Slangen uit de hemel, slangen uit de aarde

Malawi, ingeklemd tussen Zambia, Tanzania en Mozambique, is een van de armste landen van de wereld, ruim 65 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens en de vooruitzichten zijn, zacht gezegd, weinig florissant.

Hoe beroerd de situatie er is weten we onder meer van Dark Star Safari, het boek waarmee Paul Theroux verslag deed van zijn desillusionerende bezoek in 2001, dus nog voor de verdere terugslag door de mondiale economische crisis. Zo groot was de schok dat hij er ook jaren later nog niet van was bekomen. In The Lower River, nu vertaald als De benedenrivier, een roman ditmaal, heeft hij zijn ervaringen met het ongelukkige land opnieuw verwerkt. Het is een gruwelijk boek, niet geschikt voor jeugdige kijkers.

Theroux moet in 2001 vooral zo ontdaan zijn geweest omdat hij Malawi meende te kennen. In de vroege jaren zestig had hij er als Vietnam-weigeraar in dienst van het Amerikaanse Peace Corps twee jaar les gegeven, maar was vanwege betrokkenheid bij een mislukte staatsgreep ontslagen en het land uit gegooid. Van zijn enthousiaste opbouwwerk was 36 jaar later niets meer over. Het schoolgebouw was gesloopt, in de bibliotheek was geen boek meer te vinden, vrijwel niemand bleek zich hem, de idealistische leraar van weleer, te herinneren. En het ergst van al: bij de jongeren was niet het geringste spoor meer te ontdekken van enige honger naar kennis, tenzij die te maken had met het verlangen naar geld, te verkrijgen via diefstal, afpersing en geweld.

In De benedenrivier zijn dat de bepalende omstandigheden. Hoofdpersoon Ellis Hock, 62 en afkomstig uit Medford, Massachusetts, waar hij de eigenaar was van een chique herenmode­zaak, volgt in hoofdlijnen het spoor van de auteur. Na een huwelijkscrisis en in de veronderstelling er een nieuw leven te kunnen beginnen, gaat hij terug naar Malabo, het geïsoleerde, nog grotendeels in archaïsche omstandigheden verkerende dorp aan de benedenrivier, waaraan hij zijn gelukkigste herinneringen dankt. Hij was daar, net als Theroux, leraar, en hij treft er, wederom net als Theroux, een onherkenbaar veranderd land aan. Van die deceptie is de roman het verslag.

Maar laat ik, voor wie Theroux niet kent, me haasten dat te nuanceren: het boek heeft niets van een antropologische studie, laat staan van een politiek manifest, het is in alle opzichten een roman, ondanks het voorspelbare verloop spannend en meeslepend van begin tot eind, een roman bovendien die alleen geschreven kon worden door iemand die Afrika met alle zintuigen in zich heeft opgezogen. Hij observeert de gewoonten, ceremonies en rituelen van de inheemsen nauwgezet en met kennis van zaken, hij spreekt Sena, een van de minderheidstalen van Malawi, beschikt over een rijke woordenschat en voldoende stilistische lenigheid om de vreemdheid van zijn omgeving in geuren en kleuren en met de nodige beklemming te beschrijven.

Via Hock demonstreert Theroux vooral een grote kennis van slangen aan de benedenrivier. Hij onderscheidt de soorten en kent hun gevaren. En belangrijker: hij is niet bang, en omdat hij niet bang is wordt hij door de dorpelingen gevreesd en bewonderd. Slangen spelen in het boek een belangrijke structurerende rol, feitelijk, metaforisch en symbolisch. Een rivier is een slang, in een dansend meisjeslichaam huist een slang, het giftige verraad ligt overal op de loer. Die alomtegenwoordigheid wordt gevoed door de mythische verbeeldingskracht van de dorpelingen, die is gebaseerd op visuele en structurele overeenkomsten. Als Hock naar de hemel staart, denkt een van de dorpelingen dat hij vanwege agressieve bedoelingen op zoek is naar een bliksem­straal. Een bliksemstraal, hoezo? ‘Omdat u een vriend bent van de slangen, en de bliksem is een slang uit de hemel, zoals de regenboog een slang is uit de aarde.’

Slangen, kronkelend om een pols, zijn uiteindelijk Hocks laatste verdedigingsmiddel tegen de agressie van jonge dorpelingen, de ‘brothers’ die het op zijn geld hebben gemunt. Van hun bedrijvigheid en onschuld is niets meer over, ze vormen ‘een schrikbeeld van pure dreiging’, ze liegen en bedriegen, zijn lui, onverschillig, meedogenloos, ‘te klein, te misbruikt, te ratachtig en verloren’ – Theroux zoekt amechtig naar superlatieven om zijn frustraties te beschrijven. Hock is hun gevangene, hij wordt permanent bespioneerd en gevolgd. Als hij ten einde raad uit het dorp probeert te ontsnappen en hulp zoekt bij een vage, half corrupte hulporganisatie, duiken de brothers overal op en vernederen hem tot op het bot. De suggestie is duidelijk: dit cynische egocentrisme is het effect van decennia ijdele en wereldvreemde ontwikkelingshulp.

Hoe een samenleving gebaseerd op oeroude tradities en daarin gecultiveerde archaïsche overlevings­strategieën werd verwoest door de alles gelijkmakende en uithollende kracht van het westerse geld – dat laat Theroux op de meest schrijnende wijze zien. Er is te midden van alle deprimerende ellende maar één contrastfiguur die Hock aan vroeger doet denken: het meisje Zizi, niet toevallig een kleindochter van Gala, de collega-onderwijzeres met wie hij tijdens zijn eerdere verblijf een verhouding heeft gehad. Het is uiteindelijk ook aan Zizi dat hij zijn ontsnapping dankt, al moet zij daar zwaar voor boeten. Ze wordt tijdens een gevaarlijke nachtelijke missie naar het Amerikaanse consulaat aangevallen, mishandeld en verkracht door een van de grofste en brutaalste jongens van het dorp. Want Zizi bezat weliswaar niets, maar ‘ze was een namwali, ze had de eer van haar maagdelijkheid (…) en dat maakte haar begeerlijk’, in elk geval voor mannen met aids, want ‘die denken dat seks met een maagd hen geneest’.

De Nederlandse lezer is de laatste jaren verwend met betrokken, inzichtrijk proza over Afrika. Ik denk aan de reisverslagen en romans van Lieve Joris, aan het multidisciplinaire Congo van David Van Reybrouck en aan de artikelen van Marcia Luyten (binnenkort verzameld in Dag Afrika) met kritiek op de traditionele, paternalistische ontwikkelingshulp en een pleidooi voor een zinvol alternatief. Op dat plankje verdient Paul Theroux een ereplaats.


Paul Theroux, De benedenrivier. Uit het Engels vertaald door Suzan de Wilde en Maarten Polman; Atlas Contact, 381 blz., € 21,95