Slaperig beest

Kijken, kijken, kijken – en dan hoef je de rest er niet meer bij te denken. Rembrandt was in het observeren gulzig als geen ander. Hij etste het en dan had hij het ook gezien.

Rembrandt, De zeug, 1643.Ets en droge naald met lichte plaattoon, 14,4 × 18,3 cm © Rijksmuseum Amsterdam

Waarom zou Rembrandt in 1643 die bescheiden ets, De zeug, gemaakt hebben? Een jaar daarvoor, in 1642, had hij zijn eclatante schuttersstuk voor de feestelijke zaal in de Kloveniersdoelen afgeleverd waarop we de Compagnie onder bevel van Frans Banning Cock zich met groot vertoon in beweging zien zetten. Achteraf gezien is De nachtwacht niet zijn beste schilderij. Maar met dit grote schilderij dat ook eigengereid was en spectaculair van opzet maakte de zelfbewuste Rembrandt er wel aanspraak op, in de Nederlanden, de vooraanstaande schilder van zijn generatie te zijn. Een leerling, Van Hoogstraeten, was erbij toen het geschilderd werd en had ook gemerkt dat het conservatieve Amsterdamse publiek het te brutaal vond.

Maar het was schilderachtich van gedachten, schreef hij later, en zwierich van sprong. De figuren stonden niet ceremonieel naast elkaar te poseren (als eenieder voor zijn portret) maar werden afgebeeld in bepaalde momenten van beweging want de schilder-regisseur maakte er een gebeurtenis van: hij laat het gedoe zien waarmee de Compagnie zich in het gelid ordent als Banning Cock bevel geeft tot marcheren. Dat is de meeste ende die naetuereelste beweechgelickheijt die de jonge Rembrandt (36 was hij in 1642) voor zijn schilderijen voor ogen stond.

Het is die kwaliteit van beweeglijkheid die hij in het bijzonder geopserveert heeft. Eigenlijk is dat observeren of een nauwkeurig en geduldig kijken het echt wezenlijke in Rembrandts praktijk als beeldend kunstenaar. In 1639 schreef hij in een briefje aan Constantijn Huygens, secretaris van de Stadhouder, dat een bepaald schilderij vertraagd geweest was. Het langdurig kijken, en wikken en wegen, was de reden geweest. Aan deze mededeling uit het atelier is niets kunsttheoretisch. Soms zit een kunstenaar even vast. Dan moet hij nog eens kijken, en nog eens, om een verknoping los te maken.

Daar ziet en vindt hij wat hij zoekt, daar komt hij details tegen die hij niet vergeten wil

Nu weet ik waarom de ets van de zwaar liggende zeug er zo uitziet. Rembrandts dagelijkse werken begon met tekenen. Ongeveer 1800 tekeningen vinden we in het zesdelige corpus van Benesch – schetsen en krabbels. Als Rembrandt aan het werk was, tekende hij voortdurend. Dat was een manier van kijken. Zo had zijn collega Andy Warhol steeds een kleine fotocamera bij de hand. Bij dat kijken begint het. Daar ziet en vindt hij wat hij zoekt, daar komt hij details tegen die hij niet vergeten wil: een gebaar, een boomtak, verknopingen van gebaren, een hoek met schaduw ergens, een dier, een kaars in de hoek. En ja: ook een amechtige zeug die daar lag op het erf bij een sloot met haar korte poten vastgebonden.

Toen Rembrandt voorbij kwam lag het slaperige beest daar om gekeeld en geslacht te worden. Zo werd het geopserveert – en toen werd het een ets. Elke techniek leidt tot een specifiek soort observatie. Dat wist Rembrandt als geen ander. Tekeningen op papier hebben vaak wat korzeligs. Ook kunnen ze kortaf zijn – zeker als ze, zoals Rembrandt vaak deed, met krijt of met een rietpen zijn gemaakt. De punt van zo’n pen is nogal stug. De lijnen zijn stijf en minder buigzaam. Een kwast met verf levert een beweging van lijn en vorm die trager verloopt en er ook stomp uit kan zien.

Weer iets anders is in de schilderijen de gedetailleerdheid. In kleurschommelingen van het clair-obscur kan veel suggestief verborgen blijven. Verf en kwastbewegingen verhullen van alles. De meest spitsvondige en rake observaties heeft Rembrandt kunnen vinden in zijn etsen. Het drukgrafische werk op papier is een uitzonderlijk eigen categorie in het oeuvre die in omvang en vindingrijkheid alleen te vergelijken is met de prenten van Albrecht Dürer. Ik denk dat Rembrandt dat ook zo zag.

De snelle wendbaarheid van de etsnaald is onnavolgbaar verfijnd. Een etslijn kan verder kronkelen tot voorbij waar de kwast met kleur vastloopt. Of dat bezwaarlijk is, hangt af van de detaillering die iemand zoekt. Mondriaan kon goed zonder etsen maar de vindingen in hun etsen hebben bij Baselitz en Rainer zeker aan de typische beweeglijkheid bijgedragen van het handschrift in hun schilderijen. Maar Rembrandt is in het observeren wat gezien kan worden van allemaal wel de gulzigste. De borstelige huid, de warrige haargroei, dat gewicht van plomp vlees – dat kun je etsen en dan heb je het ook gezien. Dat is de enige reden waarom de zeug met die geduldige nauwkeurigheid is uitgebeeld. Hoe meer je namelijk gezien hebt, hoe losser en vrijer je ermee kunt omgaan.