Slapstick bij de Aboriginals

Canberra – Lees een willekeurige Australische krant en Aboriginal Australië is een plek van wantoestanden. Maar hier in het uiterste noorden van Australië domineert de zwaarmoedigheid niet. Weinig mensen hebben een aanstekelijker lach dan Jane, een van de sprekers van de lokale Aboriginal-moedertaal Ungarinyin.

Haar humor blijft me evenwel verbazen. ‘Vertel eens een Ungarinyin-grap’, vroeg ik Jane een paar jaar terug. ‘Stel je voor’, zei ze, ‘dat je iemand vraagt hoeveel kinderen ze heeft en ze zegt “negen” en je zegt: “Dat is veel.” En dan zegt zij: “Wacht maar, jij krijgt er vast ook een hoop.”’ Schaterlach. In de jaren waarin ik met Jane aan de documentatie van haar taal heb gewerkt, wist ze me vaak moeiteloos mee te slepen met haar verhalen. Deze keer niet.

Jane vraagt me om bij de ­kiosk te stoppen voor een kraslot. Ik antwoord ondoordacht: ‘Jane, de kans dat je die honderdduizend op straat vindt is groter dan dat je het bij elkaar krast.’ Even is het stil, dan zegt Jane met een frons: ‘Nou, zulke lange straten hebben wij hier geloof ik niet.’ Mijn lach komt me op gefrons te staan.

Ironie en understatement maken geen deel uit van het komische repertoire van Aboriginals, zegt Thomas Saunders, een taalkundige die ruim vijftien jaar in Aboriginal-gemeenschappen werkt. De antropologische literatuur wijst standaard op zogenoemde ‘graprelaties’. Die zijn gebaseerd op het meest fundamentele aspect van Australische Aboriginal-culturen: sociale rollen liggen bij de geboorte vast in ingewikkelde verwantschapssystemen. In veel Aboriginal-culturen is er een bepaalde familierelatie (bijvoorbeeld tussen twee neven van gelijke leeftijd) waarbinnen je wordt verwacht elkaar voortdurend te plagen, en die familieband is in beschrijvingen de ‘graprelatie’ gedoopt.

Veel familiegerelateerde humor is echter veel subtieler. Saunders vertelt van een corroboree van een Aboriginal-groep die in twee familielijnen uiteen viel. De ene lijn diende een witte hoofdband te dragen tijdens een groepsdans, de andere niet. Bij de groepsdans droeg een lid van de verkeerde lijn een witte hoofdband. De stamoudste lachte onbedaarlijk.

Terug bij Jane’s huis bedacht ik hoe in onze gesprekken momenten van onmiddellijke verstandhouding en totaal onbegrip elkaar snel afwisselden. Met een onbedoeld gevoel voor slapstick stootte ik mijn hoofd tegen de deurpost. Jane lachte hardop. En even waren alle culturele barrières geslecht.