TONEEL Wunderbaum speelt Kamp Jezus

SLAPPE MARIADISTELTHEE

Wunderbaum, een troep jonge makers die onder de paraplu van ZT Hollandia zijn ontstaan en nu zelfstandig én onder het dak van NTGent een thuis hebben gevonden, speelt Kamp Jezus. Vorig seizoen vrij kort te zien, nu terug voor een langere tournee.
De programmafolder lijkt op de drukwerkjes die je in handen krijgt voorafgaande aan een kerkdienst (bij mij tegenwoordig vooral begrafenissen), compleet met liedteksten, waaronder enkele meezingers. Als de openingsscène (waarover later meer) is gedaan, het Dies Irae in het arrangement van Franz Liszt heeft geklonken, gaan de friezen en coulissen de lucht in en zien we het kale toneelhuis gevuld met kerkbanken, vijf projectieschermen en de instrumentaria van de reli-hardrockband GodSquad. Tijd voor een serie roomse rituelen en enkele antipaapse tegengeluiden. Nu iets intiems, zei een toneelspeler, en ik dacht: oeps, daar komt een rooms ritueel, het zal de biecht toch niet wezen, tot ik me realiseerde dat die al lichtjaren geleden is afgeschaft. Het werd: bidden. Naast het laffe bidden uit een boekje en het zogeheten volautomatische bidden (dat deden mijn ouders voor het eten, tekst & gestiek waren perfect parallel geschakeld aan het opscheppen van de piepers en het uitgieten van de jus), bestaan er twee verdergaande varianten van bidden: het uitrollen van een verlanglijst (‘Stefan móet vanmiddag nog verliefd op me worden’), en de existentiële oerkreet richting God (‘Wordt dat nog wat met dat leven van mij?). Beide varianten komen hier aan bod, doorschoten met smeekbedes in de vorm van een rake oneliner (‘een charismatischer kop lijkt me ook wel leuk’).
Het antipaapse tegengeluid werd in Kamp Jezus: seks in de kerkbanken, maar ja, die hittegolf werd zo ongelooflijk flauw afgeblust dat het bleef bij een roomse natte scheet in een netje. Het naspelen van de veertien kruiswegstaties (The Passion of The Christ, maar dan de bloedeloze versie) bleef ook nogal hangen in een repetitie voor iets ‘gewaagds’ op de EO-jongerendag (Christus als blonde vrouw met blote tieten), waar bij statie tien een vage ruzie losbarstte over invoeling of over wie zich het meest rooms mag noemen, of zoiets, meer kon ik er niet van maken.
Kamp Jezus werd almaar niksiger. Eigenlijk had ik het al kunnen weten toen het spektakel begon. Voor de intro zijn teksten bij elkaar gewinkeld uit de film Het zevende zegel (1957) van Ingmar Bergman. In die film – nog altijd verplichte kost voor afvalligen – ontmoet de uit het Heilige Land teruggekeerde kruisridder Antonius Blok bij aankomst in zijn thuisland als eerste de Dood. Het uitgemergelde lijf van de ridder is er helemaal klaar voor, zijn geest nog niet. Hij is op zoek naar kennis, naar wetenschap, in de plaats van (of minstens náást) het geloof. De ridder bedingt uitstel door middel van een partij schaak met de Dood – zolang hij aan zet is blijft hij leven.
Wunderbaum suggereert in interviews hun intro van Kamp Jezus te hebben geleend uit de openingsscène van de Bergman-film, waarin iemand in het aangezicht van de dood zijn levenslust zou uitschreeuwen (‘de tijd die me nog rest wil ik besteden aan één zinvolle daad’). Dat klopt niet. De Wunderbaums lenen hun tekst uit een andere scène, ongeveer een half uur na aanvang. De ridder weet op dat moment helemaal niet dat hij de kern van zijn zoektocht (die trouwens wel wat meer is dan ‘één zinvolle daad’) openbaart aan de Dood, want die heeft zich vermomd als biechtvader in een duistere biechtstoel. Wat daar in die tien minuten zwart-witfilm van een halve eeuw geleden voorbij schuift aan reli-horror, wanhoop, twijfels, roomse anekdotiek én humor, is by the way aanmerkelijk meer dan Wunderbaum in twee uur slappe mariadistelthee wegzet.
Wanneer de inzet is om existentietoneel te maken over zoiets als een ‘blasfemische afrekening’ (niet mijn woorden, maar de uwe, dierbare wonderboompjes), mag het dan de volgende keer met iets meer maagdenbloed en kloten? Graag!

Kamp Jezus van Wunderbaum, tournee tot begin december. www.ntgent.be