Toneelgroep Amsterdam in de overgang

Slangenkuilen

Een tv-documentaire van drie uur over het theatergezelschap Toneelgroep Amsterdam in de overgang. En een enscenering van Shakespeares ‹Macbeth› die maar niet wil opvliegen.

Al vroeg in het eerste deel van de drie uur durende documentaire Toneelgroep Amsterdam (NPS, Uur van de wolf, de volgende delen zijn te zien op 20 en 27 mei) werd duidelijk waar de schoen ging wringen. De zittende directie (waaronder Gerardjan Rijnders, Titus Muizelaar en Gerrit Korthals Altes) opteerde voor een «artistiek manager», waarmee feitelijk een intendant werd bedoeld: directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg én het grootste toneelgezelschap van Nederland, Toneelgroep Amsterdam (TGA). Dat was ruim dertien jaar lang politiek onhaalbaar en is dat nu nog steeds.

Voor de terugtredende Gerardjan Rijnders in de plaats moest, aldus «de politiek» en het TGA-bestuur, een spraakmakend regisseur gevonden worden. In een omslachtig pokerspel, dat in 1999 voornamelijk in achterkamertjes werd gespeeld en waarin voor het ensemble geen enkele rol was weggelegd, vielen achtereenvolgens Theu Boermans en Johan Simons af. De enige echte kandidaat bleek Ivo van Hove, die op Eindhoven en het Zuidelijk Toneel was uitgekeken. Die keuze verbaasde eigenlijk niemand en ze bleek onder de omstandigheden ook de beste — stelde Gerardjan Rijnders wat zuinig vast in een «gezelschapsvergadering».

Daarna volgen in de documentaire wat pijnlijke scènes. Actrice Lineke Rijxman wrijft zout in de wonden door te zeggen dat ze in de opvolgingskwestie wel wat meer aandacht had gewild voor de belangrijke verworvenheden («waar ik behoorlijk trots op ben») van het gezelschap onder Rijnders. Niet benoemd, maar wel bedoeld, worden hier de eigen initiatieven (van acteurs en regisseurs) die werden gebundeld in de rondreizende «Toneelfabriek». En natuurlijk de juweeltjes in de kleine zalen en in de eigen middenzaal, het Transformatorhuis. Het is bekend dat Ivo van Hove daar niks van moet hebben en dat hij zich con amore zal voegen in de primaire subsidie opdracht voor TGA: repertoire voor de grote zalen. Weliswaar komt er in de Amsterdamse schouwburg een middenzaal, maar daarop is — naar goed hoofdstedelijk gebruik — een legendarische uitspraak van Wim Kan van toepassing: «De maquettes staan al op instorten.»

Volgende pijnlijke scène in Niek Koppens documentaire betreft een personele kwestie. Eerst worden beelden getoond van de première (najaar 1999) van de succesvolle kleinezaalvoorstelling Kwartetten (over de achterkant van een strijkkwartet, toneeldebuut van componist-journalist Elmer Schönberger, regie: Gijs de Lange). Daarna stelt dramaturge Janine Brogt (lange tijd zelf deel van de artistieke leiding) in de gezelschapsvergadering de vraag waarom Gijs de Lange door de nieuwe artistieke leiding als huisregisseur is gewipt, zonder dat hij dat zelf weet en zonder dat er met hem is gesproken. Achter de tafel van de leiding worden wat excuses gemompeld, overtuigend klinkt het allemaal niet. Nieuwe bezems vegen weliswaar schoon, maar ze doen dat ook verdomde snel. En onzorgvuldig.

Voor de geïnteresseerde toneelliefhebber biedt Niek Koppens driedelige documentaire Toneelgroep Amsterdam een vernuftige inkijk in het functioneren van een toneelfabriek, die dat dertieneneenhalf jaar lang eigenlijk voornamelijk niet wilde zijn (men was afwisselend een open theaterensemble en een gesloten toneelfamilie), maar die nu aan de polsslag van de tijd moet geloven, met één directeur (Van Hove) en drie directiehoofden («Artistiek Bureau», «Communicatie Tableau», «Financiën en Personeel»). Naast de talloze vergaderingen en veel smakelijke faits divers, behandelt elke aflevering van de driedelige documentaire het maakwerk van één voorstelling. Dat zijn achtereenvolgens Rijnders’ stijlvolle, retorische «poppenkast»-versie van Corneilles De Cid (vorig jaar bekroond met de jaarlijkse Theaterfestivalprijs), de nagenoeg volledig mislukte versie die de jonge Duitse regisseur Falk Richter in het voorjaar van 2000 maakte van Brechts De heilige Johanna van de slachthuizen, en de voorstelling Stalker, een tekst van Rijnders in diens eigen regie (prachtige tekst, dito voorstelling, gemengd ontvangen).

