NEDERLAND EN DE JAREN ZESTIG

Slappe hap of revolutionairen

Over de jaren zestig in Nederland doen vreemde mythes de ronde. Ze worden bejubeld als de grote revolutie tegen de verkalkte en vermolmde burgerlijkheid. Conservatieve types geloven dat toen de sluisdeuren open zijn gezet voor een zondvloed van kwade zaken. Beide kampen vertonen de neiging de uniciteit van Nederland te overdrijven.

In het enkele jaren geleden verschenen boek van Mark Kurlansky 1968: The Year that Rocked the World komt geen Nederlander voor. Het is een vlotgeschreven, weinig diepgravende tour d’horizon langs toenmalige brandhaarden als Parijs, Praag, Berkeley, Berlijn, Chicago en Mexico City, terwijl ook de oorlogen in Vietnam en Biafra niet vergeten worden. Maar geen letter over Amsterdam, over het Lieverdje, over de provo’s. Dit moet een geduchte klap zijn voor vaderlandse types die o zo trots zijn op Nederland en die van Jonathan Israel te horen hebben gekregen dat hun landje ooit de bakermat was van de Verlichting en daarmee van de ‘moderniteit’. En dan zouden we tijdens de Grote Culturele Revolutie van de jaren zestig geen rol hebben gespeeld?

Toch zal een nostalgische babyboomer wellicht zeggen dat Kurlansky’s keuze logisch is, omdat 1968 bij ons nu toevallig een tamelijk rustig jaar was. In Nederland begonnen de ‘jaren zestig’ immers niet in mei 1968! Al in 1962 was ‘anti-rookmagiër’ Robert Jasper Grootveld begonnen met zijn ‘happenings’, het jaar erop vonden er rellen plaats tijdens de ‘taptoe’ van militaire muziekkorpsen uit verschillende Navo-landen in het Olympisch Stadion, in 1964 leidde het optreden van Grootveld regelmatig tot ongeregeldheden rond het Amsterdamse Spui, in 1965 verscheen het eerste nummer van Provo en het jaar erop nam de gelijknamige ‘beweging’ het voortouw bij de verstoring van het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg, terwijl de hoofdstad in juni 1966 tevens getuige was van stenen gooiende bouwvakkers die het Telegraaf-gebouw belegerden. Nee, 1968 was hier een rustjaar, waarin men zich blijkbaar opmaakte voor de legendarische bezetting van het Maagdenhuis, in mei 1969. Ja, evenals bij de Verlichting liep Nederland wel degelijk voorop!

Wat dergelijke chauvinisten vergeten, is dat in andere landen de snelle veranderingen ook niet pas in 1968 begonnen. In de Verenigde Staten zorgde de civil rights movement al rond 1960 voor veel opschudding, terwijl vanaf 1965 de protesten tegen de oorlog in Vietnam oplaaiden. Ook in West-Duitsland was het al eerder onrustig en werd reeds in juni 1967 een student slachtoffer van politiegeweld.

Waar het ging om massale politieke bewustwording van de jeugd liep Nederland inderdaad een beetje achteraan en kwam die pas vanaf 1970 tot bloei. Veel van de onrust in de jaren zestig had hier een cultureel karakter, waarmee Nederland de achterstand wegwerkte die het ten opzichte van het buitenland had. In het begin van de jaren zestig was men hier nog erg onder de indruk van Cobra en de Vijftigers, de vaderlandse vertegenwoordigers van een artistieke revolutie die zich in Parijs, Wenen en Berlijn al in de jaren twintig had voltrokken.

Over de jaren zestig doen allerlei vreemde mythes de ronde. Degenen die dit tijdvak bejubelen als de grote revolutie tegen de verkalkte en vermolmde burgerlijkheid zijn van mening dat alles wat tegenwoordig goed en waardevol is toen is ontstaan. Ze denken dan aan de individuele vrijheden, democratische omgangsvormen, seksuele openheid, maatschappelijk engagement en een kritische instelling. Allerlei conservatieve types geloven dat onverantwoordelijke jongeren en lakse politici toen de sluisdeuren open hebben gezet voor een zondvloed van kwade zaken, zoals drugsgebruik, promiscuïteit, hedonisme, gezagsloosheid, egoïsme, luiheid en een oeverloze tolerantie jegens eenieder die onze beschaving bedreigt.

Beide kampen vertonen de neiging de uniciteit van Nederland te overdrijven. Alles zou hier heftiger en radicaler zijn geweest, en bovendien zou die hele revolutie hier veel meer effect hebben gehad. Volgens de nostalgische babyboomers is Nederland hierdoor, zeker in vergelijking met veel buitenlanden, een paradijs. Conservatieve zwartkijkers daarentegen, die zich net als de voormalige Duitse bondskanselier Helmut Kohl koesteren in de Gnade der späten Geburt, beweren dat alle ellende hier verder doorgeschoten is dan elders en dat ons land is verworden tot één grote hoerenbuurt vol naar onmiddellijk genot smachtende lamzakken. Dit zijn echter meningen waarvoor het empirisch bewijs nogal schamel is.

Het complexe fenomeen dat dikwijls wordt samengevat met de term ‘de jaren zestig’ deed zich in de gehele westerse wereld voor, en de wellicht belangrijkste en meest duurzame component ervan, de zogenaamde ‘jeugdcultuur’, was voor alles een importartikel uit de Verenigde Staten.

En wanneer we kijken naar het links-radicalisme, dat zijn hoogtepunt bereikte in de jaren zeventig, moeten we concluderen dat, vergeleken met wat er in bijvoorbeeld Duitsland of Italië gebeurde, de Nederlandse linkse jongeren een ‘slappe hap’ vormden.

