Geld, aanzien en kinnesinne

Slappe knieën

De kwestie rond de afscheidsrede van de Utrechtse hoogleraar Van der Horst maakt felle tegenstellingen duidelijk onder Nederlandse arabisten. Maar de affaire wijst op nog een factor: moslimstudenten zijn voor universiteiten een lucratieve groeimarkt. Dus moet de beeldvorming worden bewaakt.

Hij had niet kunnen bevroeden wat hij op de valreep van zijn lange, internationaal gewaardeerde carrière met zijn afscheidsrede De mythe van het joodse kannibalisme zou losmaken. Pieter van der Horst is het prototype onkreukbare professor. De inmiddels emeritus hoogleraar Nieuwe Testament, gespecialiseerd in het judaïsme, zat er tijdens het spoeddebat in het Amsterdamse debatcentrum De Balie, vorige week, enigszins gelaten bij. Hij vertelde droog over de enorme druk («Je brengt de veiligheid van anderen in gevaar») waaronder hij door rector magnificus Willem Hendrik Gispen van de Universiteit Utrecht is gezet om zijn rede op een aantal passages aan te passen. Hij wijst er andermaal op dat een van de heilige academische mores is geschonden, namelijk het embargo van zijn tekst. Dat vindt hij bijna nog erger dan de correctie van de inhoud zelf.

Het resultaat van het tekstuele gesjoemel werd begin vorige week publiekelijk bekendgemaakt. Er raakten twee versies van zijn afscheidswoorden in omloop. De oorspronkelijke tekst, bedoeld voor kleine kring, zal dezer dagen in boekvorm verschijnen. En daarmee is de zoveelste rel rondom hét hete hangijzer geboren: de wijze van benaderen van de (politieke) islam en de verhouding tot de westerse wereld.

De passages die zijn gelicht uit Van der Horsts versie hebben betrekking op het virulente antisemitisme binnen de islam, dat volgens hem een voorzetting is van het sinds de Griekse Oudheid doorgegeven vijandbeeld van de jood als een kannibaal. Volgens Gispen kon niet «onder verantwoordelijkheid van de universiteit» worden gepubliceerd dat «de islamitische wereld de fakkel van de redeloze jodenhaat van de nazi’s heeft overgenomen en deze met vuur en verve verder draagt». Geretoucheerde «details» zijn onder meer dat Van der Horst de Palestijnse geleerde Edward Said «omhooggevallen», hele regimes «godsdienstwaanzinnig» en Gretta een «griezel» noemt. Alle drie zijn subjectief, maar daarmee niet per se ongefundeerd onwaar.

Wat in de afscheidsrede recht overeind blijft staan, is dat het klassieke vijandbeeld van joden als kannibalen – wetteloos, primitief, duivels, immoreel, gewelddadig, bloeddorstig en conspiratoir – actueel is. Van der Horst toont aan hoe onuitroeibaar deze mythe is. «Het trieste is dat we het niet hebben over kleine groepjes radicalen, maar juist over grote massa’s gelovigen die op dit punt door en door gehersenspoeld zijn door hun geestelijke en politieke leiders.»

De commotie van de afgelopen dagen richtte zich vooral op het slinks schenden van de academische vrijheid. Daarover was iedereen, ongeacht de inhoud van het betoog, het eens: Gispen heeft in zijn functie gefaald en kan zijn handelwijze op geen enkele manier meer goedpraten. Al helemaal niet vanwege het motief: angst voor een agressieve reactie van gekwetste moslims. Wie een wetenschapper in een keurslijf drukt, verloochent de wetenschap. Een afscheidsrede is voor een hoogleraar bovendien hét moment om op eigen titel een persoonlijke bespiegeling op het eigen vakgebied los te laten. Tijdens het debat in De Balie werd het ingrijpen van Gispen zelfs opgevat als «geïnternaliseerde zelfcensuur zoals in tijden van oorlog».