Zelfs met een kleine drie uur televisie in het verschiet moet een documentaireregisseur kiezen, daarvoor alle begrip. Maar déze keuze is een misser, want ze biedt een volledig scheef beeld van wat Toneelgroep Amsterdam tot nu toe tot zo'n bijzonder ensemble maakte. Het alle kanten uitwaaierende initiatief De Toneelfabriek (TGA streek in een stad neer en speelde daar binnen enkele weken het meest uiteen lopende repertoire) krijgt een kleine tien minuten aandacht. In de tijd dat Niek Koppen vrijelijk mocht filmen, maakte Carina Molier (in het kerkje van Ruigoord) het eerste deel van haar tweeluik Ruigoord. Deze kleinschalige maar complexe onderneming wordt niet eens genoemd. Het enige wat we ervan te zien krijgen is de spelersbus die vanaf de schouwburg onderweg is naar de koude repetitieplek.

Koppens documentaire eindigt bij het nieuwe begin: Ivo van Hove die eenzaam ijsbeert in het decor van zijn openingsvoorstelling, The Massacre at Paris. Daarna ging nog Ik ben bang van Cyrus Frisch in première, een multimediale productie waarvan uiteindelijk slechts de regisseur als podiumsolist overbleef (ik heb de voorstelling niet gezien). En als derde productie ging onlangs Shakespeares Macbeth uit, in de regie van Gerardjan Rijnders. Rijnders is wel vertrokken als artistiek leider, maar aangebleven als huisregisseur (volgend seizoen regisseert hij maar liefst twee producties). Voor het ensemble is dat misschien goed, waarschijnlijk kan het allemaal in zo'n overgangsperiode niet anders, maar het lijkt me toch ook knap verwarrend. De gedachte dat ook de ogenschijnlijk onverstoorbare maestro Rijnders zelf niet aan die verwarring is ontsnapt, overviel me bij het kijken naar zijn onevenwichtige enscenering van Macbeth.

De kortste tragedie van Shakespeare, over de koningsmoordenaar die massamoordenaar wordt, heet in de «klassieke» interpretatie «a statement of evil» te zijn: wanneer heksen aan de Schotse generaal Macbeth hebben voorspeld dat hij koning zal worden, is koningsmoord het eerste waaraan hij denkt. Waarna die noodlottige gedachte, mede op aandringen van de kwaadaardige Lady Macbeth, zich zodanig aan hem opdringt dat ze moet worden uitgevoerd, met alle consequenties van dien. In een debat naar aanleiding van de overvloed aan Macbeth-interpretaties die dit seizoen op de Nederlandstalige planken wordt gebracht, zetten Rijnders en zijn bewerker/dramaturg Janine Brogt een maand voor hun première vraag tekens bij die lineaire interpretatie, vanuit de vraag: waarom is koningsmoord het eerste waar Macbeth aan denkt na zijn ontmoeting met de heksen? Kan hij niet gewoon afwachten en zien wat er komt?

Afgezien van het feit dat we in dat geval waarschijnlijk geen boeiend toneelstuk zouden hebben, is die vraag niet oninteressant. Shakespeare laat Macbeth (eerste bedrijf, derde scène) in zichzelf, door middel van een «terzijde», dus tegen ons, het publiek, in zijn eerste monoloog zeggen: «Gruwelfantasieën zijn erger dan angst hier en nu. De gedachte aan moord, die nog niets met de werkelijkheid te maken heeft, schokt mij zo in mijn menselijkheid, dat mijn handelen wordt gesmoord in waan en niets bestaat behalve wat niet bestaat.» In de handeling van de 24 scènes die daarop volgen, wordt de gedachte aan moord tot een keten van planmatig moorden, terwijl in de tekst elke stap dieper in het moeras van de vernietiging van een vernietigend commentaar wordt voorzien. Macbeth blijft tot zijn onvermijdelijke dood reflecteren op de dood waarvan hij de zaaier en de maaier is geworden.