Misschien was er één relevant verschil met het buitenland: in Nederland was de generatiekloof minder groot dan in veel andere landen. Hoewel de oudere generatie uiteraard schrok van de onsamenhangende oerwoudmuziek, het lange haar, de blote borsten, de ‘verdovende drugsmiddelen’ (mijn grootmoeder dixit), en de onbekookte politieke denkbeelden, en er dus heel wat gemopperd en soms repressief opgetreden werd, hebben veel babyboomers de neiging deze weerstand sterk te overdrijven. Wanneer je hen moet geloven hebben ze een wel heel heroïsche strijd moeten leveren om de vrijheden te bevechten die velen nu zo dierbaar zijn. Vergeleken hiermee moet het verzet tegen de Duitse bezetter een peuleschilletje zijn geweest! In werkelijkheid viel dat nogal mee en kregen de jongeren het meeste in de schoot geworpen.

Bij het verschijnen van zijn boek De eindeloze jaren zestig (1995) zei historicus Hans Righart in een interview: ‘Het is eigenlijk wel grappig te zien dat de ontluistering van de jaren zestig sterk lijkt op de manier waarop in de jaren zestig door jongeren werd aangeschopt tegen het beeld van de Tweede Wereldoorlog. Die hadden jarenlang de verhalen moeten aanhoren over de glorieuze verzetsdaden van de oudere generatie, terwijl de jongeren van vandaag vaak te horen krijgen dat de jaren zestig veel leuker, interessanter, vrolijker en inspirerender waren dan onze tijd.’

Terwijl Righart in zijn boek sterk de nadruk legde op het generatieconflict werd in het ongeveer tegelijkertijd verschenen Nieuw Babylon in aanbouw van James Kennedy een andere verklaring gegeven voor het feit dat de samenleving zo snel veranderde. Kennedy wees op de enorme lankmoedigheid van het establishment en van de meeste ouderen. Geheel in de geest van een eeuwenoude politieke cultuur die gericht was op het vermijden van conflicten, en uit angst dat de dingen anders misschien uit de hand zouden lopen, bleken de maatschappelijke elites bereid tot vergaande concessies en werden zij juist de voornaamste dragers van de vernieuwing.

Sinds eeuwen bedreven in het aanleggen van dijken en kanalen, wist men nu de maatschappelijke onvrede te kanaliseren. En soms betekende dat dat men Gods water over Gods akker moest laten lopen, zoals het antirevolutionaire Kamerlid Beinema besefte toen zijn partij akkoord ging met het afschaffen van de filmcensuur, omdat ‘handhaving van de huidige filmkeuring zou betekenen dat men een waterstroom van honderd meter breed zou willen tegenhouden met een dijk van veertig meter lengte’.

Terwijl veel ouderen klaagden over het lange, ongewassen haar waarmee zelfs veel jongens rondliepen, zei Joop den Uyl: ‘Het staat iedereen in ons land vrij zijn haar lang te laten groeien en zich niet te wassen. Ik herinner eraan dat de Duitsers, die in 1940 ons land binnenvielen, keurig geknipt, gewassen en geschoren waren.’ En toen een journalist aan de christelijk-historische minister-president Piet de Jong bezorgd vroeg wat zijne excellentie eigenlijk van pornografie vond, antwoordde de oud-onderzeebootcommandant: ‘O, dat is een probaat middel tegen zeeziekte. Ik had altijd een paar van die boekjes bij me en na een half uurtje kwamen die jongens zich altijd weer fris en monter melden.’

Wat het Nederlandse establishment deed was niets anders dan het toepassen van het adagium van de Amerikaanse president Lyndon B. Johnson: ‘It’s probably better to have them inside the tent pissing out, than outside the tent pissing in.’ Uiteraard zullen allerlei conservatieve zeikers nu onmiddellijk brullen: ‘Zie je wel, toen had je al dat vermaledijde gepolder! Je reinste appeasement! Capitulatie!’ En wellicht zullen ze een parallel met het heden trekken en concluderen dat het niet zo vreemd is dat het establishment – dat voor een groot deel bestaat uit babyboomers – nu veel te lankmoedig is tegenover de oprukkende islam. En eigenlijk is het niet zo gek om een vergelijking te maken tussen de jaren zestig en nu.

Ook toen waren er veel jongeren met idiote of zelfs gevaarlijke ideeën. Wie een blik werpt op oude jaargangen van De Groene Amsterdammer of De Nieuwe Linie, om maar te zwijgen van allerlei maoïstische blaadjes, zal constateren dat daar vaak dingen werden geroepen die in radicaliteit en stompzinnigheid niet onderdeden voor wat heden ten dage op salafistische websites verschijnt. En ook toen viel de ‘radicalisering’ van de jeugd wel mee, was het slechts een handjevol mafketels dat in extremistisch vaarwater belandde en waren nog veel minder types bereid over te gaan tot gewelddaden. De meeste leden van de linkse ‘protestgeneratie’ kwamen na verloop van tijd terug van de meest radicale denkbeelden. Je kunt wel aanschoppen tegen de consumptiemaatschappij en het carrièredenken, maar na een tijdje wil je zelf toch ook wel wat bereiken. Een anti-autoritaire opvoeding? Niet als je eenmaal zelf kinderen hebt. Basisdemocratie? Ja hallo, de tent moet wel draaien! Sommige babyboomers – en dan vooral die van het type Nieuw Links – hebben zich zo goed aangepast dat ze niet te onderscheiden zijn van de autoritaire carrièristen waartegen ze zich vroeger zo hebben verzet. En wie zegt dat het aanpassingsvermogen van jonge moslims geringer is?