Maar er is méér aan de hand. Van der Horst signaleert een probleem binnen zijn vakgebied. Hij schrijft: «Het is een primaire taak van de wetenschap om onwetendheid te verhelpen, onzin aan de kaak te stellen, vooroordelen te ontmaskeren en kritiek te leveren op wat historisch en sociaal-ethisch niet door de beugel kan.» Hij haalt Elie Wiesel aan, die «ons keer op keer heeft voorgehouden dat er maar één remedie is tegen jodenhaat en dat is informatie en nog eens informatie». Dat gebeurt volgens hem te weinig; tegenwicht bieden vanuit de wetenschap (en de politiek en de kerk) aan het ontmaskeren van gevaarlijke leugens over joden en het wereldwijd toenemende antisemitisme. Hij stelt: «Lang geleden leerde Karl Popper ons dat je nooit tolerant moet zijn tegenover intoleranten, maar Europa met haar slappe knieën is deze les vergeten.»

Hij bedoelt daar ook mee: collega’s binnen de universitaire wereld. Bij de benoeming van islamologen aan de faculteit moet er volgens hem goed op worden gelet «dat er niet iemand wordt benoemd van het politiek correcte soort islamologen waarvan Nederland er veel te veel heeft».

Is Van der Horst een kokkenluider binnen de theologie? Bestaat binnen de wetenschap ten aanzien van de islam een (gevaarlijke) blinde vlek? Is er te weinig ruimte voor onderzoek naar de «donkere kanten» van de islam, zoals Van der Horst tijdens het Amsterdamse debat stelde?

In Nederland zijn op het niveau van universitair docenten en hoogleraren ongeveer dertig arabisten en islamologen werkzaam. De meesten van hen hebben langdurig in het Midden-Oosten gewerkt. Sommigen van hen hebben zich de laatste jaren op de televisie en tijdens publieke debatten gemanifesteerd. Ze worden opgeroepen als kenners bij allerlei gevoelige kwesties. Of het nu gaat over de beweegredenen van de leden van de Hofstadgroep, over een verbod op het dragen van hoofddoeken of het uitroepen van het Suikerfeest tot nationale feestdag, hun uitleg is een politieke mening geworden. Net als de Kremlinwatchers tijdens de Koude Oorlog worden zij geplaatst in een pro- of anti-kamp van hun onderzoeksveld.

Als soft en naïef staan bijvoorbeeld de arabisten Ruud Peters en Maurits Berger te boek. Peters kreeg landelijke bekendheid vanwege zijn uitleggende rol in de rechtszaak van Mohammed B. Maurits Berger werkte onder meer mee aan het wrr-rapport Dynamiek in het islamitisch activisme, dat kritiek oogstte vanwege een te beperkte blik op de ontwikkelingen binnen de politieke islam. De Groningse hoogleraar Arabische talen en islam Fred Leemhuis wordt beschouwd als gematigd, terwijl de arabisten Hans Jansen en Leo Kwarten gelden als islam-bashers. De verschillen in signatuur hebben niet te maken met het wetenschappelijk gehalte van hun publicaties en colleges. Het gaat erom hoe hun kennis zich verhoudt tot de politieke context.

Het is een verschil tussen optimisten en pessimisten over de ontwikkelingen van de islam in de wereld. Waar de één de sharia aanmerkt als een mogelijkheid voor hervormingen ziet de ander de islamitische wetgeving juist als een belemmering. Is het massaal afwijzen door Marokkaanse jongeren van de westerse levensstijl en rechtsstaat slechts een generatieconflict van voorbijgaande aard of een diepgewortelde, onoverbrugbare kloof tussen de islam en het Westen? Het gaat om tal van dit soort interpretatieverschillen. Volgens sommigen is het bij de arabisten net als in de politiek: er zijn wegkijkers en realisten. Er zijn westerse islamologen die de leugens uit de Arabische wereld omarmen en islamologen die er doorheen prikken. Anderen stellen juist dat het gaat om bruggenbouwers versus degenen die de zaak polariseren.

Ruud Peters zegt desgevraagd hierover: «Binnen mijn vakgebied heerst een zeker meningsverschil over een aantal zaken en daar moeten we niet bang voor zijn. Dat komt de discussie ten goede. Het heeft niets te maken met politieke correctheid. De meesten in mijn vakkring zijn volstrekt apolitiek. Maar uitspraken worden meteen politiek geduid. Als ik zeg: ‹Kijk ook eens naar de positie van de Marokkaanse jongeren in onze samenleving›, vindt men mij meteen te soft. Ik merk zelf wel dat mijn werk is veranderd door het toenemend aantal moslimstudenten in de collegebanken. Ik moet onderwerpen meer dan vroeger in de context plaatsen. En erop hameren dat geloof en wetenschap twee aparte zaken zijn. Ze kunnen dat niet altijd even goed scheiden.»