Precies dát moet de reden zijn geweest waarom Pierre Bokma ooit nog eens de «dubbelrol» van Macbeth wilde spelen, de man die in de slangenkuil van de heksen (hier de trekkers van een geboortehoroscoop) kapotgaat aan de schizofrenie van zijn dodende hand en zijn krijsend geweten. Bokma, briljant speler en bespeler van menselijke afgronden, geeft prachtig vorm aan dat gevecht tussen het handelende zijn en de schaduw z'n bespiegelingen, waaraan geen ontsnappen meer mogelijk is. Als hij twee moordenaars opdracht heeft gegeven zijn kompaan en aartsrivaal Banquo te vermoorden, is hij hard en ontnuchterend nuchter. Shakespeare schrijft (derde bedrijf, eerste scène): «It is concluded: Banquo, thy soul’s flight/ If it find heaven, must find it out to-night». Bokma’s Macbeth (in de vertaling van Janine Brogt): «Ziezo, Banquo, daar ga je.» En als de moordopdracht eenmaal is volvoerd (en Banquo twee scènes verderop tijdens een feestmaal als spokend lijk aan Macbeth is verschenen) zegt hij: «Ik waad zo diep door het bloed, als ik nu stil blijf staan, is omkeren net zo stomvervelend als doorgaan. Vreemde dingen zitten in mijn hoofd, mijn hand moet toeslaan met daden, eer mijn geest erover na kan denken. Mijn rare obsessie is de angst van een beginneling, die stevig aangepakt moet worden: in daden zijn we nog maar kinderen.»

Marieke Heebink overtuigt in de rol van Lady Macbeth. Een zware rol: de vrouw is ongeveer de kwadratuur van Macbeth’s daadkracht en nuchterheid, maar ze ontbeert de zelfreflectie en wordt vroegtijdig (vóór haar tijd, zegt Macbeth na haar zelfmoord) krankzinnig door de slapeloosheid van haar man en haar eigen smetvrees.

Helaas, Macbeth is geen duet maar een toneelstuk, terwijl regisseur Rijnders en bewerker Brogt slechts geïnteresseerd lijken in het monodrama van de titelrol (met zijn echtgenote als aangeefster). De heksen worden afgewerkt als staccato geschreeuwd tekstkoor dat regelrecht lijkt weggewandeld uit een mislukte Griekse tragedie, gespeeld door de amateurtoneel vereniging te Wuustweezel. De tegenvoeters van Macbeth, met name de door de moordzucht van de titelheld gemaltraiteerde Macduff, en de pre-fascistische griezel van een koningszoon Malcolm, worden weggezet als theatrale bleekscheten die je meteen na hun eerste opkomst niet meer serieus neemt. De diverse spook- en geestverschijningen zijn magere tableaux vivants met een hoog flauwekulgehalte. En de suspense in de beruchte poortwachtersopkomst (tweede bedrijf, derde scène), die in het stuk de spanningsboog vertegenwoordigt tussen het plegen van de koningsmoord en het ontdekken ervan, is nu gereduceerd tot een kromgetrokken hobbezak (arme Barbara Pouwels!) die de volle lengte van de toneelopening moet oversteken met briljante tekstingevingen als «Klop, klop, klop, klop. Ja ja, ’t is me wat. Klop, klop, klop, klop. Jawel, ik kom.»

Ik bleef voornamelijk met vragen zitten. Had Rijnders geen zin in deze onderneming? Waarom heeft Janine Brogt alle vijfvoetige jamben in proza vertaald? Waarom ziet koning Duncan eruit als de opa van Paulus de Bos kabouter? Waarom is deze enscenering van Macbeth eigenlijk gemaakt?

Macbeth is nog te zien in Rotterdam, Eindhoven en Den Bosch. De voorstelling wordt het volgend seizoen doorgespeeld.

Inlichtingen: 020-5237800, info
toneelgroepamsterdam.nl, www.toneelgroepamsterdam.nl.