die vijandschap bespeuren, die nog net niet uitmondt in openlijke homoseksualiteit.
Highsmith studeerde af in 1942 en kreeg een baantje als redacteur bij The Jewish Family Almanac. Reuze verrassend dat ze juist daar terechtkwam, want Highsmith was bepaald niet vrij van antisemitische trekjes en wist later, ongeveer net zo optredend als Gretta Duisenberg, de hele joodse gemeenschap in Amerika tegen zich in het harnas te jagen met haar openlijke (en mijns inziens ook terechte) steun voor de Palestijnse zaak. Haar geringe succes in eigen land (ze verkocht amper in de VS) zou mogelijk mede daaraan te wijten kunnen zijn.
Lang heeft Highsmith het bij de joodse almanak niet uitgehouden, reeds in 1943 vertrok ze naar Mexico, waar ze in Taxco werkte aan een roman, The Click of the Shutting. Dat boek is nooit verschenen. Na vijf maanden Taxco keerde ze terug naar New York, waar haar eind 1945 het idee inviel een roman te schrijven over twee mannen die, om de politie op een dwaalspoor te brengen, met elkaar afspreken dat ze elkaars moord zullen plegen. Pas in 1947 begon ze eraan te werken. Juist in dat jaar stierf Barones Orczy die in een van haar verhalen precies hetzelfde gegeven heeft uitgewerkt. Zou Patricia Highsmith dat verhaal ooit gelezen hebben of zou ze zonder de barones op het idee zijn gekomen? Ik ben er nooit iets over tegengekomen in de Highsmith-literatuur.
Strangers on a Train, die roman over de verwisselde moorden, verscheen in 1950. Highsmith had ondertussen al de nodige affaires achter de rug met allerlei jongedames. Voor een lesbienne was ze opmerkelijk promiscue, wat voor haar biograaf enerzijds een uitkomst is, anderzijds een crime. Andrew Wilson vertelt uiterst onderhoudend over al die affaires, ze vormen de rode draad in zijn verhaal, en in veel gevallen is hij in staat geweest de elkaar in snel tempo opvolgende vlammen van Patricia te interviewen (en dan laat hij die vrouwen in hun eigen woorden hun verhaal doen), maar van sommige vlammen heeft hij de naam niet kunnen achterhalen. Eén vlam duidt hij aan als X, van haar mocht hij de naam blijkbaar niet vermelden. Overigens was het kennelijk een zware opgave om lang achtereen met Highsmith samen te wonen. Grote ruzies, waarbij lichamelijk geweld vaak niet geschuwd werd, betekenden steevast het einde van al die losse en soms toch ook niet eens zo losse verhoudingen. Met ene Ellen heeft Highsmith zowat haar leven lang verkeerd, onophoudelijk ruzie makend, maar toch weer af en toe een lat-relatie vormend.
Het is opmerkelijk dat de weerslag van al deze triest eindigende affaires in haar werk vrijwel ontbreekt. Slechts in haar tweede roman, The Price of Salt uit 1952, die ze publiceerde onder het pseudoniem Claire Morgan, beschrijft Highsmith de liefdesverhouding van twee vrouwen. In 1990 verscheen de roman onder haar eigen naam en de titel Carol. Het is een atypische Highsmith.
Op de foto’s uit de late jaren veertig ziet Highsmith er verbazend leuk uit. Die foto’s heb ik bekeken met ogen op steeltjes. De gnoomachtige, weinig spraakzame kleine vrouw met het zwaar gerimpelde gezicht die ik één keer heb ontmoet en die mij toen grijnzend haar lovende recensie van mijn in het Engels vertaalde rattenboek overhandigde, leek een totaal ander iemand dan het prachtmeisje dat het omslag van de pocketuitgave van Wilsons boek siert.
In 1949 voer Highsmith, op de Queen Mary, voor het eerst naar Europa. Ruim drie maanden zwierf ze door Engeland, Frankrijk en Italië, eerst alleen, later met een vlam, Kathryn, die ze onderweg ontmoette.
In 1950 debuteert ze met Strangers on a Train. Vrijwel terstond na publicatie koopt een anonieme filmmaker voor zesduizend dollar de filmrechten, daarbovenop nog vijftienhonderd dollar extra biedend in geval Highsmith het script onder haar hoede wil nemen. Als de deal eenmaal is gesloten ontpopt de anonieme regisseur zich als niemand minder dan Alfred Hitchcock, die de adembenemende superthriller om zal toveren in een al even adembenemende film.