Hans Jansen meent wél dat er sprake is van politieke correctheid onder zijn vakgenoten. Hij vergelijkt het met de slavisten ten tijde van de Koude Oorlog, van wie sommigen ook niet door de rookgordijnen van de communistische wereld konden kijken. Dat het onderzoek zich te weinig richt op de negatieve kanten van de islam is volgens hem niet van de laatste tijd, maar al sinds de jaren tachtig het geval. Uit eigen ervaring weet hij dat er toen geen belangstelling bestond om studie te doen naar de meest rabiate antiwesterse en antisemitische publicaties uit het Midden-Oosten: «Het leek allemaal te idioot en ongeloofwaardig. Als er werd geschreven: ‹We zijn bereid om Europa te veroveren› met een plaatje van gekruiste zwaarden, nam niemand dat serieus.»

Jansen wijst op een ander punt: het belang van het «bedrijf» speelt binnen de universiteit steeds meer een rol: «Niet de moslimstudenten zelf zijn het probleem. Ze vinden doorgaans hun studie prachtig, en ook radicale studenten kunnen goed omgaan met kritiek. De bestuurders willen geld binnenhalen voor onderzoek naar islamitische onderwerpen en onderhandelen soms met schimmige elites die allerlei eisen stellen. Er is soms bemoeienis van geestelijk leiders. En soms zijn er twijfelachtige geldstromen. Net als bij andere faculteiten is onderzoek een subsidiewinkel geworden. In het geval van Utrecht speelt dat ook mee. Ze wilden de imamopleiding binnenhalen.» Emeritus hoogleraar economie Arnold Heertje wees daar tijdens het debat in De Balie ook op. Hij hekelde het marktdenken van de universiteiten. De nieuwe markt is: het binnenhalen van moslimstudenten en subsidies voor onderzoek naar een scala van onderwerpen over de islam. Een deel van Van der Horsts ergernis zou ook daarop terug te voeren zijn. Van der Horst stelt dat de Universiteit Utrecht de laatste jaren steken laat vallen door het marginaliseren van onderwijs en onderzoek in het jodendom aan de theologische faculteit ten gunste van «royale aandacht aan de islam».

De imamopleiding speelt inderdaad op de achtergrond een rol. De Universiteit Utrecht had in een samenwerkingsverband met de niet-erkende Islamitische Universiteit Rotterdam een opleidingsvoorstel ingediend. Hoewel ze daarvoor begin dit jaar van de onderzoekscommissie een dikke voldoende kregen, bleek dat ze voor de opleiding niet in aanmerking kwamen. Naar deze week bekend is geworden grijpt Leiden naar de pot subsidiegelden van ruim 2,5 miljoen euro om een opleiding voor islamitische theologie op te zetten. Vooralsnog is dat vier jaar theoretisch onderwijs, die volgens professor P. Koningsveld, hoogleraar islamologie aan de Universiteit van Leiden, wordt opgezet «volgens de beste wetenschappelijke tradities. Streng en hermetisch gescheiden van het geloof.» Aan een voortzettende ambtsopleiding van twee jaar tot imam wordt gewerkt. Maar dat is «een weg van lange adem. Er zijn binnen de islam verschillende richtingen waarmee we rekening moeten houden.» Hij zegt ook dat «de Utrechtse ambities morsdood zijn. Die zijn voortijdig afgeblazen, omdat ze wilden samenwerken met de niet-erkende Islamitische Universiteit Rotterdam.» Leiden begint deze week met de inschrijving van de eerste studenten. Aan de Vrije Universiteit bestaat al een dergelijke opleiding, die vanuit de eigen zuilentraditie wel een religieuze vermenging mogelijk maakt. Op hbo-niveau verzorgt INHolland een imamopleiding.

Binnen het wetenschappelijk onderwijs is de islam kennelijk een lucratieve groeimarkt. Het ingrijpen van de Utrechtse rector in de afscheidsrede van zijn hoogleraar wekt de schijn dat de universiteit haar islamvriendelijke imago wilde beschermen.