Hoofdcommentaar

Slapend rijk door oorlog in Irak

De automobilist die niet in een lease-auto rijdt en geen benzinepasje heeft dat door de baas wordt afgerekend – nog altijd de meerderheid in Nederland – ondervindt de geopolitiek dagelijks bij de pomp.

Een liter normale benzine kost nu 1,25 euro. Vlak na het officiële einde van de oorlog in Irak was de prijs van een liter normale benzine nog 1,15 euro. Een stijging van bijna tien procent in ruim een jaar is aanzienlijk meer dan de inflatie. Ze heeft dan ook vooral te maken met die voortdurende onrust op de internationale oliemarkt die de weg niet meer weet.

Zoals altijd reageert de markt als een pavlovhondje op elk nieuwsbericht. Vergeleken bij oliehandelaren zijn valutahandelaren, die 24 uur per dag op hun beeldschermen turen naar rentestanden en overheidstekorten, toonbeelden van bedaagdheid. De olieprijzen van vandaag zijn vooral een voorspelling voor overmorgen. Zij ontwikkelen zich net als de prijs van aardappelen in een zomer die volgens het KNMI zal uitmonden in een extreem natte herfst.

Zij het met dit verschil dat de prognoses voor olie slechts ten dele worden beïnvloed door weersverwachtingen en macro-economische indicatoren. Gewichtige vragen zijn: hoeveel kost het zoeken naar en oppompen van de energiebron? Zijn er technologische innovaties denkbaar waardoor de productiviteit kan stijgen? Groeit de economie van de Verenigde Staten zodanig dat de vraag zal toenemen? En hoe lang blijft de volkshuishouding van China stomen als een snelkookpan? Met China is immers een geheel nieuwe speler op het toneel verschenen die alle oude wetmatigheden ondersteboven kegelt.

Maar niet-economische ontwikkelingen zijn nu net zo belangrijk.

Zoals Irak. Het gaat niet meer alleen om de goede bedoelingen van de coalitie die het land wil opbouwen en democratiseren, het gaat steeds meer en heel ordinair om geld. Hoewel geestelijk leider ayatollah Al-Sistani vorige week een verpletterende overwinning heeft geboekt door opstandelingenleider Al-Sadr te bewegen om de heilige sjiïtische stad Najaf te verlaten en zich in deze «wapenstilstand» op de ongewapende politiek te storten, is Irak er als olieproducerend land slechter aan toe dan ooit sinds de oorlog in 2003. Begin deze week kwam de Iraakse export nagenoeg geheel tot stilstand. Al-Sadr mag dan weg zijn uit Najaf, de aanslagen op en sabotage van de olie-industrie gaan elke dag gewoon door. Het verzet tegen de Amerikaanse «bezetting» heeft kennelijk vele vormen. De coalitie moet in Irak op alle borden tegelijk spelen. Kan ze in Najaf even opgelucht een stap terug doen, dient zich weer een nieuw front aan: bij de oliebronnen, langs de pijpleidingen en in de havens van Irak.

Tegelijkertijd is de allerbelangrijkste energieproducent ook geen betrouwbare kracht meer. Als Rusland het belangrijkste energieconcern Yukos knevelt, gaan de handelaren onmiddellijk als gekken tekeer op de termijnmarkt en gaat de prijs omhoog. Het bedrijf van gedetineerde Michail Chodorkovsky is immers goed voor twee procent van de totale wereldproductie. De handel is daarom als de dood dat de Russische staat het goedkoop in eigen hand wil krijgen en zo de markt kan chanteren, aangezien het grootste land ter wereld Saoedi-Arabië als olie-exporteur op de hielen zit.

Wanneer geologen in Mexico een enorme reserve op het spoor zijn, die het land in één klap tot het potentiële productiepeil van Irak promoveert, halen dezelfde pavlovhondjes weliswaar even adem en gaan de prijs op de termijnmarkt wat drukken, maar die opluchting heeft niet veel om het lijf.

Uiteindelijk wordt de prijs van olie primair bepaald door politieke ontwikkelingen. «De Opec doet er alles aan om orde en rust op de markt te herstellen», aldus Purnomo Yusgian toro, de huidige president van de Opec. Maar het enige wat uiteindelijk echt helpt, is een echte afname van de «geopolitieke spanningen», zei Yusgiantoro vorige week.

Het is daarom geen toeval dat olie momenteel bijna twee keer duurder is dan voor 9/11 in 2001 en zelfs bijna drie keer kostbaarder dan na de overrompeling van de Taliban in Afghanistan. Vergeleken bij de zogeheten «oliecrisis» na de Jom Kippoeroorlog in oktober 1973 zijn deze fluctuaties nog overzichtelijk. In 1972 kostte een vat ongeveer drie dollar, in 1974 meer dan twaalf dollar. Maar op langere termijn lijkt er weinig hoop op rust.

Ziedaar een van de redenen voor de dure benzine bij de pompen langs de Nederlandse snelwegen. Volgens Koninklijke Olie/Shell verdwijnt ruim tweederde daarvan als accijns in de schatkist. Shell, een van de «zeven zusters» in de oliewereld, heeft dit uitgerekend om het verwijt te pareren dat het concern slapend rijk wordt op kosten van de automobilist.

De som klopt ook grotendeels. Het Duitse weekblad Die Zeit heeft vorige week in een schitterende reportage een vat olie gevolgd vanaf de bron in Koeweit tot aan de pomp in Keulen. In Koeweit, waar het oppompen van ruwe olie door de geologische omstandigheden overigens relatief goedkoop is, kost een liter ongeraffineerd 0,6 eurocent. Eenmaal gearriveerd in de haven van Rotterdam moet een liter al zeventien eurocent opbrengen. Waarna de beheerders van de pijplijn, tussenhandelaren en belastingontvangers de prijs laten stijgen tot de 1,12 euro bij een tankstation in Wesseling bij Keulen. Het verschil tussen 1,12 daar en 1,25 hier wordt veroorzaakt door de accijnzen die in Duitsland wat lager zijn.

Kortom, de staat der Nederlanden wordt rijker van de stijgende prijzen, ook omdat de waarde van het vaderlandse gas is gekoppeld aan de olieprijs en we bij het bakken van een ei eventjes zouden moeten denken aan Irak. Financieel redacteur Maarten Schinkel van NRC Handelsblad heeft afgelopen zaterdag uitgerekend dat, als de internationale markten niet kalmeren, minister Gerrit Zalm van Financiën dit jaar 440 miljoen euro als extra meevaller kan inboeken en volgend jaar zelfs bijna een miljard.

De regering doet niettemin of haar neus bloedt. Ze wil niet in herhaling van de jaren zeventig vallen, toen het kabinet-Den Uyl de overheidsuitgaven mede dacht te kunnen financieren door de gasbel bij Slochteren in te calculeren. De strategie om collectief te teren op min of meer toevallige bodemschatten heette toen de «Hollandse ziekte», een kwaal waaraan veel landen met een overdaad aan natuurlijke en schaarse hulpbronnen lijden.

Maar enige fantasie bij de boekhouding is nu toch niet meer te veel gevraagd. Het wordt tijd het domein van morele vragen en antwoorden te verlaten. De pacificatie van Irak heeft ook mate riële gevolgen.

Als minister Zalm nou eens begint om de meevallers uit de gasopbrengsten niet op de grote hoop te smijten maar buiten haakjes zou plaatsen? Dan kan er tenminste een belangrijk debat losbarsten over de vraag waarin dit extra geld kan worden geïnvesteerd. En kunnen de kosten van onze missie in Irak misschien ook nog iets opbrengen.