Highsmith wisselde vanaf 1950 al bijna net zo vaak van adres als Beethoven in zijn Weense jaren, met dien verstande dat Highsmith uiteindelijk, na op tal van plaatsen in de VS en Mexico te hebben gewoond, eerst in Engeland, vervolgens in Frankrijk en uiteindelijk in Zwitserland terechtkwam. Frankrijk verliet ze onder meer omdat de belastingdienst een inval deed in haar huis in Moncourt.
Highsmith had een passie voor slakken (daar danken we een paar gruwelverhalen aan, plus de passie voor slakken van de hoofdpersoon uit Deep Water) en hield ze ook zelf. Toen ze van Engeland naar Frankrijk verhuisde, ‘smuggled’ ze volgens Wilson haar ‘pet snails’ (die in Frankrijk uiteraard niet zomaar ingevoerd mochten worden) ‘under her breasts into the country’. Haar redacteur bij uitgeverij Doubleday bevestigt dat verhaal: ‘She was sneaking them into France under her breasts.’ Ik wil het graag geloven, maar de bioloog in mij is toch geneigd de simpele vraag te stellen: bleven die slakken dan al die tijd doodstil onder haar borsten sluimeren? Traag bewegen ze, maar zelden niet.
In februari 1995 stierf Highsmith moederziel alleen in een ziekenhuis te Locarno.
Biograaf Wilson heeft haar levensloop voortreffelijk weergegeven. Onopgesmukt, onpretentieus, en met oog voor detail. Wat het boek bijzonder maakt zijn al die stemmen van degenen die Highsmith gekend hebben en die Wilson hun eigen verhaal laat doen. Een van haar vlammen merkt over haar op: ‘Ze was een zeldzaam onevenwichtig iemand, buitengewoon kwaadaardig en misantropisch en totaal niet in staat tot enige vorm van een relatie, zelfs als ’t om niet-intieme verhoudingen ging.’ Vele anderen zijn minder uitgesproken in hun (ver)oordeel(ing), maar dat ze, naarmate ze ouder werd, ook steeds onmogelijker werd, wordt door niemand tegengesproken. Maar was ze anders geweest, aardiger, socialer, dan zou ze nooit die benauwende, wurgende wereld hebben kunnen scheppen waarin je doordringt als je een roman van haar opslaat, een grimmige wereld waarvan je je niet meer los kunt maken, ofschoon je er buitengewoon humeurig van wordt. Ruim twintig jaar geleden heb ik al haar werk dat tot dan toe verschenen was gelezen, en het verbaast me hoe scherp het me allemaal is bijgebleven, zeker de romans die ik als de hoogtepunten beschouw: The Cry of the Owl, Deep Water, The Blunderer, This Sweet Sickness, Strangers on a Train en The Glass Cell, over een man die net als Lucia de B. onschuldig vastzit. Bij Edith’s Diary ben ik afgehaakt, dat kon me niet meer bekoren, maar Wilson, die al haar boeken uitputtend behandelt, noemt het haar meesterwerk. Later heb ik, omdat het onderwerp ‘fundamentalistische christenen’ me interesseert, People Who Knock on the Door nog eens ter hand genomen. Maar ook dat boek beviel me niet, het schortte bij haar aan kennis van binnenuit van dit gruwelijke mensenslag. Haar vijf Ripley-boeken, waarin ze de gentleman-moordenaar ronduit verheerlijkt, wijs ik af. Je kunt zeggen: niet zo moralistisch, maar als we Ripley geen schurk meer mogen noemen, ontberen we ook het recht ons op te winden over bijvoorbeeld nazi-bonzen.
Haar jeugdjaren vertonen frappante overeenkomsten met de levensloop van de jonge Truman Capote, die ze een paar maal ontmoette. Maar zo sierlijk, zo elegant, zo ronduit wonderbaarlijk als Capote schreef, zo moeizaam schreef Highsmith. Ze hanteert een ploeterstijl. En toch blijkt juist dat bijna knullige Engels een voortreffelijk middel om die ijselijke wereld op te roepen, dat inferno van de buitenwijken, waarvan de gloed nog lang beklijft nadat je een boek van haar hebt uitgelezen.
Ze was uniek, haar werk kun je nauwelijks vergelijken met het werk van enige andere auteur. Het dichtst bij haar boze wereld staan nog de romans van Graham Greene en zo’n meesterwerk als Moira van Julien Green. Ook met de Joseph Conrad van bijvoorbeeld The Secret Agent heeft ze veel gemeen, maar zowel Greene als Green als Conrad is uiteindelijk minder nihilistisch dan deze aan gene zijde van alle moraal opererende trieste thrillerauteur uit Texas.

ANDREW WILSON
BEAUTIFUL SHADOW: A LIFE OF PATRICIA HIGHSMITH
Bloomsbury, 534 blz., € 19,95